Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-1999
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
98/8576 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 13
Algemene bijstandswet 13
Algemene bijstandswet 3
Algemene bijstandswet 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 170
JABW 1999, 92
USZ 1999/169 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/8576 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente

Rotterdam, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger

beroep gekomen van een door de president van de

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 12

november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar

hierbij wordt verwezen. Appellant heeft daarbij verzocht om

versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr L.J. van Rooijen, advocaat te

Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is gevoegd behandeld met het geding,

nr 98/7798 NABW, ter zitting van de Raad op 23 februari 1999.

Aldaar is voor appellant verschenen mr E. van Lunteren,

werkzaam bij de gemeente Rotterdam, terwijl gedaagde in persoon

is verschenen, bijgestaan door mr Van Rooijen, voornoemd. Na de

gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en wordt

in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en

omstandigheden.

Nadat gedaagde door haar echtgenoot C (hierna: C) was verlaten,

is haar met ingang van 25 april 1983 een uitkering ingevolge de

Algemene Bijstandswet toegekend naar de norm voor een

éénoudergezin. Sedert 1 december 1996 ontvangt zij een

uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Gedaagde en C zijn niet wettig gescheiden.

Naar aanleiding van een anonieme tip is onderzoek gedaan door

de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken

en Werkgelegenheid naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde

toegekende bijstandsuitkering. Uit de in een voorlopige

rapportage neergelegde resultaten van dit onderzoek heeft

appellant afgeleid dat gedaagde met C een gezamenlijke

huishouding voert.

Vervolgens heeft appellant bij primair besluit van

23 september 1997 de bijstandsuitkering van gedaagde met ingang

van 1 oktober 1997 beëindigd.

Nadat gedaagde bezwaar had gemaakt, heeft appellant bij het

bestreden besluit van 21 juli 1998 de bezwaren ongegrond

verklaard. Appellant is van oordeel dat gedaagde en C niet

duurzaam gescheiden leven, zodat zij voor de toepassing van de

Abw als een gezin in de zin van artikel 4, aanhef en onder c,

dienen te worden gezien. Appellant is voorts van oordeel dat C

kan beschikken over de middelen om in de noodzakelijke kosten

van het bestaan van zijn gezin te voorzien.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de

rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep

gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat

appellant een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van

gedaagde. Tevens heeft de president het door gedaagde

ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die

zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot en met zes

weken na de verzending van de beslissing op bezwaar van appellant.

Aan de aangevallen uitspraak (waar voor verzoekster en

verweerder dient te worden gelezen: gedaagde en appellant)

wordt het volgende ontleend:

"In beroep heeft verzoekster opnieuw aangevoerd dat C zijn

hoofdverblijf heeft in de woning van zijn vader. Het feit dat C

geregeld te vinden is bij en ook in de woning van verzoekster,

impliceert naar haar mening nog niet dat zij een gezamenlijke

huishouding voeren.

Naar het oordeel van de president heeft verweerder onvoldoende

aannemelijk gemaakt dat C op

1 oktober 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van

verzoekster. Aan verweerder kan worden toegegeven dat op basis

van de gedingstukken, waaronder de onderzoeksrapportage van de

dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 november 1997,

twijfel gerechtvaardigd is over de vraag waar C zijn

hoofdverblijf had dan wel heeft. Het ligt echter op de weg van

verweerder terzake genoegzame feiten en omstandigheden aan te

voeren, hetgeen tot dusverre niet is geschied. In dat verband

acht de president nader onderzoek, met name met betrekking tot

de situatie op het adres van de vader van C, onontbeerlijk."

Appellant heeft in hoger beroep voormeld oordeel bestreden.

De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het

bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij beantwoordt

die vraag anders dan de president van de rechtbank bevestigend

en overweegt daartoe als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen is gedaagde gehuwd met C. Ingevolge

artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw vormen zij een gezin.

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder b (tekst tot

1 januari 1998), van de Abw wordt als ongehuwde (mede)

aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon

met wie hij gehuwd is.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de

Abw (TK, vergaderjaar 1991-1992, 22 545, nr. 3,

p. 106) blijkt dat van duurzaam gescheiden levende echtgenoten

eerst sprake is indien het een door beide betrokkenen, of een

van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving

betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als

ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten

minste een van hen als bestendig is bedoeld.

Met betrekking tot de vraag of in geval van gedaagde en C

sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten,

overweegt de Raad het volgende.

Blijkens het bestreden besluit heeft appellant zijn

oordeel doen steunen op de resultaten van het door de Afdeling

Bijzondere Onderzoeken verrichte onderzoek. De bevindingen

daarvan zijn neergelegd in de onderzoeksrapportage van

7 november 1997 van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid

en bestaan onder meer uit door gedaagde en C afgelegde

verklaringen, verklaringen van enige getuigen, informatie van

de afdeling bijzondere wetten van de gemeente Rotterdam,

onderzoek in de woning van gedaagde, door C gevoerde

correspondentie met gemeentelijke instanties enz. Aan die

verklaringen van gedaagde en C wordt het volgende ontleend.

Gedaagde heeft verklaard:

"Zij hadden vanaf het begin van het huwelijk een soort

knipperlichtrelatie, waardoor Jan regelmatig wegging en weer

terugkwam. Zo is de relatie nog steeds zegt zij. Zij heeft in

al die jaren wel voor hem gewassen. Zij kookt voor hem en hij

blijft bij haar slapen. Zij houdt nog steeds van hem.".

C heeft verklaard:

"De kinderen weten niet dat hun vader en moeder

huwelijksproblemen hebben, verklaart Jan. Nu zien zij hem elke

dag en vroeger als zij hem niet zoveel zagen, dachten de kinderen

dat hij voor een beveiligingsdienst werkte. Wel hebben zij gezien dat hij en

zijn vrouw soms ruzie hadden en hij bij opa ging slapen of in de auto.

(...)

Niemand van de familie van zijn vrouw of van hem,

weet dat zij uit elkaar zijn. Ook zijn vader niet,

zegt Jan, Jan verzint elke keer een andere smoes om

aan zijn vader te verkopen dat hij bij hem slaapt.

Zijn vrouw en hij hebben tegenover iedereen de

schijn opgehouden dat zij een gezin vormen."

Naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde ter zitting

is aangevoerd merkt de Raad op geen aanknopingspunten te

hebben gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze

door gedaagde respectievelijk door C tegenover de sociale

recherche afgelegde verklaringen.

Op grond van deze verklaringen, in samenhang bezien met

de overige onderzoeksresultaten, is de Raad van oordeel

dat met betrekking tot gedaagde en C niet gesproken kan

worden van een door beiden, of een van hen, gewilde verbreking

van de echtelijke samenleving, waardoor ieder

afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet

gehuwd met de ander en deze toestand door ten minste een

van hen als bestendig is bedoeld. Derhalve is in geval

van gedaagde en C geen sprake van duurzaam gescheiden

levende echtgenoten, zodat zij ingevolge het bepaalde in

artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw, beschouwd dienen

te worden als een gezin.

In het geding nr 98/7798 NABW is bij uitspraak van heden

door de Raad vastgesteld dat C zelfstandig ondernemer is

en dat hij op grond daarvan slechts in aanmerking kan

komen voor algemene bijstand in de noodzakelijke kosten

van het bestaan op grond van artikel 8 van de Abw en het

daarop berustende Besluit bijstandsverlening

zelfstandigen (Bz). Zijn uitkering welke niet met toepassing

van deze regeling voor zelfstandigen was verleend,

is naar het oordeel van de Raad terecht beëindigd.

Gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de

Abw brengt het vorenstaande mee dat ook ten aanzien van

gedaagde terecht met ingang van 1 september 1997 de

bijstandsuitkering is beëindigd. Hieruit volgt dat de aangevallen

uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing

te geven aan artikel 8:75 van de Awb, zodat beslist dient te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr Ch. de Vrey en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid

van A.M.T. Janmaat als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 1999.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.M.T. Janmaat.

HL

904