Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8787

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-1999
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
96/11087 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/11087 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging.

In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 28 oktober 1994 heeft appellant de uit-keringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was.

De arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uit-spraak van 4 november 1996 het namens gedaagde instelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Op de gronden, uiteengezet in het hoger beroepschrift van 13 februari 1997 is de Raad verzocht de uitspraak waarvan beroep te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Namens gedaagde heeft mr F.J. Pickkers, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend, gedateerd

13 augustus 1997.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 3 februari 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr L. Bosma, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde is verschenen

bij mr F.J. Pickkers en haar echtgenoot C.

II. MOTIVERING

Gedaagde, geboren in 1962, was laatstelijk werkzaam als mangelster.

Op 19 september 1983 is zij uitgevallen ten gevolge van rugklachten in verband waarmee appellant haar gedurende de maximale periode uitkering ingevolge de Ziektewet heeft toegekend. Nadien zijn daar nog heupklachten bijgekomen.

In aansluiting op de uitkering ingevolge de Ziektewet heeft appellant aan gedaagde met ingang van 28 juli 1984 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%.

Ter uitvoering van de Wet Terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is de arbeidsongeschiktheid van gedaagde herbeoordeeld.

Bij het hieruit voortvloeiende bestreden besluit van

28 oktober 1994 zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van gedaagde met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken.

Dit besluit steunt op een beoordeling volgens welke gedaagde op deze datum gelet op haar medische beperkingen geschikt is de door een arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

Met deze werkzaamheden zou gedaagde een zodanig inkomen kunnen verdienen dat er per 1 januari 1995 geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit.

De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak het beroep tegen voormeld besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat er op de datum in geding,

1 januari 1995, nog sprake was van volledige arbeids-ongeschiktheid.

De rechtbank overwoog als volgt:

"Wat betreft de vervoersvoorziening deelt de rechtbank verweerders standpunt evenwel niet. Het verzorgen van vervoer van en naar de werkplek kan niet van de werkgever gevergd worden en een dergelijke voorziening kan voorts, anders dan verweerder stelt, niet ingevolge de WAGW worden verkregen. Wel zou eiseres ten behoeve van dit woon/werk vervoer wel-licht in aanmerking kunnen komen voor een vervoers-voorziening ingevolge artikel 57 eerste lid, AAW.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder evenwel vóór of gelijktijdig met het nemen van de bestreden beschikking, aan eiseres een schriftelijke garantie moeten geven dat zij voor een dergelijke voorziening in aanmerking gebracht zou worden zodra zij werk gevonden had aangezien zij eerst daardoor in staat werd gesteld op een mogelijke vakature te solliciteren. Dit heeft verweerder niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voren-staande dat eiseres, op het moment dat de bestreden beschikking genomen werd, nu voor het vervoersprobleem geen oplossing werd geboden, niet in staat kon worden geacht van en naar de werkplek te komen en mitsdien niet in staat kon worden geacht de geduide functies te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank was op het in geding zijnde tijdstip mits-dien nog sprake van volledige arbeidsongeschiktheid.".

Appellant is in hoger beroep gekomen. Aan het aanvullend beroepschrift van 13 februari 1997 wordt het navolgende ontleend:

"De Rechtbank is van mening, dat artikel 2 onder c van het Schattingsbesluit in de weg staat aan de schatting van mevrouw A. In artikel 2 onder c van het Schattingsbesluit (Besluit van 5 augustus 1994, Stb. 596) staat vermeld, dat arbeid die door betrokkene alleen kan worden verricht na toepassing van zodanige voorzieningen, dat het accepteren van die toepassing in redelijkheid niet van een werk-gever kan worden verlangd, buiten beschouwing blijft bij de schatting. Ondergetekende is echter van mening, dat dit artikellid niet aan de schatting in de weg staat.

In het onderhavige geval is mevrouw A aangewezen op een voorziening voor woon/werkverkeer. Deze voorziening hoeft niet door de werkgever getroffen te worden en de toepassing van deze voorziening gaat buiten de werkgever om. In dit verband wil onderge-tekende ter zijde opmerken, dat de opmerking namens ondergetekende betreffende het aanvragen door de werkgever van een WAGW-voorziening op een misvatting berust.

Mevrouw A zal dan ook zelf de benodigde voor-zieningen dienen te treffen.

Om deze reden kan deze voorziening niet op één lijn worden gesteld met de door de werkgever te treffen voorzieningen. In dit verband willen wij verwijzen naar de uitspraken van uw Raad d.d. 3 augustus 1994, AAW/WAO 1993/9, gepubliceerd in RSV 1995/7 en d.d. 31 oktober 1995, 94/1996 AAW/WAO, welke niet is gepubliceerd.

Mevrouw A kan de benodigde voorziening op grond van het gestelde in artikel 57, lid 1 AAW aanvragen. Ingevolge het gestelde in artikel 12 van het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking (Besluit van 1 maart 1994, Stb. 150) is ondergetekende gehouden -indien mevrouw A aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet- aan haar de benodigde vervoersvoorziening toe te kennen.

Op grond van het vorenstaande is ondergetekende dan ook van mening, dat het feit, dat de gevraagde voorziening nog niet getroffen is dan wel dat er geen schriftelijke garantie tot verstrekking is, niet in de weg hoeft te staan aan het effectueren van de schatting.".

Namens gedaagde is in verweer onder meer naar voren gebracht dat zij zich nog steeds volledig arbeidsonge-schikt acht.

Voorts is opgemerkt dat de noodzaak voor aangepast woon/

werkverkeer bij het duiden van de functies niet met gedaagde is besproken, zodat gedaagde "bij het mogelij-kerwijs selecteren van geschikte vacatures nimmer met deze voorwaarde heeft hoeven rekenen". Reeds om die reden is gedaagde van oordeel dat bij gebreke van een onjuiste feitelijke grondslag het bestreden besluit niet in stand blijven.

In dit geding staat gelet op de gronden van het hoger beroep in de eerste plaats de vraag centraal of bij het nemen van een schattingsbesluit als het onderhavige reeds met een vervoersvoorziening voor woon/werkverkeer reke-ning gehouden moet worden.

Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad deelt het hierboven omschreven standpunt van appellant dat een voorziening voor woon/werkverkeer door de werknemer zelf dient te worden getroffen en niet in de risicosfeer van de werkgever valt. Om die reden betreft dit ook niet een voorziening die onder het bereik van artikel 2, aanhef en sub c van het Schattingsbesluit valt.

Hierbij merkt de Raad op dat de werknemer eventueel, als de kosten voor woon/werkverkeer uitstijgen boven hetgeen gezien het inkomen als algemeen gebruikelijk dient te worden beschouwd, voor vergoeding c.q. een voorziening in het kader van de AAW in aanmerking kan komen.

Eveneens is de Raad met appellant van oordeel dat een schatting uitgevoerd mag worden zonder dat reeds de eventueel gevraagde voorziening is getroffen of door appellant aan gedaagde een schriftelijke garantie is gegeven dat zij voor een dergelijke voorziening in aanmerking zal worden gebracht.

Voorts staat naar het oordeel van de Raad evenmin aan de effectuering van een schatting in de weg het feit dat bij de bespreking met gedaagde van de geselecteerde functies de noodzaak van aangepast woon/werkverkeer niet aan de orde is gekomen.

Met betrekking tot de medische grondslag van de onderhavige schatting overweegt de Raad vervolgens dat hij evenals de rechtbank in de ter beschikking staande medische gegevens geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het standpunt van gedaagde dat zij volledig arbeidsongeschikt zou zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant terecht gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 januari 1995 heeft ingetrokken.

Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en

mr G. van der Wiel en prof. mr F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 1999.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.P. Madunic.