Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AE8650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
10-10-2002
Zaaknummer
97/6151 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/6151 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 12 juni 1997 onder nummer AWB 96/5807 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr R.N.T.J. Adriaans, juridisch stafmedewerker van de gemeente Zwolle en waar gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad verwijst voor een uitvoerige weergave van de relevante feiten naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende samenvatting.

Gedaagde, die full-time werkzaam was bij appellant als [functie] heeft van 1 januari tot 1 juli 1995 in het kader van het hem verleende ouderschapsverlof voor 50% gewerkt met doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging. Per 1 september 1995 is de aanstelling van gedaagde op zijn verzoek teruggebracht tot een deeltijdaanstelling van 19 uur per week. Op grond van artikel 6, derde lid, van de destijds geldende Verordening betaald ouderschapsverlof (hierna: Verordening) diende gedaagde daarom de bezoldiging die hij tijdens het ouderschapsverlof had genoten over de uren waarmee zijn aanstelling werd verminderd, terug te betalen.

Het verzoek van gedaagde om die terugbetalingsverplichting te verminderen tot een derde gedeelte, omdat hij niet aansluitend maar pas twee maanden na afloop van het ouderschapsverlof in deeltijd is gaan werken, heeft appellant afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat de met gedaagde getroffen regeling niets met ouderschapsverlof van doen had. Appellant wist dat gedaagde van de regeling gebruik maakte in verband met de ziekte van zijn vader, om diens bedrijf gaande te houden. Daarom kon volgens de rechtbank de Verordening niet de grondslag vormen voor de weigering van appellant om de terugbetalingsverplichting te beperken.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de destijds toepasselijke Verordening hem niet de mogelijkheid bood om het betaald ouderschapsverlof te weigeren als de aanvrager voor een andere tijdsinvulling koos maar overigens aan de voorwaarden voldeed. Aangevoerd is voorts dat niet in geding is dat de regeling inzake betaald ouderschapsverlof van toepassing is en dat er een terugbetalingsverplichting is; in geschil is slechts de omvang van de terugbetalingsverplichting. Appellant heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het primaire beroep alsnog ongegrond te verklaren.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat ten tijde van belang van toepassing was de Verordening betaald ouderschapsverlof, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Zwolle op 3 december 1991.

Met appellant en om de redenen als door appellant vermeld is de Raad van oordeel dat het verzoek van gedaagde om zijn terugbetalingsverplichting op grond van artikel 6 van de Verordening te beperken, ondanks de andere bedoeling met en invulling van het verlof, terecht bezien is in het kader van die Verordening. Het hoger beroep treft in zoverre doel.

De Raad moet dan vervolgens beoordelen of appellant op goede gronden aan gedaagde een volledige terugbetalingsverplichting heeft opgelegd.

Gedaagde heeft aangevoerd dat hij aanvankelijk had verzocht om aansluitend aan het ouderschapsverlof in deeltijd te gaan werken, maar dat hij op verzoek van zijn afdelingshoofd de ingangsdatum van zijn deeltijdaanstelling twee maanden heeft opgeschoven. Een verdere opschuiving achtte gedaagde in verband met de gezondheidstoestand van zijn vader niet mogelijk. Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 6 van de Verordening waarin is bepaald dat korting mogelijk is wanneer het beperkte dienstverband binnen drie maanden na afloop van het verlof ingaat, acht gedaagde een vermindering van de terugbetalingsverplichting tot een derde gedeelte daarom billijk. Voorts is aangevoerd dat als gedaagde 80 uren vakantie had opgenomen in september, er in het geheel geen terugbetalingsverplichting was geweest. Daar heeft echter niemand tijdig aan gedacht.

De Raad stelt vast dat in artikel 6, derde lid, van de Verordening een imperatieve (volledige) terugbetalingsverplichting van de bezoldiging over de uren waarmee de aanstelling is verminderd is neergelegd en dat gedaagde zich daarmee vóór het ingaan van het ouderschapsverlof akkoord heeft verklaard. Gegeven de duidelijke tekst van dit artikel kan de minder imperatief geformuleerde toelichting daaraan niet afdoen.

In artikel 7 van de Verordening is echter een hardheidsclausule opgenomen, zodat de vraag beantwoord dient te worden of er sprake is van een bijzonder geval, op grond waarvan appellant bevoegd is ten behoeve van gedaagde een bijzondere regeling te treffen.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Voorop staat dat gedaagde een tevoren gewaarschuwd man was, zodat het gegeven dat de gezondheidstoestand van zijn vader een verdere opschuiving van de deeltijdaanstelling niet toeliet, geen gewicht in de schaal kan leggen. Gedaagde nam het risico van de terugbetalingsverplichting toen hij, ondanks de onzekerheid of volledige werkhervatting mogelijk was, toch koos voor betaald ouderschapsverlof. De omstandigheid dat gedaagde op verzoek van zijn diensthoofd akkoord is gegaan met deeltijdaanstelling per 1 september 1995 in plaats van de aanvankelijk beoogde ingangsdatum 1 juli 1995 -in verband waarmee hij dan ook over de maanden juli en augustus zijn volledige bezoldiging heeft ontvangen- noch de omstandigheid dat gedaagde achteraf bezien in de maand september vakantie had kunnen opnemen betekent dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan appellant gehouden is tot het toepassen van de hardheidsclausule.

Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A. Bach Kolling.

HD

15.11