Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:BJ5931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-1999
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
97/11730 AW + 97/11820 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuist gedrag bij ziekte en ziekmelding; onreglementair verlof en afwezigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/11730 AW en 97/11820 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amersfoort, appellant tevens gedaagde, (hierna: het College),

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], gedaagde tevens appellant, (hierna: betrokkene).

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Het College en betrokkene hebben beiden op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht op 7 november 1997 onder nummer 96/3158 AW tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens beide partijen is van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 april 1999, waar het College zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.P.F. van Duren, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te 's-Hertogenbosch. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr C.J.M. Fens, werkzaam bij de Nederlandse Onafhankelijke Vakbond voor de Overheids- en Non-profitsector NOVON te Amersfoort.

II. MOTIVERING

De Raad verwijst voor een meer uitvoerige weergave van de van belang zijnde feiten naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende samenvatting.

Het College heeft bij besluit op bezwaar van 14 oktober 1996 zijn besluit van 11 juni 1996 waarbij aan betrokkene de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag is opgelegd vanwege zeer ernstig plichtsverzuim gehandhaafd, met dien verstande dat de ingangsdatum van het ontslag is bepaald op 15 juni 1996.

De Arrondissmentsrechtbank te Utrecht heeft het beroep van betrokkene tegen dat besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe in hoofdzaak overwogen dat het College weliswaar bevoegd was tot het opleggen van de straf van ongevraagd ontslag, maar dat de opgelegde straf onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Het College heeft in hoger beroep betwist dat de opgelegde straf onevenredig is. Er was geen sprake van een arbeidsconflict dat een factor zou dienen te vormen bij de beoordeling van de ernst van het plichtsverzuim en evenmin was er sprake van dat betrokkene overigens zonder aanmerkingen functioneerde. Bestreden is voorts dat de bedrijfsarts onduidelijk zou zijn opgetreden. De rechtbank heeft volgens het College onvoldoende betekenis toegekend aan het feit dat sprake was van doorgaand gedrag. Het College heeft gevorderd de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep ongegrond te verklaren.

Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat hij zich op 25 september 1995 in het geheel niet aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Betrokkene heeft zich op die dag ziekgemeld en heeft op 25 september 1995 niet anders gehandeld dan bij eerdere ziekmeldingen. Het College heeft niet onderbouwd dat betrokkene feitelijk niet ziek was. Daarom staat niet vast dat hij ongeoorloofd afwezig was, zodat het plichtsverzuim niet vaststaat. Na 25 september 1995 is aan betrokkene niet meer gezegd dat hij het werk zou moeten hervatten, zodat evenmin vaststaat dat hem na 25 september 1995 plichtsverzuim valt te verwijten. Namens betrokkene is gevorderd de uitspraak te vernietigen voor zover aangevochten.

De Raad overweegt het volgende.

Gelet op de aangevallen uitspraak en de standpunten van beide partijen dient de Raad in hoger beroep de vraag te beantwoorden of de gedragingen die door het College aan betrokkene worden verweten terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim, en zo ja, of dat plichtsverzuim aan betrokkene verwijtbaar is. Indien ook die vraag bevestigend kan worden beantwoord en daarmee de strafbevoegdheid vaststaat, resteert de vraag of er onevenredigheid bestaat tussen het begane plichtsverzuim en de opgelegde straf.

De Raad stelt vast dat betrokkene heeft erkend dat hij bij het opnemen van verlof bij vijf gelegenheden in augustus 1995 niet heeft gehandeld conform de afspraken en voorschriften. Dat in zoverre sprake is van plichtsverzuim is tussen partijen niet in geschil. Deze gedragingen heeft het College derhalve terecht aan de strafoplegging ten grondslag gelegd.

Daarnaast is de Raad met het College van oordeel dat betrokkene vanaf 25 september 1995 wel ongeloorloofd afwezig is geweest en dat zijn afwezigheid niet werd gelegitimeerd door ziekte. Aan betrokkene was immers bij het bezoek aan de bedrijfsarts op 20 september 1995 onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat hij met ingang van 25 september 1995 hersteld werd geacht en dat, anders dan voorgaande keren, een nieuwe ziekmelding niet zou worden geaccepteerd. Weliswaar valt in het algemeen niet uit te sluiten dat een hersteldverklaring tegen een toekomstige datum wordt doorkruist door opnieuw ingetreden ziekte of verslechtering van de gezondheidssituatie, doch betrokkene heeft kunnen en moeten beseffen dat hij in zijn geval, na de uitdrukkelijke aanzegging op 20 september van de bedrijfsarts en de brief van het College van diezelfde datum omtrent de overtreding van de regels door betrokkene, niet kon volstaan met een eenvoudige telefonische ziekmelding bij zijn werkgever, doch dat hij de hersteldverklaring door de bedrijfsarts overeenkomstig artikel 7.14.9. van de Arbeidsvoorwaarenregeling gemeente Amersfoort (Arga) diende aan te vechten. Betrokkenes stelling dat zulks niet mogelijk was omdat artikel 7.14.9, eerste lid, van de Arga, melding van de bedenkingen eist binnen 3 x 24 uur wijst de Raad van de hand.

Voorzover betrokkene desondanks zijn situatie op en na 25 september 1995 onduidelijk achtte en nog hoopte dat zijn ziekmelding misschien toch was geaccepteerd, dan was het voor betrokkene in ieder geval na de brief van 9 oktober 1995 glashelder dat het College uitging van ongeoorloofde afwezigheid. In de brief van 9 oktober 1995 wordt immers uitdrukkelijk vastgesteld dat betrokkene ongeoorloofd afwezig is en dat in verband daarmee was besloten de bezoldiging in te houden. Betrokkene heeft, ondanks vermelding van de bezwaarclausule, tegen dat besluit (en de daaraan ten grondslag gelegde constatering van ongeoorloofde afwezigheid) geen rechtsmiddelen aangewend.

Met het College is de Raad voorts van oordeel dat ongeoorloofde afwezigheid gedurende een langere periode aangemerkt dient te worden als zeer ernstig plichtsverzuim.

De Raad neemt bij zijn oordeel tevens in aanmerking dat niet gebleken is dat betrokkene sedert 25 september 1995, hetzij bij de bedrijfsarts, hetzij bij het College, enig gegeven heeft aangedragen dat zijn stelling dat hij wel ziek was op en na 25 september 1995 ondersteunt.

Aan vorenstaand oordeel doet niet af dat betrokkene in verband met zijn niet hervatten op 25 september 1995 nog door de bedrijfsarts is opgeroepen voor het spreekuur van 16 oktober 1995 en dat er nadien nog contacten met de bedrijfsarts zijn geweest. Dienaangaande heeft de bedrijfsarts verklaard dat hij bij die gelegenheden steeds aan betrokkene te verstaan heeft gegeven dat hij als arbeidsgeschikt werd beschouwd, tenzij de aangevraagde expertise aanleiding zou geven tot herziening van dat oordeel.

De Raad stelt voorts vast dat de uitkomst van het psychiatrisch onderzoek dat het College heeft doen instellen naar de vraag of het plichtsverzuim aan betrokkene volledig kan worden toegerekend, niet wordt betwist.

Aangezien de Raad voorts het standpunt van het College onderschrijft dat er sprake is van doorgaand gedrag, zowel op het punt van het op onjuiste wijze verlof opnemen als op het punt van het overtreden van de regels omtrent ziekmelding en werkhervatting en in aanmerking genomen de ernst van het hiervoor besproken plichtsverzuim, is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de opgelegde straf van ongevraagd ontslag onevenredig is aan de ernst van het begane plichtsverzuim.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van het College slaagt en dat de aangevallen uitspaak niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Het betekent tevens dat het hoger beroep van betrokkene geen doel treft.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep van betrokkene alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. Madunic.

HD