Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-1999
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
97/4127 AAW, 97/4128 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbod van de reformatio in peius, Goede procesorde, Verdedigingsbeginsel

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/182
JB 1999/122 met annotatie van R.J.N. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/4127 AAW

97/4128 AAW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997

in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale

verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen

(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige

geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de

Hout- en Meubelindustrie en Groothandel in Hout. In deze uitspraak wordt

onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Op 22 september 1995 heeft gedaagde ten aanzien van appellants aanspraken

ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) een besluit genomen met

de volgende inhoud:

"U ontvangt een aaw-uitkering berekend naar een

arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Ingaande 1 januari 1994 heeft u inkomsten uit arbeid. Dit heeft

gevolgen voor uw aaw-uitkering.

De inkomsten bedragen f 43086,00. Dit is 100% van het in

aanmerking te nemen inkomen van een geheel valide zelfstandig

timmerman (maatmanberoep) ad f 42564,00.

Derhalve resteert er geen verlies aan verdiencapaciteit.

Wij zijn van mening dat u eigenlijk minder dan 25%

arbeidsongeschikt bent.

Uitbetaling van uw aaw-uitkering

Zolang nog niet vaststaat, dat de door u verrichte arbeid leidt

tot herziening van uw mate van arbeidsongeschiktheid blijft u

ingedeeld in de klasse van 45 tot 55%, maar betalen wij u vanaf

1 januari 1994 geen aaw-uitkering omdat de aaw pas recht op

uitkering geeft bij een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer.".

Bij besluit van 17 oktober 1995 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48

van de AAW van appellant teruggevorderd een bedrag van f 11.005,85, bruto

plus overhevelingstoeslag, terzake van hetgeen op grond van die wet

onverschuldigd aan appellant was betaald.

De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 april

1997 de tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld door H. de

Vries, werkzaam bij A.V.M. juristen te Leeuwarden.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari

1999, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, en waar

gedaagde daartoe ambtshalve als partij opgeroepen, zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr A.A. Reijmerink, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren in 1943 en werkzaam als zelfstandige, heeft zich op 6 juni

1989 tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor

een uitkering krachtens de AAW in verband met zijn sedert 17 november 1988

als gevolg van een hartinfarct bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

Naar aanleiding van dat verzoek heeft gedaagde appellant met ingang van 16

november 1989 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW,

berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Met ingang van

1 juni 1991 is appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Bij het bestreden besluit van 22 september 1995 heeft gedaagde, in verband

met inkomsten uit arbeid die appellant sedert 1 januari 1994 geniet, besloten

appellant met ingang van 1 januari 1994 ongewijzigd voor 45 tot 55%

arbeidsongeschikt te beschouwen, maar de uitkering met ingang van

laatstgenoemde datum onder toepassing van artikel 33 van de AAW niet uit te

betalen, omdat gedaagde van mening is dat appellant met ingang van 1 januari

1994 fictief inder dan 25% arbeidsongeschikt is en de AAW pas recht op

uitkering geeft bij een arbeidsongeschiktheid van 25% of meer.

Gedaagde heeft de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid bij de

voorbereiding van het bestreden besluit vastgesteld door het op grond van

zijn inkomsten in de jaren 1992 en 1993 berekende maatmaninkomen te

vergelijken met de volgens gedaagde door appellant in 1994 gemaakte bedrijfswinst.

Appellant heeft in eerste aanleg de juistheid van het aan dit bestreden

besluit ten grondslag liggend standpunt van gedaagde betwist. Daartoe heeft

hij onder meer aangevoerd dat gedaagde bij het vaststellen van de inkomsten

van appellant over het kalenderjaar 1994 ad f 43.086,- ten onrechte geen

rekening heeft gehouden met de arbeidsbeloning van zijn, in zijn bedrijf

meewerkende, echtgenote ad f 11.850,-. Volgens appellant bedraagt de aan hem

toe te schrijven fiscale winst f 31.675,-. Voorts heeft appellant betoogd dat

gedaagde van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan. Naar het oordeel van

appellant dient een vergelijking tussen het juiste maatmaninkomen en de

juiste omvang van appellants inkomsten uit arbeid te leiden tot indeling van

appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

Naar aanleiding van deze stelling van appellant heeft gedaagde tijdens de

gedingvoering in eerste aanleg de berekening van de mate van appellants

arbeidsongeschiktheid opnieuw bezien. Daarbij is gedaagde tot de conclusie

gekomen dat het bij de voorbereiding van het bestreden besluit in aanmerking

genomen maatmaninkomen (f 42.564,-) ten onrechte is gebaseerd op de inkomsten

in 1992 en 1993, in welke jaren de arbeidsongeschiktheid van appellant reeds

was ingetreden. Hantering van het - met in achtneming van 's Raads uitspraak

van 17 augustus 1993, RSV 1993/298, berekende - maatmaninkomen leidt ertoe

dat dit volgens gedaagde gesteld dient te worden op f 31.352,-. Voorts erkent

gedaagde dat de aan appellant toe te rekenen bedrijfswinstwinst f 31.675,- bedraagt.

Een en ander leidt in de gedachtegang van gedaagde echter niet tot

een ander resultaat dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is

neergelegd. Een vergelijking van het juiste maatmaninkomen met de aan

appellant toe te rekenen inkomsten uit arbeid moet er volgens gedaagde toe

leiden dat appellant theoretisch onveranderd voor minder dan 25%

arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Appellant betwist op zichzelf niet zozeer dat, indien het juiste

maatmaninkomen in aanmerking wordt genomen alsmede de juiste omvang van

appellants inkomsten uit arbeid, hij fictief voor minder dan 25%

arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Hij kan zich er echter niet mee

vere-nigen dat gedaagde hangende de gedingvoering alsnog mede op grond van

een berekening, gebaseerd op het juiste - lagere - maatmaninkomen het

bestreden besluit handhaaft. Appellant acht dit in strijd met het beginsel

dat een belanghebbende door het instellen van een beroepsprocedure niet in

een nadeliger positie mag worden gebracht dan wanneer hij die procedure niet

zou hebben aangespannen (het verbod van de reformatio in peius).

De rechtbank heeft hetgeen door appellant dienaangaande is betoogd verworpen.

Zij was van oordeel dat, nu het door gedaagde in de beroepsprocedure

gewijzigde standpunt niet tot een voor appellant minder gunstige uitkomst

heeft geleid dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is

neergelegd, niet gezegd kan worden dat appellant in een nadeliger positie is

gekomen dan waarin hij verkeerde voordat hij het beroep aanhangig maakte.

Aldus achtte de rechtbank geen strijd met het genoemde beginsel aanwezig.

Partijen verschillen van mening over de juistheid van dit oordeel van de rechtbank.

Dienaangaand overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat gedaagde in de onderhavige beroepsprocedure de

juistheid van het resultaat van de in geding zijnde besluitvorming kon en

mocht aantonen door alsnog het juiste maatmaninkomen van appellant af te

zetten tegen de juiste omvang van appellants inkomen uit arbeid, leidend tot

geen ander resultaat dan in het bestreden besluit van 22 september 1995 is

neergelegd. Reeds gezien het zojuist overwogene is de Raad is van oordeel dat

het door appellant genoemde beginsel niet is geschonden.

De Raad overweegt voorts dat niettemin beginselen van een goede procesorde,

waaronder in het bijzonder het verdedigingsbeginsel, in de weg kunnen staan

aan het accepteren door de rechter van een nieuwe berekening van de mate van

de arbeidsongeschiktheid van een verzekerde als door gedaagde tijdens de

gedingvoering in eerste aanleg in appellants geval is gemaakt.

De door gedaagde bij nader inzien voorgestane berekeningswijze van de mate

van appellants arbeidsongeschiktheid is evenwel in het verweerschrift in

eerste aanleg uiteengezet. Dit is derhalve gebeurd in een zodanig stadium van

de gedingvoering dat geenszins staande gehouden kan worden dat gedaagde

daardoor in zijn processuele belangen is geschaad.

Gelet op het voorgaande kunnen appellants grieven in hoger beroep, voorzover

betrekking hebbend op het bestreden besluit van 22 september 1995 niet slagen.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend

op het bestreden besluit van 17 oktober 1995 geen andere grieven naar voren

gebracht dan die welke hij heeft gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor

zover betrekking hebbend op het bestreden besluit van 22 september 1995.

Blijkens het vorenoverwogene verwerpt de Raad die grieven.

Derhalve treft hetgeen appellant met betrekking tot het laatstgenoemd besluit

naar voren heeft gebracht evenmin doel.

De aangevallen uitspraak komt gezien het vorenoverwogene voor bevestiging in

aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van

Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W.

van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB