Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
12-08-2003
Zaaknummer
97/4949 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 1999-07-01
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 1999-07-01
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 1999-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/231
TAR 1999/125

Uitspraak

97/4949 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de directie van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen op 29 april 1997 onder nr. 95/563 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 april 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door A. Nijboer, juridisch medewerkster ACP, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr P. Vriezen, verbonden aan Leeuwendaal advies b.v., en G.M. Scherpenzeel, organisatie-adviseur.

II. MOTIVERING

Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij het door appellant bestreden besluit van 20 januari 1995 heeft gedaagde ongegrond verklaard een bezwaar van appellant tegen de door gedaagde vastgestelde beschrijving van de door appellant beklede functie van medewerker vakgroep recht aan de rechercheschool, ressorterend onder het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (LSOP). Deze functiebeschrijving is opgemaakt met het oog op de waardering door gedaagde van appellants functie met overeenkomstige toepassing van het systeem functiewaardering Nederlandse politie.

Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van het door appellant tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

De onderhavige functiebeschrijving bevat een aantal rubrieken, te weten: hoofdtaken, functie-inhoud, bezwarende omstandigheden, niveaubepalende elementen en indicatie functie-eisen. In de rubriek functie-inhoud is onder de taak "Ontwikkeling" onder meer vermeld: "Ontwikkeling en actualisatie van (in gebruik zijnde) onderwijspakketten". Bij de weergave van de niveaubepalende elementen komt deze aldus beschreven taak niet voor.

Appellant heeft, zoals hij eerder heeft gedaan in de fase van bezwaar en beroep in eerste aanleg, doen stellen dat de beschrijving van de zogenoemde niveaubepalende elementen in de functie onvoldoende correspondeert met de (beschrijving van de) inhoudelijke taak van onderwijsontwikkeling.

De rechtbank is tot een inhoudelijke beoordeling van het haar voorgelegde geschil gekomen nadat zij eerst had overwogen:

"belang

4.3 Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de primaire beslissing houdende functiebeschrijving kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank tekent voorts aan dat het primaire besluit geen algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel inhoudt, zodat geen sprake is van een ingevolge artikel 8:2, sub a, van de Awb van beroep bij de rechtbank uitgezonderd besluit.

4.4 De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of eisers belang rechtstreeks bij het primaire besluit tot functiebeschrijving is betrokken en eiser derhalve in zoverre kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Verweerster staat op het standpunt dat eiser bij het primaire besluit geen belanghebbende is in wettelijke zin. Aan de functiebeschrijving is geen rangindeling gekoppeld en geen salarisbandbreedte, zodat, gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 4 juli 1996, TAR 1996, 141 e.v., thans geen rechtstreeks belang van eiser bij de functiebeschrijving betrokken is, aldus verweerster.

Voorts is verweerster van mening dat zij bij het thans bestreden besluit niet geweigerd heeft met betrekking tot eiser een zogenoemde mensfunctie vast te stellen, dat eiser zulks bij zijn verzoekschrift herziening functiebeschrijving ook niet heeft verzocht en ook thans in beroep niet heeft aangevoerd.

Eiser staat op het standpunt dat hij wel een rechtstreeks belang bij de functiebeschrijving betrokken heeft. Aangezien bij de na de functiebeschrijving plaats vindende functiewaardering de aard en het niveau van de functie daarvoor bepalend zijn, is het voor eiser van rechtstreeks belang dat de functie op juiste wijze wordt beschreven.

4.5 De rechtbank overweegt dat verweerster in de functiebeschrijving de volgende volgorde heeft gehanteerd:

- hoofdtaken

- functie-inhoud

- bezwarende werkomstandigheden

- niveaubepalende elementen

- indicatie functie-eisen.

In haar voorlichtingsmateriaal over de "niveaubepalende elementen" heeft verweerster opgemerkt dat deze van groot belang zijn bij de latere vaststelling van de waardering van de functie.

Onder de rubriek "niveaubepalende elementen" wordt een korte samenvatting gegeven van wat in deze functie het belangrijkste is, dan wel de moeilijkste onderdelen van de functie, aldus verweerster.

4.6 De rechtbank is van oordeel dat eiser bij het primaire besluit tot beschrijving van de functie die hij vervult een belang betrokken heeft. De vraag rijst of dit een rechtstreeks betrokken belang is.

Bij de vaststelling van de waardering van de functie zal de inhoud van de niveaubepalende elementen van de functie, zoals opgenomen in de litigieuze functiebeschrijving, voor die waardering een van de bepalende aspecten vormen. De vaststelling thans van de niveaubepalende elementen in de functiebeschrijving zal derhalve doorwerken in de vaststelling van de waardering van de functie.

De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser een rechtstreeks belang betrokken heeft bij de functiebeschrijving. Dat eiser vervolgens bij het besluit tot functiewaardering belanghebbende in de zin der wet kan zijn, is reeds uitgemaakt in de meergenoemde uitspraken van de CRvB d.d. 4 juli 1996.".

De Raad kan de rechtbank in deze overwegingen niet volgen.

In het algemeen zal het belang van degene die een functie vervult rechtstreeks betrokken zijn bij een besluit waarbij die functie is beschreven. Het gaat dan om de vastlegging van het samenstel van werkzaamheden die in de desbetreffende functie (kunnen) moeten worden verricht. Deze beschrijving is veelal niet alleen bepalend voor de uitkomst van de waardering van de functie maar bepaalt ook overigens de rechtspositie van de betrokken functievervuller. Dit een en ander geldt naar het oordeel van de Raad voor de weergave in een functiebeschrijving van de (hoofd)taken, van de functie-inhoud en van (bezwarende) werkomstandigheden. Een dergelijk besluit kan en moet door de rechter volledig getoetst worden op houdbaarheid in rechte.

Anders ligt dit naar het oordeel van de Raad in het algemeen voor een in een functiebeschrijving tevens opgenomen, of voor een bij een dergelijke beschrijving gevoegde weergave van een indicatie van functie-eisen (veelal in een zogeheten chefsformulier) en een samenvattende beschrijving van de niveaubepalende elementen. In het algemeen is daarbij van een besluit waarbij het belang van de ambtenaar rechtstreeks betrokken is, geen sprake. Een beschrijving van iemands taken en bevoegdheden bepaalt in het algemeen zijn (rechts)positie; daarvan is in het algemeen bij het geven van een eisen- of niveau-indicatie geen sprake. Dit is evenmin het geval bij het weergeven van niveaubepalende elementen: ook daaraan kan in beginsel niet meer dan een indicatieve betekenis worden gehecht. Indien aan de weergave van de niveaubepalende elementen een verder strekkende betekenis toegekend zou (moeten) worden en daarin reeds een aspect van functiewaardering zou (moeten) worden gezien, zou bovendien een onduidelijke situatie ontstaan na vaststelling van de waardering van de functie. Een niet onbelangrijk gedeelte van het eindresultaat zou dan al bepaald zijn geweest door het onderdeel van de functiebeschrijving waarbij de niveaubepalende elementen zijn weergegeven. Dit is niet goed aanvaardbaar uit een oogpunt van adequate rechtsbescherming tegen een functiewaarderingsbesluit. Beschrijving en waardering lopen in een dergelijk stelsel bovendien door elkaar, hetgeen bezwaren oproept in het kader van de toetsing van de desbetreffende beslissingen.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar tegen de weergave van de niveaubepalende elementen heeft ontvangen. De rechtbank had het beroep derhalve gegrond moeten achten. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak alsmede het door appellant bestreden besluit vernietigen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij zijn uitspraak zelf alsnog het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaren.

In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep, begroot op respectievelijk ƒ 1.420,-- en ƒ 1.420,-- aan kosten van juridische bijstand. Voorts zal worden bepaald dat het LSOP aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal ƒ 515,-- vergoedt.

Op grond van het bovenstaande wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van appellant tegen het besluit van 20 januari 1995 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en verklaart in verband daarmee het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot ƒ 2.840,--, te betalen door het LSOP;

Bepaalt dat aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van ƒ 515,-- door het LSOP wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr A. Beuker-Tilstra en mr K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.M. Maurik.