Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-1999
Datum publicatie
30-12-2019
Zaaknummer
97/344 WAO + 97/6454 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een geval waarin de uitkeringsgerechtigde is aangewezen op werk in WSW-verband brengt de zorgvuldigheid mee dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het moment waarop is beslist over (her)opneming in de personenkring van de WSW; van een betrokkene kan worden gevergd dat hij daartoe gerichte activiteiten ontwikkelt.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/ 344 WAO

97/6454 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de

Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de

plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de

Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak

wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze

bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 25 april 1994 heeft gedaagde appellants

uitkering ingevolge de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk

werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80

tot 100%, met ingang van 15 juni 1994 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van

3 december 1996 het namens appellant tegen dat besluit

ingestelde beroep gegrond verklaard en dat

besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen

gegeven terzake van de proceskosten en het griffierecht.

Namens appellant is mr W.G. Fischer, advocaat te

Beverwijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden,

van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft

gedaagde een afschrift overgelegd van zijn besluit van 22 juli

1997, waarbij appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang

van 15 augustus 1994 wordt ingetrokken.

Bij brief van 26 januari 1999 heeft gedaagde enige vragen van

de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op

16 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen,

bijgestaan door mr Fischer, als zijn raadsman, en S.R.

Balasar, als tolk. Gedaagde heeft zich daar laten

vertegenwoordigen door mr E.G. van Roest, werkzaam bij Gak

Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Bij het besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde appellants

uitkering ingevolge de WAO alsnog met ingang van

15 augustus 1994 ingetrokken. Gedaagde heeft dit besluit

genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Dit

besluit dient aangemerkt te worden als een besluit als bedoeld

in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Aangezien gedaagde met dit besluit niet geheel aan appellants

beroep tegemoet is gekomen wordt het beroep, op grond van

artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en artikel 6:24 van de

Awb, mede gericht geacht tegen het besluit van 22 juli 1997.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat,

het volgende overwogen. In de eerste plaats heeft de rechtbank

overwogen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft

gesteld dat appellant ten tijde in geding niet langer

arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO omdat hij medisch

gezien in staat moest worden geacht om zijn werk ingevolge de

Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) bij DSW-Zaandam weer te

verrichten. Onder verwijzing naar de in RSV 1989/220

gepubliceerde uitspraak van de Raad heeft de rechtbank voorts

overwogen dat in een geval als het onderhavige, waarin een

uitkeringsgerechtigde is aangewezen op werkzaamheden in

WSW-verband, de zorgvuldigheid eist dat de

arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het

moment waarop over (her)opneming in de zogeheten

WSW-personenkring is beslist, waarbij van de

uitkeringsgerechtigde gevergd kan worden dat hij daartoe zelf

doelgerichte activiteiten ontwikkelt. De rechtbank heeft

verder vastgesteld dat appellant op 15 juni 1994 niet meer tot

de personenkring van de WSW behoorde omdat zijn dienstverband

op grond van artikel 28, eerste lid, van de WSW, was verbroken

en de plaatsingscommissie van de WSW niet over zijn heropname

in de personenkring had beslist. De rechtbank heeft tevens

overwogen dat van appellant had mogen worden verwacht dat hij

zich, na een hem vanwege gedaagde gezonden brief van 15 april

1994, opnieuw bij zijn werkgever zou hebben aangemeld, hetgeen

hij echter heeft nagelaten. Op grond van voorgaande

overwegingen heeft de rechtbank het redelijk geacht dat

gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO zou

intrekken met ingang van het moment waarop over diens

heropneming in de WSW-personenkring zou zijn beslist als hij

zich tijdig zou hebben aangemeld. De rechtbank was van oordeel

dat een termijn van vier maanden na verzending van de brief

van 15 april 1994 in deze redelijk was.

In hoger beroep is namens appellant -kort gezegd- bezwaar

gemaakt tegen de overweging van de rechtbank dat gedaagde zijn

uitkering ingevolge de WAO vier maanden na de brief van 15

april 1994 mocht intrekken. Appellant heeft niet langer

bestreden dat hij ten tijde in geding in staat was zijn arbeid

in WSW-verband te verrichten.

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de

aangevallen uitspraak en het door gedaagde ter uitvoering van

die uitspraak genomen besluit van 22 juli 1997, in rechte

stand kunnen houden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de

rechtbank en neemt deze over.

Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd

overweegt de Raad als volgt.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de brief van

15 april 1994 geen expliciete aanwijzing bevat op grond

waarvan hij zich had dienen te realiseren dat hij zich bij

DSW-Zaandam had dienen te melden. Deze brief vermeldt echter

wel duidelijk dat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen

werk. Uit het zich onder de gedingstukken bevindende

arbeidskundige rapport van 30 maart 1994

blijkt voorts dat de behandelende arbeidsdeskundige

appellant al op 30 maart 1994, in het bijzijn van zijn broer,

mondeling te kennen heeft gegeven dat hij in staat werd geacht

om zijn eigen werk weer te verrichten en dat hem door de

arbeidsdeskundige dringend advies werd gegeven contact met de

werkgever op te nemen. Appellant heeft niet bestreden dat het

gesprek in de in voormeld rapport weergegeven zin heeft

plaatsgevonden. Gelet op de inhoud van dat gesprek is de Raad

van oordeel dat appellant zich reeds op 30 maart 1994 had

kunnen en moeten realiseren dat hij zich voor werkhervatting

bij DSW-Zaandam had kunnen melden. De omstandigheid dat de

brief van 15 april 1994 niet een volledige weergave van het

gesprek van 30 maart 1994 bevat kan aan die conclusie niet

afdoen.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft de Raad met

de rechtbank echter moeten vaststellen dat appellant zich na

30 maart 1994 niet bij zijn voormalige werkgever heeft gemeld

en ook anderszins geen poging heeft ondernomen om weer in de

WSW-personenkring te worden opgenomen. De omstandigheid dat

appellant zich, naar is gesteld, niet kon verenigen met de

beƫindiging van zijn dienstverband op 19 juni 1993 en in

verband daarmee contact heeft opgenomen met DSW-Zaandam, kan

naar het oordeel van de Raad niet aangemerkt worden als een in

dit verband relevant verzoek van appellant om weer toegelaten

te worden tot de personenkring van de WSW. Daarbij wijst de

Raad er op dat zowel gedaagde als appellant op dat moment van

mening waren dat hij niet in staat was zijn werk te

verrichten.

De Raad overweegt voorts in gedaagdes opstelling ten aanzien

van de hervatting van appellant in zijn werk bij DSW-Zaanstad

geen aanleiding te hebben gevonden voor het oordeel appellants

uitkering ingevolge de WAO, op grond van de in acht te nemen

zorgvuldigheid, op een later tijdstip dan 15 augustus 1994

ingetrokken diende te worden.

Op grond van het voorgaande beantwoordt de Raad de hiervoor

vermelde vraag bevestigend. Daaruit volgt dat de aangevallen

uitspraak bevestigd dient te worden en dat het beroep tegen

gedaagdes besluit van 22 juli 1997 ongegrond verklaard dient

te worden.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te

geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat appellant geacht moet worden te

hebben ingesteld tegen het besluit van 22 juli 1997,

ongegrond.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en

mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in

tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) S.I. ter Riet.

AB