Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-1999
Datum publicatie
28-08-2002
Zaaknummer
97/3629 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet 38, geldigheid: 1999-08-11
Ziektewet 38, geldigheid: 1999-08-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/246

Uitspraak

97/3629 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

X B.V., gevestigd te Y, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van die bedrijfsvereniging.

Bij brief van 6 maart 1995 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit in het kader van de Ziektewet.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 10 maart 1997 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is van die uitspraak hoger beroep ingesteld op de bij beroepschrif d.d. 1 april 1997 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft onder dagtekening 25 november 1997 een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd bij brief van 15 april 1999 nog nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 1999, waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen en waar namens gedaagde is verschenen mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Van toepassing zijn de bepalingen van de Ziektewet, zoals deze ten tijde in geding luidden.

Uit de gedingstukken blijkt dat A (hierna te noemen: betrokkene) op 5 september 1994 ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid als chauffeur bij Transportbedrijf X B.V. te Y en dat hem terzake ziekengeld is uitgekeerd. Gedaagde heeft op 30 november 1994 de aangifte van ongeschiktheid van de werkgever ontvangen.

Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij het bestreden besluit wegens te late aangifte van dit ziektegeval aan appellant, met hantering van de in artikel 38, lid 4 van de Ziektewet neergelegde bevoegdheid, een bedrag van f 3.406,86 in rekening gebracht.

In dit geding is aan de orde de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft die vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en ook overigens in de gedingstukken geen aanleiding gezien om voormelde vraag in andere zin te beantwoorden en heeft terzake het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 38, lid 2 van de Ziektewet, voorzover hier van belang, dient de werkgever, na ontvangst van de ziekmelding van de verzekerde zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de derde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag, waarop de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, aan de bedrijfsvereniging te melden. In het vierde lid van dat artikel is, voorzover hier van belang, bepaald dat indien de werkgever een verplichting als bedoeld in het tweede lid niet nakomt en de bedrijfs-vereniging ziekengeld uitkeert, de bedrijfsvereniging aan de werkgever een bedrag in rekening kan brengen dat wordt berekend door het aantal dagen waarop de werkgever niet aan die verplichting heeft voldaan, doch ten hoogste 27 dagen, te vermenigvuldigen met ten hoogste het dagloon van de verzekerde.

Bij brief van 9 januari 1997 heeft gedaagde aan de rechtbank uiteengezet dat ten tijde in dit geding van belang met betrekking tot een te late aangifte van arbeidsongeschiktheid het in een vergadering van 20 mei 1994 goedgekeurde sanctiebeleid werd gevolgd, dat voorzover hier van belang luidde als volgt:

"Te late aangifte door werkgever.

a. aangifte te laat, maar nog wel tijdens de wachtperiode en de bedrijfsvereniging keert na wachtperiode ziekengeld uit.

Waarschuwen.

b. aangifte te laat, na wachtperiode en de bedrijfsvereniging keert na de wachtperiode ziekengeld uit.

Direct sanctie opleggen (financiƫle prikkel)

Het uitgangspunt bij het berekenen van de hoogte van de sanctie is: "het aantal dagen te laat maal een percentage van het dagloon".

Het aantal dagen te laat is gemaximeerd op 27 dagen en het dagloon mag nooit meer zijn dan het maximum dagloon.

Bij het vaststellen van het percentage heeft de bedrijfsvereniging voor het Vervoer besloten uit te gaan van een 2-deling, te weten 35% en 70% van het dagloon.

35% van het dagloon in de volgende situaties:

- aangifte na wachtperiode

- aangift tijdens wachtperiode bij notoire overtreders (voorzover ziektegeval tot uitkering komt)

70% van het dagloon in de volgende situaties:

- extreem te late aangifte (na wachtperiode)

- aangifte na wachtperiode bij notoire overtreders.".

Van dat beleid kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat de werkgever niet aan zijn meldingsplicht als vorenbedoeld heeft voldaan, zodat gedaagde -nu ziekengeld is uitgekeerd- de bevoegdheid tot het treffen van een sanctie als bedoeld in artikel 38, lid 4 van de Ziektewet toekwam. In aanmerking genomen dat de aangifte van ongeschiktheid eerst 12 weken na 7 september 1994, zijnde de derde dag van de ongeschiktheid tot werken en mitsdien de datum waarop uiterlijk de aangifte nog tijdig gedaan had kunnen worden, bij gedaagdes administratie is ontvangen, heeft gedaagde zich naar het oordeel van de Raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hier van een extreem te late aangifte na de wachtperiode in de zin van voormeld beleid sprake was en dat mitsdien hantering van het hoge percentage hier op zijn plaats was. Van de zijde van appellant zijn voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd, welke gedaagde ertoe hadden behoren te brengen een uitzondering op dat beleid te maken, zodat het overeenkomstig dat beleid genomen besluit eveneens de toetsing van de Raad kan doorstaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat de werkgever, zoals gedaagdes gemachtigde ter zitting van de Raad heeft uiteengezet, jaarlijks door middel van voorlichtingsmateriaal op de hoogte wordt gesteld van de termijn waarbinnen een ziekmelding moet zijn ontvangen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Mitsdien moet worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr Chr. van Voorst als voorzitter en mr G. van der Wiel en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 1999.

(get.) Chr. van Voorst.

(get.) R.E. Lysen.