Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-1999
Datum publicatie
29-11-2000
Zaaknummer
97/5836 ABW, 97/5837 ABW, 97/5838 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 1
Algemene bijstandswet 1a
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Wet op de rechtsbijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 1999, 245 met annotatie van H.E. Bröring
RSV 1999, 166
JABW 1999, 77
USZ 1999/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/5836 ABW

97/5837 ABW

97/5838 ABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A te B, appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden onder dagtekening 20 mei 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

16 februari 1999, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.R.J. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente

Dongeradeel.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.

De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

97/5837 ABW

Appellant heeft op 24 mei 1995 gedaagde verzocht hem bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van een bril. Hij vermeldde op het aanvraagformulier in verband met privacy geen toestemming te zullen verlenen om informatie in te winnen bij de leverancier.

Gedaagde heeft bij brief van 15 juni 1995 appellant erop gewezen dat deze informatie van belang is om de noodzaak van de kosten te kunnen vaststellen en hem verzocht alsnog de gevraagde toestemming te verlenen. Bij brief van 26 juni 1995 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat volstaan kan worden met een nog in te leveren gespecificeerde nota omtrent de kosten van de brilleglazen en daaraan toegevoegd: "In deze nota dient te worden aangegeven of de glazen met/zonder kleuring, met/zonder leesgedeelte en of de glazen multi-, of bi-focaal zijn.

Daarnaast of deze brilleglazen medisch noodzakelijk zijn.".

In een brief van 5 juli 1995 heeft appellant de gevraagde toestemming geweigerd. Vervolgens heeft gedaagde op

30 augustus 1995 besloten in de kosten van de bril geen bijstand te verlenen, op de grond dat de kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van de ABW of behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Appellant heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, zich tijdens een op 3 november 1995 gehouden hoorzitting laten bijstaan door mr B.R. Tromp, advocaat te Buitenpost, en aldaar gedaagde alsnog toestemming gegeven om schriftelijk de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens op te vragen bij de opticien Hans Anders.

Overeenkomstig een door de hoorcommissie sociale zekerheid uitgebracht advies heeft gedaagde bij besluit van

15 december 1995 het volgende overwogen en beslist:

"Uit de door de opticien geleverde gegevens bleek dat de nota betrekking had op multifocale glazen met een leesdeel en een kleuring en ontspiegeling.

Multifocale glazen en ontkleuring worden niet vergoed, er dient te worden uitgegaan van bifocale glazen. Een bifocale bril zonder kleuring en montuur kost, volgens de opticien, maximaal f 342,00. Wij zijn dan ook van mening dat er bijstand kan worden verstrekt voor ten hoogste een bedrag van f 342,00.

Het drempelbedrag van f 186,00 is al verrekend, zodat een bedrag van f 342,00 volledig betaald kan worden.

Besluit

Om bovenstaande redenen hebben wij besloten onze eerdere beslissing niet te handhaven en het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Het besluit, dat wij in de plaats stellen van ons vorige besluit, luidt als volgt:

Ter tegemoetkoming in de kosten van een bril wordt

f 342,00 vergoed.".

Namens appellant heeft mr B.R. Tromp, voornoemd, tegen dit besluit beroep ingesteld. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 9 januari 1996 appellant tot een bedrag van f 75,-- bijstand verstrekt in de kosten van het brilmontuur op grond van de volgende overwegingen:

"Uitgaande van de ingeleverde nota is alleen bijstand toegekend voor de kosten van de glazen, hetgeen niet juist bleek. Naar aanleiding van uw telefonische reactie zijn de bij de aanvraag ingeleverde nota's nader bekeken. Hieruit bleek dat u inderdaad f 75,00 aan montuurkosten hebt gemaakt waarvoor ook bijstand kan worden verleend.".

Appellant heeft in een aanvullend beroepschrift van

28 februari 1996 gesteld dat multifocale glazen voor hem medisch noodzakelijk zijn, om volledige vergoeding van de door hem aangeschafte brillenglazen en om vergoeding van smartengeld, renteschade en proceskosten verzocht.

De rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen:

"Verweerders beleid, zoals vastgelegd in paragraaf 2 van de interne richtlijn van 6 september 1994, voor wat betreft de bijzondere bijstand voor brilkosten, luidt voorzover relevant als volgt:

"De kosten van een standaardmontuur en stan-daardglazen behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan.

De kosten kunnen pas als noodzakelijk worden aangemerkt als er bij de aanvraag voor een brilkostenvergoeding een gespecificeerde nota van een opticien wordt ingediend.(...).

Er moet worden uitgegaan van ontkleurde en ontspiegelde glazen (...).

Multifocale glazen (onzichtbare leesstukje) worden aangemerkt als luxe en komen derhalve slechts voor vergoeding in aanmerking tot het bedrag van een standaardbril met leesstukje.".

Het door verweerder gevoerde beleid komt de rechtbank -gelet op de aard en de doelstelling van de ABW- niet onredelijk voor. Uit de door de opticien opgestelde nota blijkt dat eiser een bril met een multifocale en gekleurde glazen heeft aangeschaft voor een bedrag van f 410,50. Verweerders beleid houdt echter in dat alleen bifocale en ongekleurde glazen voor vergoeding in aanmerking komen. Desgevraagd heeft de opticien medegedeeld dat een bifocale bril exclusief montuur en kleuring maximaal

f 342,00 kost. Vergoeding tot dat bedrag -zoals verweerder bij de beslissing op bezwaar heeft gedaan- moet derhalve in overeenstemming met het beleid worden geacht. Nu voorts niet gebleken is van omstandigheden die tot afwijking van het beleid zouden nopen, is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag terecht slechts gedeeltelijk is toegewezen. Besluit B is dan ook terecht en op goede gronden genomen.".

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen leiden dat gedaagdes besluit om ter tegemoetkoming in de kosten van de op

24 mei 1995 aangeschafte bril een bedrag van

(f 342,-- + f 75,-- =) f 417,-- te vergoeden in rechte geen stand kan houden. In aansluiting op hetgeen de rechtbank heeft overwogen merkt de Raad op dat appellant uit gedaagdes brief van 26 juni 1995 had kunnen begrijpen dat het voor de beoordeling van zijn aanvraag van belang was of hij al dan niet aangewezen was op het dragen van multifocale brillenglazen. Nu appellant op dit punt

slechts heeft gesteld dat deze glazen voor hem medisch noodzakelijk zijn en zelfs geen begin van bewijs van de juistheid van die stelling heeft geleverd, kan niet worden gezegd dat gedaagde in zijn onderzoeksplicht tekort is geschoten. Evenmin kan in het geval van appellant worden aangenomen dat de meerkosten van multifocale glazen ten opzichte van bifocale glazen gerekend kunnen worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voorzover deze betrekking heeft op het geschil met betrekking tot de bril voor bevestiging in aanmerking.

Gegeven dit oordeel is er geen plaats voor een veroordeling van gedaagde tot vergoeding van smartengeld en renteschade.

Ook voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) acht de Raad in dit geding geen termen aanwezig.

97/5836 en 5838 ABW

Appellant heeft in een op 26 juni 1995 bij gedaagde ingekomen aanvraagformulier verzocht hem bijstand te verlenen in de kosten van rechtsbijstand tijdens bezwaar en beroep tegen het niet verlenen van bijzondere bijstand in de kosten van de bril door gedaagde, om vergoeding van reis- en verblijfkosten en van alle kosten die noodzakelijk zijn voor die procedure.

Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van

30 augustus 1995 op grond van de volgende overwegingen:

"Aangezien de kosten van rechtsbijstand, kosten procedure bezwaar en beroep tegen het niet verlenen bijzondere bijstand bril en kosten van deskundige en raadgevers, advocaat, reis- en verblijfkosten en alle kosten die noodzakelijk zijn voor deze procedure niet noodzakelijk zijn in de zin van de Algemene Bijstandswet, of omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, wordt in deze kosten geen bijstand verleend.

Daarnaast is het gemeentelijk beleid dat er voor kosten rechtsbijstand slechts dan bijstand wordt verleend wanneer de procedure gericht is op een zelfstandige voorziening in het bestaan.".

Appellant heeft op 8 september 1995 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend en zich tijdens een op

3 november 1995 gehouden hoorzitting laten bijstaan door meergenoemde mr Tromp.

Op 3 november 1995 heeft appellant, onder verwijzing naar de op 26 juni 1995 ingekomen aanvraag, gedaagde verzocht de volgende kosten te vergoeden:

"1. Kosten advocaat eigen bijdrage zaak "rechts-

bijstand" : f 110,--;

2. Idem zaak "bril" : f 110,--;

3. Reiskosten advocaat Buitenpost-Moddergat van mijzelf 9-10-'95 en 19-10-'95 23 km x 4 : f 23,--;

4. Reiskosten bezwaarcommissie 3-11-'95 Dokkum-Moddergat v.v. 30 km : f 7,50.".

Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van

22 november 1995, op de grond dat de kosten van rechtsbijstand en de daarbij behorende reiskosten niet noodzakelijk zijn in de zin van de ABW, of omdat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant heeft tegen dit besluit op 13 december 1995 een bezwaarschrift ingediend en is op 3 april 1996 door de hoorcommissie sociale zekerheid gehoord.

Overeenkomstig de door de hoorcommissie sociale zekerheid uitgebrachte adviezen heeft gedaagde bij besluiten van

15 december 1995 en van 15 mei 1996 de ingediende be-zwaarschriften ongegrond verklaard. Naar het oordeel van gedaagde is de aanvraag terecht afgewezen op basis van het beleid, dat is vastgelegd in een interne richtlijn van 6 september 1994. Deze richtlijn luidt als volgt:

"Als de gerechtelijke procedure gericht is op een zelfstandige voorziening in het bestaan (bijv alimentatie/ aanvechten ontslag/weigering WW enz.) dan worden de eigen bijdrage en de bijkomende griffierechten alsmede de reiskosten naar raadsman en/of zitting tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend.".

De rechtbank heeft de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank gaat gedaagdes beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten en uit de eerdere tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van

20 april 1995 volgt niet dat een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer naar voren gebracht dat het beleid van gedaagde in strijd is met de ABW, en om vergoeding van renteschade, het stellen van een termijn voor het nemen van een nieuw besluit en om het opleggen van een dwangsom verzocht.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In zijn uitspraak van 20 april 1995, gepubliceerd in

JABW 1995/277, heeft de Raad met betrekking tot appellants aanvraag van 11 juni 1992 om bijstand in de kosten van een eerdere procedure tegen gedaagde betreffende de (gedeeltelijke) afwijzing van appellants aanvraag om bijstand voor een bril van 6 maart 1992 onder meer het volgende overwogen:

"Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, dienen onder bepaalde omstandigheden de kosten van een procedure die de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden (WROM) voor eigen rekening laat (zoals de eigen bijdrage en bijkomende kosten) tot de bijzondere noodzakelijke kosten worden gerekend die redelijkerwijs niet uit de verstrekte uitkering en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Daarbij heeft te gelden dat indien op grond van een toevoeging krachtens de WROM rechtsbijstand is verleend, in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp kan worden aangenomen.

Gelet op de aard van de procedure in de kosten waarvan bijstand gevraagd is, acht de Raad ook in het onderhavige geval sprake van noodzakelijke kosten. Voorzover de aan vraag betrekking heeft op kosten die geen verband houden met de door de WROM voor eigen rekening gelaten kosten, is de Raad van oordeel dat deze kosten van de beroepsprocedure in de omstandigheden van appellant eveneens gerekend moeten worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Vervolgens dient in het kader van de toepassing van artikel 18a van het BLN de vraag beantwoord te worden of bedoelde noodzakelijke kosten van het bestaan in het onderhavige geval redelijkerwijs kunnen worden voldaan uit de verstrekte uitkering en de aanwezige draagkracht in het betreffende jaar alsmede in hoeverre die kosten in dat jaar het in artikel 18c, eerste lid, van het BLN genoemde drempelbedrag te boven gaan.

In dat verband is van belang dat blijkens de gedingstukken appellant gelijktijdig met het verzoek om bijstand voor de kosten van een beroepsprocedure tevens een aanvraag heeft gedaan om bijzondere bijstand voor diverse andere kosten. Het College heeft deze aanvraag gehonoreerd, waarbij is vastgesteld dat bij appellant in het draagkrachtjaar lopend van 1 juni 1992 tot 1 juni 1993 geen draagkracht aanwezig was en waarbij het drempelbedrag is verrekend.

Het vorenstaande voert de Raad tot de slotsom dat de omstandigheden van appellant hebben geleid tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarvan in rede-lijkheid niet geoordeeld kan worden dat deze konden worden voldaan uit de hem toegekende uitkering en de aanwezige draagkracht. Derhalve dient ter voorziening in deze bijzondere kosten van het bestaan bijstand te worden verleend.".

Die conclusie luidt in het voorliggende geval niet an-ders, voorzover het gaat om de in verband met verleende toevoegingen op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) door appellant verschuldigde eigen bijdragen in de procedures die hebben geleid tot gedaagdes besluiten op bezwaar van 15 december 1995 en 15 mei 1996.

De Raad merkt daarbij op dat de in gedaagdes richtlijn neergelegde categoriale beperking tot kosten van daarin vermelde gerechtelijke procedures in strijd is met artikel 18a van het Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN), omdat daarmee wordt miskend dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand in beginsel ook kan worden aangenomen indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb een toevoeging is verleend ter zake van andere in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen dan het verwerven of behouden van inkomen. Gelet op de aard van de onderhavige procedures in de kosten waarvan bijstand is gevraagd, is de Raad van oordeel dat deze kosten in de omstandigheden van appellant gerekend moeten worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

In het gegeven dat appellant niet aanstonds gedaagde toestemming heeft gegeven om voor de beoordeling van zijn aanvraag van 24 mei 1995 noodzakelijke informatie bij de opticien te vergaren ziet de Raad onvoldoende grond om tot een ander oordeel te komen, nu niet kan worden gezegd dat de procedures uitsluitend voortkomen uit die aanvankelijke weigering van appellant.

Uit de gedingstukken blijkt voorts dat gedaagde heeft vastgesteld dat bij appellant in het draagkrachtjaar lopend van 1 mei 1995 tot 1 mei 1996 geen draagkracht aanwezig was en dat het in artikel 18, eerste lid, van het BLN genoemde drempelbedrag reeds is verrekend. Derhalve dient voor de in de opgave van 3 november 1995 vermelde eigen bijdragen bijstand te worden verleend.

Wat betreft de in appellants opgave van 3 november 1995 vermelde reiskosten in oktober/november 1995 merkt de Raad op dat die in beginsel voor verlening van bijstand in aanmerking kunnen komen, voorzover zij daadwerkelijk zijn gemaakt en de hoogte daarvan redelijk is. Het is primair aan gedaagde om dit nader te beoordelen. Dat geldt ook voor de reiskosten van appellant in verband met het bijwonen van de hoorzitting op 3 april 1996.

Uit het tot nu toe overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt voorzover daarbij de hier besproken besluiten op bezwaar in stand zijn gelaten. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 18a van het BLN voor vernietiging in aanmerking. In verband hiermee kan onbesproken blijven hetgeen appellant overigens als grieven tegen deze besluiten heeft aangevoerd. Gedaagde zal ter zake van de genoemde eigen bijdragen en reiskosten in bezwaar een nader besluit dienen te nemen met inachtneming van 's Raads uitspraak.

In het vorenstaande ligt tevens besloten dat die besluiten van gedaagde onrechtmatig zijn en dat appellant daardoor schade heeft geleden. Die schade bestaat in elk geval in de vertraagde uitbetaling van de hem toekomende vergoeding van twee maal f 110,--. Onbekend is echter nog hoe het nadere besluit van gedaagde zal gaan luiden met betrekking tot de reiskosten van appellant in bezwaar. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de door appellant gevorderde renteschade uit te spreken. Gedaagde zal bij het nemen van het nadere besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen aanwezig zijn om renteschade in de vorm van wettelijke rente te vergoeden.

De Raad ziet thans onvoldoende grond om te bepalen dat de gemeente Dongeradeel een dwangsom verbeurt indien en zolang gedaagde niet voldoet aan zijn uitspraak. Wel acht hij termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat gedaagde binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw in de zaak moet hebben voorzien.

Met betrekking tot de gevraagde vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zittingen van de rechtbank en de Raad en de kosten van de in beroep verleende rechtsbijstand overweegt de Raad ten slotte dat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) in deze als een ten opzichte van de ABW voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1a van de ABW moet worden beschouwd.

De Raad zal gedaagde tot vergoeding van die kosten veroordelen met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten worden begroot op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand en op f 9,36 aan reiskosten in eerste aanleg en op f 78,98 aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

97/5837 ABW:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

97/5836 en 5838 ABW:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen alsnog gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

Verstaat dat gedaagde binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van het in rubriek II overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot f 719,36, te betalen door de gemeente Dongeradeel aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag groot f 78,98, te betalen door de gemeente Dongeradeel;

Bepaalt dat de gemeente Dongeradeel aan appellant het betaalde griffierecht ad f 160,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en mr P.H. Hugenholtz als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 1999.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I. de Hartog.