Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:BA9707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-1999
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
96/11023 AAWAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van de kosten voor de deskundige in beroep.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/11023 AAWAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.

In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en vrije beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 21 december 1992 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1993 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van gedaagde per die datum moet worden gesteld op 45 tot 55%.

De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft (voor zover hier van belang) het tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 29 oktober 1996 gegrond verklaard, voormeld besluit vernietigd en (thans) appellant veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van (thans) gedaagde tot een bedrag van f 6.270,--.

Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 november 1999, waar partijen (appellant na voorafgaand schriftelijk bericht) niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Het hoger beroep richt zich blijkens het aanvullend beroepschrift uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant de -volledige- declaraties ter hoogte van f 4.850,--, van de in eerste aanleg door gedaagde geraadpleegde deskundige, de neuroloog-psychiater H. Herngreen, dient te vergoeden.

De Raad overweegt het volgende.

Op grond van artikel I, lid 7, van de overgangs- en slotbepalingen eerste en tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is artikel 8:75 van de Awb in de voorliggende zaak van toepassing.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in het kader van een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb met betrekking tot de gemaakte kosten van de door een partij geraadpleegde deskundige, te worden uitgegaan van een (maximale) uurvergoeding van f 116,60, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onderdeel IV van het Besluit tarieven in strafzaken.

Derhalve is naar het oordeel van de Raad ter vaststelling van het bedrag dat appellant aan gedaagde dient te vergoeden in verband met de door gedaagde in eerste aanleg geraadpleegde deskundige(n), van belang te weten hoeveel uur deze deskundige(n) aan zijn onderzoek heeft/hebben besteed.

In het aanvullend beroepschrift van appellant is met betrekking tot de declaraties van de deskundige H. Herngreen, onder andere het volgende vermeld:

"In de procedure in eerste aanleg heeft [gedaagde] drie nota's overgelegd. Twee daarvan zijn gedateerd op 30 maart 1995 en lijken betrekking te hebben op dezelfde verrichtingen, de derde is gedateerd op 13 juni 1995. Uit deze drie nota's kan niet worden opgemaakt welk (uur)tarief de heer Herngreen hanteert noch hoeveel uren de heer Herngreen aan het onderzoek heeft besteed. Ook blijkt onvoldoende op welke verrichtingen de nota's betrekking hebben."

De Raad heeft gedaagde schriftelijk verzocht om op met name voormeld gedeelte van het aanvullend beroepschrift te reageren.

In een brief van 6 september 1999 heeft mr P.G.A. Aarts, als gemachtigde van gedaagde, de volgende reactie gegeven:

"De twee op 30 maart 1995 gedateerde nota's hebben inderdaad betrekking op dezelfde verrichtingen.De nota van f 1.500,-- is bestemd voor de aansprakelijke verzekeraar Univé, terwijl de nota van f 3.200,-- betrekking heeft op de rapportage van Herngreen en de door hem ingeschakelde neuropsychologe Van der Scheer ten bedrage van respectievelijk f 2.000,-- en f 1.200,--."

De Raad merkt hierbij op dat namens gedaagde aldus geen volledig antwoord is gegeven op de gestelde vragen en met name niet is aangegeven hoeveel uur het onderzoek van de deskundige H. Herngreen heeft beslagen, noch welk uurtarief deze deskundige heeft gehanteerd, een gegeven met behulp waarvan -gelet op de overige beschikbare gegevens- het aantal gewerkte uren berekend kan worden. Ook merkt de Raad nog op dat gedaagde niet ter zitting van de Raad is verschenen en aldus geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het geven van een mondelinge toelichting.

Op grond het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is gesteld of gebleken hoeveel uur de door gedaagde geraadpleegde deskundige H. Herngreen aan zijn onderzoek heeft besteed.

Nu appellant hieromtrent expliciet een grief naar voren heeft gebracht en gedaagde, na daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld, de benodigde informatie niet heeft verstrekt, is de Raad van oordeel dat er geen termen aanwezig zijn om hier nader onderzoek naar te doen en is de Raad van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens geen uitspraak kan worden gedaan over de hoogte van de door appellant te vergoeden kosten met betrekking tot de door gedaagde ingeschakelde deskundige H. Herngreen.

Gelet op het vorenstaande is de Raad dan ook van oordeel dat onvoldoende grondslag bestaat voor het in de aangevallen uitspraak vermelde oordeel van de rechtbank, dat de declaraties ad f 4.850,-- van dr Herngreen voor vergoeding door (thans) appellant in aanmerking komen, en is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover deze is aangevochten, te weten voor zover de rechtbank daarbij heeft geoordeeld dat appellant aan gedaagde f 4.850,-- ter zake van de declaraties van dr Herngreen dient te vergoeden.

Ter voorlichting van partijen merkt de Raad hierbij op dat voormelde gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak tot gevolg heeft dat het dictum van de aangevallen uitspraak slechts in die zin wordt gewijzigd dat waar is vermeld "het bedrag van f 6.270,--" moet worden gelezen: "het bedrag van f 1.420,--".

De Raad acht thans geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter, mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 1999.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

JdB

1712