Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-1999
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
97/987 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, houdende omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn 3
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/987 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, eiseres,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft - na gemaakt bezwaar - bij besluit d.d. 31 december 1996, kenmerk JZ/BP/85120, gehandhaafd haar beslissing dat geen aanleiding bestaat om ten aanzien van eiseres gebruik te maken van de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb 422, gegeven bevoegdheid.

Namens eiseres heeft mr F. van der Brug, advocaat te Utrecht, tegen het zojuist genoemde besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven d.dis 8 april respectievelijk 1 oktober 1998 heeft mr Van der Brug medische verklaringen ingezonden van dr W. Op den Velde respectievelijk prof. dr D.J. de Levita, beiden psychiater te Amsterdam.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 januari 1999. Daar eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door

mr Van der Brug alsook prof. dr De Levita en dr Op den Velde als haar raadslieden, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die is geboren in 1942, bij een in augustus 1993 bij verweerster ingekomen aanvraag verzocht om toekenning van een pensioen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (verder: de Wet). Hierbij heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). In dit verband heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij in verband met het verzet van haar ouders psychisch letsel heeft bekomen.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit d.d. 14 december 1994 zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit kan verweerster met personen, die behoren tot de in artikel 2 van het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen, wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Het gaat hier om een bevoegdheid die discretionair van aard is. Dit betekent dat voorligt de vraag of verweerster niet in redelijkheid tot het besluit is gekomen, ten aanzien van eiseres niet van die bevoegdheid gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

Het bestreden besluit is vrucht van beleid dat verweerster in navolging van haar rechtsvoorganger in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit in zaken, waartoe de onderhavige zaak behoort, hanteert, welk beleid als volgt kan worden beschreven.

1. Per geval is de kernvraag of er sprake is geweest van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden waarmee de betrokkene in de oorlogsjaren 1940-1945 is geconfronteerd, als gevolg van het verzet van derden. Het gaat hierbij om de feitelijke omstandigheden én de feitelijke beleving ervan.

2. Het element van de subjectieve beleving is voorwerp van het medisch onderzoek, waaraan per geval de betrokkene wordt onderworpen. Nagegaan wordt of retrospectief psychisch letsel is aan te tonen dat in verband is te brengen met het verzet van derden; gelet wordt op het beeld van functioneren (in brede zin) van de betrokkene tijdens en na de oorlog tot in het heden.

3. Indien in concreto psychisch letsel als onder 2 bedoeld aanwezig is, is er grond om aan artikel 3 van het Besluit toepassing te kunnen geven.

Eerst in het geval de betrokkene is gelijkgesteld met de in artikel 2 van het Besluit bedoelde personen, kan de vraag aan de orde komen of aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 4 van de Wet wordt voldaan.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad is het zojuist beschreven beleid niet onjuist of onredelijk.

Gelet op het vorenstaande overweegt de Raad voorts het volgende.

Verweerster heeft aanvaard dat de ouders van eiseres, C en D, aan het verzet in de zin van de Wet hebben deelgenomen. Geen van beiden heeft evenwel een aanvraag ingediend om toekenning van een pensioen op grond van de Wet als deelnemer aan het verzet in evenbedoelde zin. Dit betekent dat omtrent hen geen medische gegevens aanwezig zijn die laten zien op welke wijze ieder van hen het verzet heeft beleefd.

Dit bemoeilijkt, gegeven de bewoordingen van de onderdelen 1 en 2 van het beleid, de beoordeling van in genoemd onderdeel 2 vermelde verbandsvraag.

Dit laatste komt naar voren uit het rapport d.d.

12 augustus 1995 dat de psychiater prof. dr M. Kuilman te Amsterdam op verzoek van verweerster omtrent eiseres heeft opgemaakt. Van dit, zeer uitvoerige, rapport is de eigenlijke conclusie dat prof. dr Kuilman onvoldoende feitelijke, objectieve gegevens betreffende het verzet van de ouders van eiseres en betreffende hun beleving van dat verzet heeft om de hem voorgelegde, in onderdeel 2 van het beschreven beleid bedoelde verbandsvraag op overtuigende wijze bevestigend te kunnen beantwoorden.

De Raad kent aan dit rapport doorslaggevende betekenis toe, ook nu prof. dr Kuilman bij het vervaardigen ervan op de hoogte was van de medische standpunten die aan de zijde van eiseres waren ingenomen en met die standpunten heeft rekening gehouden.

Gezien de zojuist vermelde, eigenlijke, conclusie van het rapport van prof. dr Kuilman was, naar 's Raads oordeel, verweerster, in het raam van de haar toekomende discretionaire bevoegdheid, gerechtigd de aanvraag van eiseres af te wijzen.

De Raad is niet eraan voorbijgegaan dat prof. dr Kuilman zijn rapport heeft beëindigd met het voorstel aan verweerster, het verzetsverleden van de ouders van eiseres toch als ziekmakende factor voor eiseres te aanvaarden, gelet op de - zo luidende - opvatting van de haar behandelende psychiater prof. dr De Levita, welk voorstel verweerster echter niet heeft willen volgen.

De Raad is van oordeel dat, gezien hetgeen overigens in het rapport van prof. dr Kuilman is neergelegd, verweerster niet gehouden was een ander standpunt in te nemen. Hierbij laat de Raad wegen dat uit de diverse bijdragen van prof. dr De Levita niet blijkt dat hij de door prof. dr Kuilman gesignaleerde ontbrekende objectieve gegevens wel heeft verkregen.

Overigens heeft de Raad in dit kader niet miskend dat prof. dr De Levita ter zitting argumenten naar voren heeft gebracht die in twijfel kunnen doen trekken of verweerster tot geen ander dan het nu genomen besluit is kunnen komen.

De in dit geding voorliggende vraag is evenwel of het bestreden besluit de hier te hanteren terughoudende rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Op grond van hetgeen eerder is overwogen beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr G.L.M.J. Stevens en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) E. Heemsbergen.