Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-1999
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
97/3588 AW + 97/3589 AW, 97/3751 AW + 97/7755 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/3588 AW + 97/3589 AW

97/3751 AW + 97/7755 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

mr A, wonende te B, appellant tevens gedaagde, hierna te noemen betrokkene,

en

het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, gedaagde tevens appellant, hierna te noemen College van Bestuur.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Partijen hebben op daartoe bij aanvullende beroepschriften met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 20 maart 1997 onder de nrs. AWB 97/75 VV, AWB 96/3194 en AWB 97/74 gegeven uitspraak van de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift met bijlagen ingediend. Betrokkene heeft op het verweerschrift van het College van Bestuur schriftelijke reacties met bijlagen ingezonden.

Het College van Bestuur heeft aan de Raad ingezonden zijn besluit van 23 mei 1997 en het door betrokkene hiertegen ingediende bezwaarschrift met het verzoek dit besluit bij het geding in hoger beroep te betrekken. Betrokkene heeft zijn visie op het besluit van 23 mei 1997 kenbaar gemaakt.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 11 februari 1999, waar betrokkene in persoon is verschenen en het College van Bestuur zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J. Havemans, prof. mr A.Ph.C.M. Jaspers, drs A.L.J. Kamp en drs M. Klein, allen werkzaam bij de Universiteit Utrecht.

II. MOTIVERING

Betrokkene is van 1 december 1990 tot 1 november 1994 in opeenvolgende tijdvakken in tijdelijke dienst bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht aangesteld geweest. Bij besluit van 22 december 1994 is betrokkene wederom bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid in tijdelijke dienst benoemd voor de periode van 1 januari 1995 tot 1 september 1996 "zonder uitzicht op een vast dienstverband". Met ingang van 1 november 1995 is de aanstelling van betrokkene voortgezet met toepassing van artikel 2.3, vierde lid, aanhef en onder c, van het Rechtspositiereglement wetenschappelijk onderwijs en onderzoek (RWOO).

Bij brief van 30 mei 1996 is betrokkene eraan herinnerd dat zijn tijdelijke aanstelling per 1 september 1996 afloopt. Deze brief heeft betrokkene bereikt omstreeks 21 juni 1996. Betrokkene heeft bij geschrift van 23 september 1996 tegen deze brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 oktober 1996 (hierna: bestreden besluit 1) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, welk besluit bij de aangevallen uitspraak in stand is gelaten. Tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak heeft betrokkene hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 20 september 1996 is betrokkene meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een vaste aanstelling. Bij besluit van 23 december 1996 (hierna: bestreden besluit 2) is het door betrokkene tegen deze brief gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het College van Bestuur binnen 6 weken een nieuwe beslissing neemt op betrokkenes bezwaarschrift, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen dit deel van de aangevallen uitspraak zijn beide partijen in hoger beroep gekomen.

bestreden besluit 1

Aan de niet-ontvankelijkverklaring van betrokkenes bezwaar tegen de brief van 30 mei 1996 heeft het College van Bestuur ten grondslag gelegd, dat deze brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat, aangezien een tijdelijke aanstelling voor een vast bepaalde tijd van rechtswege afloopt en de brief van 30 mei 1996 de uitvoering behelst van het voorschrift van artikel 2.5, eerste lid, van het RWOO om uiterlijk 3 maanden voor het einde van de bedoelde termijn betrokkene van de afloop van zijn aanstelling in kennis te stellen.

De Raad kan voornoemd standpunt niet volgen.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad moet de beslissing van een bestuursorgaan om de tijdelijke aanstelling van een voor een bepaalde tijd benoemde ambtenaar niet te verlengen dan wel niet om te zetten in een vaste aanstelling aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van het College van Bestuur van 30 mei 1996 behelst naar het oordeel van de Raad een besluit tot zodanige niet-verlenging, respectievelijk niet-omzetting. De omstandigheid dat in betrokkenes benoemingsbesluit is vermeld dat er geen uitzicht op een vaste aanstelling bestaat maakt het vorenstaande niet anders. De Raad moet dan ook concluderen dat betrokkenes bezwaar op onjuiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard.

Ambtshalve overweegt de Raad vervolgens het navolgende.

Betrokkene heeft het bezwaarschrift niet binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit van 30 mei 1996 ingediend. Betrokkenes bezwaar is derhalve wegens overschrijding van de voorgeschreven bezwaartermijn niet-ontvankelijk, tenzij met toepassing van artikel 6:11 van de Awb de niet-ontvankelijkheidverklaring achterwege zou kunnen blijven.

Uit betrokkenes bezwaarschrift en hetgeen hij dienaangaande ter zitting heeft verklaard blijkt dat betrokkene op de hoogte was van de voorgeschreven bezwaartermijn van zes weken. Onder die omstandigheid kan de Raad aan het ontbreken van de bezwaarclausule geen doorslaggevende betekenis toekennen. Betrokkenes standpunt dat het indienen van een bezwaarschrift prematuur zou zijn zolang er nog overleg gaande was over het verlenen van een vaste aanstelling en dat het besluit van 30 mei 1996 pas definitief werd nadat hem schriftelijk het negatieve resultaat van bedoeld overleg was meegedeeld, kan niet gevolgd worden en kan voorts niet worden aangemerkt als een omstandigheid die moet leiden tot het oordeel dat betrokkene redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar tegen het besluit van 30 mei 1996 terecht niet-ontvankelijk is geacht en dat derhalve bestreden besluit 1 in stand kan worden gelaten. Dit brengt vervolgens mee dat de aangevallen uitspraak ten aanzien van bestreden besluit 1 op andere gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

bestreden besluit 2

De bij brief van 20 september 1996 aan betrokkene kenbaar gemaakte weigering om hem een vaste aanstelling te verlenen is bij bestreden besluit 2 in stand gelaten. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank bestreden besluit 2 op inhoudelijke gronden vernietigd.

Zoals eerder vermeld behelsde het besluit van 30 mei 1996 onder andere de beslissing van het College van Bestuur om betrokkene in aansluiting aan zijn tijdelijke aanstelling geen vaste aanstelling te verlenen. Aangezien de in de brief van 20 september 1996 neergelegde weigering eveneens betrekking heeft op het niet verlenen van een vaste aanstelling per 1 september 1996, moet worden vastgesteld dat deze brief een herhaling bevat van het besluit van 30 mei 1996. Een op schrift gestelde herhaling van een besluit moet worden gekwalificeerd als een mededeling van feitelijke aard en is niet op rechtsgevolg gericht. Dit leidt tot de conclusie dat tegen de brief van 20 september 1996 geen bezwaar openstond en dat het College van Bestuur betrokkene derhalve in zijn bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de door de rechtbank gegeven vernietiging van bestreden besluit 2 op andere gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

Aangezien het vorenstaande meebrengt dat de uitkomst van een nieuwe beslissing op betrokkenes bezwaar niet anders kan zijn dan een niet-ontvankelijkverklaring, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar tegen de brief van 20 september 1996 alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Dit leidt ertoe dat de bij de aangevallen uitspraak gegeven opdracht om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 23 september 1996 voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot het nadere besluit van het College van Bestuur van 23 mei 1997, dat om proceseconomische redenen door de Raad in dit geding is betrokken, overweegt de Raad dat daaraan door de beslissing van de Raad ten aanzien van bestreden besluit 2 de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden dient het besluit van 23 mei 1997 eveneens te worden vernietigd.

De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat het College van Bestuur een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van 23 september 1996;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het bezwaar tegen de brief van 20 september 1996 niet-ontvankelijk;

Vernietigt het besluit van 23 mei 1997;

Bepaalt dat van de Universiteit Utrecht een griffierecht wordt geheven van f 675,-.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr J.H. van Kreveld en mr P. Ingelse als leden in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.W.M. van Bommel.

(wegens defungeren van

bovengenoemde griffier)