Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-1999
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
97/5587 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 9, geldigheid: 1999-06-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/229 met annotatie van @annotatie:Jan C. M. Willems, Capaciteitsgroep Internationaal en Europees recht, Universiteit Maastr
RSV 1999, 235
JABW 1999, 129

Uitspraak

97/5587 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Vlissingen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr A.H.J. Neels, advocaat te Vlissingen, op

bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep

ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg

onder dagtekening 2 mei 1997 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij

wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de

Raad op 11 mei 1999, waar partijen - zoals bericht - niet zijn

verschenen.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW)

ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet

herinrichting Algemene bijstandswet in werking getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de

hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die

luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en

omstandigheden die hij op grond van de gedingstukken en het

verhandelde ter zitting als vaststaande aanneemt.

Appellant, die is geboren in 1953, is gehuwd geweest. Uit het in de

loop van 1988 door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn twee

kinderen geboren, respectievelijk in 1984 en in 1986. De kinderen

zijn aan de moeder toegewezen. Een omgangsregeling voorziet erin dat

de kinderen appellant periodiek bezoeken en dan enige dagen of

(tijdens de zomervakantie) enige weken bij hem verblijven. Tot 1

november 1995 woonde appellant, evenals zijn gewezen echtgenote met

de kinderen, in C; ingaande die datum heeft hij zich

metterwoon in de gemeente B gevestigd. Tot die datum ontving

appellant bijstand naar de norm van een alleenstaande en (als

bijzondere bijstand) een zogenoemde pleegoudervergoeding; zijn

gewezen echtgenote ontvangt bijstand naar de norm van een

één-oudergezin en ontvangt de kinderbijslag.

In verband met zijn vestiging in de gemeente B heeft

appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om verlening van

bijstand en bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van het

levensonderhoud van zijn oudste kind als het in het kader van de

omgangsregeling bij hem verblijft en in de reiskosten die dit kind

maakt als het appellant bezoekt.

Gedaagde heeft bij besluit d.d. 15 november 1995 bepaald dat

appellant met ingang van 1 november 1995 recht heeft op een

uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers naar

de norm van een alleenstaande; voor het overige werd de aanvraag

afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden

besluit d.d. 30 juli 1996 het besluit d.d. 15 november 1995

gehandhaafd. Samengevat is gedaagde op grond van de beschikbare

jurisprudentie van oordeel dat de kosten van levensonderhoud en de

reiskosten ten behoeve van het oudste kind van appellant ten laste

komen van diens gewezen echtgenote, gezien haar positie van

verzorgende ouder en het dienovereenkomstig voor haar geldende

bijstandregiem, en dat appellant met het oog op zijn aandeel met

zijn gewezen echtgenote een regeling dient te treffen; ten slotte

heeft gedaagde in aanmerking genomen dat er, gelet op een verkregen

advies van de GGD Zeeland, in de gezondheidstoestand van appellant

geen grond ligt wel aan zijn aanvraag inzake bijzondere bijstand

tegemoet te komen.

De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak ten volle met

het bestreden besluit verenigd.

De Raad volgt de rechtbank hierin.

Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren

heeft gebracht, overweegt de Raad nog het volgende.

In de eerste plaats onderschrijft de Raad de overwegingen die de

rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft besteed aan het bij en

krachtens de ABW bepaalde. Met name is ook de Raad van oordeel dat

-mede gelet op de in het dossier opgenomen jurisprudentie - de

reis- en verblijfkosten die het oudste kind van appellant in het

kader van de omgangsregeling maakt, ten laste dienen te komen van de

ouder tot wiens gezin het behoort, in dit geval: de moeder. Het

gegeven dat zij niet bereid is de betreffende kosten te dragen, kan

niet tot bijstandverlening leiden, aangezien dit een kwestie is die

de gewezen echtgenoten zelf dienen op te lossen.

Aan de kant van appellant is herhaald de stelling, dat bepaalde

voorschriften van het Verdrag inzake de rechten van het kind

(Verdrag van 20 november 1989, Trb. 1990, 170, gerectificeerd Trb.

1997, 83, voor Nederland in werking getreden op 8 maart 1995, ertoe

strekken dat gedaagde de gevraagde bijzondere bijstand behoort toe

te komen.

Van de aldus ingeroepen voorschriften acht de Raad, althans in

beginsel, artikel 9, derde lid, van bedoeld verdrag, betreffende het

recht van het kind op contact met de ouders, van belang. Gezien de

wezenlijke overeenkomst die dit artikelonderdeel vertoont met (onder

andere) het ook ingeroepen artikel 8 van het Europees Verdrag voor

de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) inzake de

eerbiediging van het privé-leven enz., kan de Raad aanvaarden dat

artikel 9, derde lid, een voorschrift is dat behoort tot de in de

artikelen 93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen die naar

inhoud een ieder kunnen verbinden. Hierbij neemt de Raad mede in

aanmerking hetgeen daaromtrent in de parlementaire behandeling van

de goedkeuringswet van het Verdrag inzake de rechten van het kind

(Kamerstukken II. 1992-1993, 22855 (R1451), nr. 3, p. 9) is

opgemerkt.

De Raad voegt hieraan toe dat, naar zijn oordeel, geen van de andere

ingeroepen bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind

- zo zij al naar inhoud een ieder verbinden - tot het door appellant

bepleite resultaat kan leiden.

De Raad zal de hier aan de orde zijnde stelling van appellant

beoordelen met inachtneming van het al genoemde artikel 8 van het

EVRM, aangezien - zoals reeds is vastgesteld - dit artikel een

wezenlijke overeenkomst vertoont met artikel 9, derde lid, van het

Verdrag inzake de rechten van het kind.

In het spoor van zijn uitspraak d.d. 12 maart 1996, JABW 1996/117,

is de Raad hier van opvatting dat de bescherming die de zojuist

genoemde artikelen bieden, niet zo ver gaat dat het

bijstandverlenend orgaan op grond daarvan verplicht zou zijn de

betrokkene financieel in staat te stellen om de uitoefening van het

recht van het kind op contact met de ouders en van het recht op

gezinsleven mogelijk te maken ten aanzien van een in een andere

gemeente wonend kind.

Derhalve verwerpt de Raad de voormelde stelling van appellant.

Het beroep dat appellant - voor het eerst in hoger beroep - heeft

gedaan op artikel 13, aanhef en onder 1, van het Europees Sociaal

Handvest (ESH), wijst de Raad af.

Hiertoe volgt de Raad zijn uitspraak d.d. 21 januari 1994, RSV 1994

nr. 192. Naar zijn oordeel gelden de overwegingen welke in die

uitspraak aan dat voorschrift zijn gewijd, hier onverkort. Dit

betekent dat de Raad ook thans van opvatting is dat artikel 13,

aanhef en onder 1, van het ESH niet behoort tot de in de artikelen

93 en 94 van de Grondwet bedoelde bepalingen die naar inhoud een

ieder kunnen verbinden.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de

aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te

geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist

als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr G.A.J. van den Hurk en mr Ch. de Vrey als leden, in

tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in

het openbaar op 22 juni 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

HL

2106