Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-1999
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
97/10648 AKW, 98/2123 AKW, 98/3176 AKW, 98/8566 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep mogelijk tegen uitspraak 8:88 Awb; zijn Vliegreiskosten onder te brengen in de onderhoudsbijdragen AKW? Geen hoger beroep mogelijk tegen uitspraak 8:88 Awb; zijn Vliegreiskosten onder te brengen in de onderhoudsbijdragen AKW? Er is geen hoger beroep mogelijk tegen een uitspraak ex art 8:88 Awb, gelet op art 18 Beroepswet. De CRvB verklaart zich derhalve onbevoegd. Het bezwaar tegen het nadere besluit hangende hoger beroep is door de SVB als bezwaarschrift behandeld. De SVB was hiertoe niet bevoegd. De Raad vernietigt dit besluit op bezwaar. Wat betreft de vraag of app. heeft voldaan aan de onderhoudseis oordeelt de Raad dat van de telefoonkosten naar Suriname (waar het kind destijds tijdelijk verbleef) onvoldoende vaststaat dat ze betrekking hebben op gesprekken met of betreffende het kind. Wat betreft de reiskosten van en naar Suriname stelt de Raad dat de SVB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die alleen kunnen worden toegerekend aan het kwartaal waarin de reis is gemaakt, aangezien op voorhand bekend was dat het verblijf ongeveer een jaar zou duren, zodat ook bekend was dat de kosten tweemaal gemaakt zouden moeten worden. De Raad oordeelt dat er ruimte moet zijn kosten van deze aard, die bovendien de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage voor een kwartaal verre overstijgen, onder omstandigheden niet uitsluitend toe te rekenen aan het kwartaal waarin ze zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 7
Algemene Kinderbijslagwet 10
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/10648 AKW

98/2123 AKW

98/3176 AKW

98/8566 AKW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant is in hoger beroep gekomen van twee uitspraken van

de president van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem,

gedateerd 23 september 1997 en 4 februari 1998.

Bij de uitspraak van 23 september 1997 is, voorzoveel hier van

belang, appellants beroep tegen gedaagdes besluit van 29 juli

1997, houdende handhaving -na bezwaar- van de weigering om

appellant over het eerste tot en met het derde kwartaal van

1995 kinderbijslag toe te kennen ten behoeve van zijn dochter

C, ongegrond verklaard.

Bij de uitspraak van 4 februari 1998 is, voorzoveel hier van

belang, appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek

om herziening van de uitspraak van de rechtbank d.d. 9 april

1997, waarbij zijn beroep tegen gedaagdes besluit houdende

weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 1994

ongegrond is verklaard.

De gronden van het hoger beroep tegen de uitspraak van

23 september 1997 zijn aangevoerd bij brief d.d. 26 januari

1998 van mr A.C.R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, die ook,

bij brief van 12 maart 1998, gronden heeft aangevoerd in het

hoger beroep tegen de uitspraak van 4 februari 1998.

Gedaagde heeft verweer gevoerd bij schrijven van 14 april

1998, respectievelijk 7 oktober 1998.

Bij het verweerschrift van 14 april 1998 was gevoegd een

afschrift van een nader tot appellant gericht besluit d.d. 3

februari 1998, waarbij hem alsnog kinderbijslag ten behoeve

van C is toegekend over het derde kwartaal van 1995 en wederom

kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van dat jaar

is geweigerd.

Aan partijen is meegedeeld dat de Raad in het aanhangige

geding tegen de uitspraak van de rechtbank d.d.

23 september 1997 tevens een oordeel zal geven over gedaagdes

nadere besluit van 3 februari 1998.

Blijkens nader ingezonden stukken heeft gedaagde een door

appellant ingediend bezwaar tegen het besluit van

3 februari 1998 in behandeling genomen en daarop

-negatief- beslist bij besluit van 9 september 1998. Namens

appellant is verzocht dit besluit eveneens te betrekken in het

aanhangige hoger beroep, waarna vanwege de Raad aan partijen

is meegedeeld dat zulks zal geschieden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

14 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen,

bijgestaan door mr C. Hofmans, advocaat te Wormerveer, als

zijn raadsman. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde

J.E. de Graaff, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

De Raad zal eerst een oordeel geven over het hoger beroep,

gericht tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 4 februari

1998.

Dit hoger beroep betreft de niet-ontvankelijkverklaring door

de rechtbank van het door appellant ingediende verzoek om

herziening van de uitspraak van de rechtbank d.d.

9 april 1997.

Tegen een uitspraak ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) staat, gelet op artikel 18 van de

Beroepswet, geen hoger beroep open bij deze Raad, mede in

aanmerking genomen dat de aangevallen uitspraak niet tevens

inhoudt een uitspraak ten gronde, volgend op de toewijzing van

een verzoek om herziening; de Raad verwijst hierbij naar zijn

uitspraak, gepubliceerd in RSV 1998/299.

De Raad zal zich derhalve in deze onbevoegd verklaren.

Voorzover namens appellant is betoogd dat hij geacht moet

worden tijdig in hoger beroep te zijn gekomen van de uitspraak

van de rechtbank van 9 april 1997, namelijk bij

schrijven van zijn gemachtigde van 29 april 1997, gericht aan

gedaagde, op wie de verplichting zou hebben gerust dit

schrijven als beroepschrift aan de Raad door te zenden, merkt

de Raad op dat in het onderhavige geding niet aan de orde is

een -pretens- hoger beroep tegen de uitspraak van

9 april 1997, maar een verzoek om herziening van die

uitspraak, ingediend bij aldus geformuleerd verzoekschrift

d.d. 4 oktober 1997, gericht aan de rechtbank.

In het geding dat betrekking heeft op de uitspraak van de

rechtbank d.d. 23 september 1997 is allereerst aan de orde het

besluit van 29 juli 1997, waarbij gedaagde toepassing heeft

gegeven aan artikel 14, derde lid, van de AKW, en wordt het

beroep geacht mede te zijn gericht tegen gedaagdes nadere

besluit van 3 februari 1998.

Dit besluit is in de plaats getreden van het besluit van

29 juli 1997, waarmee dat hoger beroep zonder voorwerp is

geraakt. Aangezien van enig resterend belang bij het hoger

beroep niet is gebleken, zal de Raad appellant daarin

niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het, hangende hoger beroep genomen, besluit

van 3 februari 1998 overweegt de Raad voorts, dat dit een

besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en derhalve

ingevolge artikel 6:19 van die wet overeenkomstig vaste

rechtspraak van de Raad in de onderhavige procedure aan zijn

oordeel is onderworpen. Gedaagde was derhalve niet bevoegd het

bezwaar, gericht tegen het besluit van

3 februari 1998, in behandeling te nemen en daarop te

beslissen zoals hij heeft gedaan bij besluit van

9 september 1998. De Raad zal daarom dit laatste besluit

vernietigen.

Resteert het beroep, gericht tegen gedaagdes nadere besluit

van 3 februari 1998, waarbij aan appellant alsnog

kinderbijslag is toegekend over het derde kwartaal van 1995 en

kinderbijslag is geweigerd over het eerste en tweede kwartaal

van dat jaar, thans op de grond dat appellant niet op

eenvoudig controleerbare wijze heeft aangetoond in belangrijke

mate, dat wil zeggen voor een bedrag van tenminste f 56,- per

week, te hebben bijgedragen in het onderhoud van C.

Het geschil tussen partijen betreft dit laatstgenoemde

onderdeel van het besluit.

De Raad overweegt daaromtrent het volgende.

Appellants dochter C heeft om gezondheidsredenen sedert 20

juli 1994 ruim een jaar in Suriname bij haar moeder

(appellants ex-echtgenote) en haar grootmoeder verbleven.

Terzake van zijn onderhoudsbijdrage gedurende die periode

heeft appellant gesteld

- dat hij C bij haar vertrek f 3.000,- heeft meegegeven voor

haar onderhoudskosten;

- dat hij in november 1994 via een tussenpersoon aan C moeder

een bedrag van f 6.000,- heeft doen toekomen, bestemd voor het

onderhoud van C;

- dat de kosten in verband met het regelmatige telefonische

contact met C als onderhoudsbijdragen moeten worden

aangemerkt; en

- dat de kosten van C vliegreizen van Nederland naar Suriname

v.v. ad f 2.515,15, respectievelijk f 2.238,-, eveneens als

onderhoudsbijdragen zijn te beschouwen.

Ten aanzien van de eerste twee posten overweegt de Raad, in

navolging van gedaagde en de rechtbank, dat er onvoldoende

bewijs is dat de genoemde bedragen door appellant aan de

verzorger(s) van C zijn betaald. Van de telefoonkosten staat

slechts vast dat zij betrekking hebben op gesprekken met

Suriname, waarmee deze onvoldoende identificeerbaar zijn om

aan te nemen dat zij betrekking hebben op gesprekken met of

betreffende C.

Wat betreft de reiskosten heeft gedaagde zijn standpunt als

volgt uiteengezet:

"Recht op kinderbijslag kan bestaan indien aan de gestelde

voorwaarden wordt voldaan. De onderhoudsbijdrage wordt

toegerekend aan het kwartaal waarin het is betaald. Alleen als

er een vast systeem van betalingen bestaat waaruit kan worden

afgeleid dat een deel van de bijdrage bestemd is voor een

ander kwartaal kan hiervan worden afgeweken. Ticketkosten voor

een kind dat in het buitenland woont en bij de ouders in

Nederland op vakantie komt, kunnen aan het hele jaar worden

toegerekend. Ticketkosten bij vestiging in Nederland worden

echter toegerekend aan het kwartaal waarin het kind naar

Nederland komt.

Naar de mening van de SVB is er geen sprake van een vast

systeem van betalingen waardoor de onderhoudsbijdrage niet kan

worden toegerekend aan het

4e kwartaal 1994 tot en met het 3e kwartaal 1995. De

ticketkosten van juli 1994 en augustus 1995, en de contant

geleverde bijdragen in juni 1994 en november

1994, kunnen derhalve niet als onderhoudsbijdrage voor C over

het 1e en 2e kwartaal 1994 (lees: 1995) worden aangemerkt.".

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde hiermee

onvoldoende gemotiveerd waarom de reiskosten van C slechts

kunnen worden toegerekend aan het kwartaal waarin de

betreffende uitgaven zijn gedaan. De Raad wijst erop dat in

het onderhavige geval tevoren vaststond dat het verblijf van C

in Suriname een tijdelijk karakter -van

omstreeks een jaar- zou hebben, zoals appellant op

26 oktober 1994 aan gedaagde heeft meegedeeld, zodat ook reeds

op voorhand kon worden vastgesteld dat binnen een tijdvak van

(uiteindelijk) vijf kwartalen tweemaal de kosten van een

vliegreis zouden moeten worden gemaakt, welke kosten, naar

niet wordt betwist, voor rekening van appellant zijn gekomen.

Zoals ook in de wetsuitvoering door gedaagde wordt aanvaard,

moet er ruimte zijn kosten van deze aard, die bovendien de

minimaal vereiste onderhoudsbijdrage voor een kwartaal verre

overstijgen, onder omstandigheden niet uitsluitend toe te

rekenen aan het kwartaal waarin zij zijn gemaakt. Gedaagde

heeft onvoldoende argumenten aangedragen voor zijn standpunt

dat die ruimte in het onderhavige geval niet aanwezig zou

zijn. Het besluit dient derhalve wegens strijd met artikel

3:46 van de Awb te worden vernietigd en gedaagde zal opnieuw

een besluit moeten nemen over appellants recht op

kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 1995.

Voorts is er aanleiding gedaagde in de kosten te veroordelen

als in rubriek III van deze uitspraak aangegeven.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd terzake van het hoger beroep, gericht

tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 4 februari 1998;

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in diens hoger beroep,

gericht tegen de uitspraak van de rechtbank d.d.

23 september 1997;

Vernietigt gedaagdes beslissing op bezwaar d.d. 9 september

1998;

Verklaart het beroep, gericht tegen gedaagdes besluit van

3 februari 1998 gegrond, vernietigt dat besluit voorzover het

betrekking heeft op appellants recht op kinderbijslag over het

eerste en tweede kwartaal van 1995 en bepaalt dat gedaagde te

dien aanzien een nadere beslissing zal nemen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in

verband met het beroep en het hoger beroep betreffende

gedaagdes besluit van 29 juli 1997 en in verband met het

beroep tegen het besluit van 3 februari 1998, welke kosten

worden begroot op f 1.420,- aan kosten van rechtsbijstand in

de procedure voor deze Raad;

Bepaalt dat gedaagde de door appellant betaalde griffierechten

f 50,- (in eerste aanleg) en f 160,- (in hoger beroep) aan hem

vergoedt.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en

mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in

tegenwoordigheid van mr M.F. van Moorst als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 26 mei 1999.

(get. N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

IS