Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-1999
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
97/6889 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 61
Werkloosheidswet 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 184
USZ 1999/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/6889 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond onder dagtekening 23 juni 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft P.L.E. Maessen, medewerker van de Nederlandse Vereniging voor Beroepschauffeurs (hierna: NVB), een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij schrijven van 1 december 1997 op het verweerschrift gereageerd. Op deze reactie heeft P.L.E. Maessen, voornoemd, commentaar geleverd in zijn brief van 12 januari 1998.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 maart 1999, waar voor appellant is verschenen P.L.E. Maessen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, werkzaam bij Gak Nederland bv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde is in januari 1995 als chauffeur in dienst getreden bij X (hierna: X), zijnde een zogeheten Y Corporation, destijds gevestigd te Z. Gedaagde stelt, onder verwijzing naar het tot de gedingstukken behorende arbeidscontract, per 2 januari 1995 in dienst te zijn getreden. Gedaagde is zonder inachtneming van een opzegtermijn per 10 maart 1995 ontslagen.

Tegen dit ontslag is namens gedaagde protest aangetekend. Voorts heeft gedaagde geprobeerd zijn werkgever aan te spreken tot doorbetaling van loon over de termijn van opzegging alsmede tot betaling van achterstallig loon. Een en ander heeft niets opgeleverd, omdat X niet meer te traceren was.

Bij brief van 15 oktober 1995 heeft gedaagde aan appellant verzocht om overneming van de betalingsverplichtingen van X. Gedaagde heeft met ingang van 27 maart 1995 een nieuwe werkgever gevonden en claimt doorbetaling van loon tot 27 maart 1995.

Bij besluit van 31 oktober 1995 heeft appellant de gevraagde overneming afgewezen. Deze afwijzing is bij beslissing op bezwaar van 16 februari 1996 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit van 16 februari 1996 vernietigd. Daartoe is het volgende overwogen:

"Eiser heeft ter staving van zijn standpunt dat voldaan is aan de vereisten om in aanmerking te komen voor overneming van de achterstallige betalingsverplichtingen van X diverse feiten en omstandigheden aangevoerd.

Zo heeft hij aangegeven dat hij daarbij op 2 januari 1995 in dienst is getreden, daar vanaf die datum en tot en met 12 januari 1995 heeft gewerkt, daar vervolgens nog heeft gewerkt van 24 januari 1995 tot

10 maart 1995, dat hij alleen over de periode van

24 januari 1995 tot en met 21 februari 1995 loon heeft ontvangen en dat X in april 1995 heeft opgehouden te bestaan. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld. In dat kader is gesproken met de heer Krist, de gewezen bestuurder van X en zijn een tweetal rapporten opgesteld, welke in het dossier zijn gevoegd onder de nummers B 27 en B 28.

Uit die rapporten moet worden afgeleid dat verweerder zijn onderzoek niet gericht heeft op het verkrijgen van een antwoord op de vraag of X omtrent april 1995 verkeerde in een blijvende toestand van betalingsonmacht en in ieder geval geen terzake relevante gegevens heeft verkregen. Zo heeft verweerder niet nader onderzocht of er bij X nog andere werknemers in dienst waren en of ook die geen betalingen meer hebben ontvangen of hoe de finan-

ciële positie van X toen was.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder gelet op hetgeen eiser ter staving van zijn standpunt had aangevoerd meer onderzoek dienen te verrichten dan hij heeft gedaan alvorens tot zijn bestreden besluit te komen.

Van eiser kon in de gegeven situatie moeilijk worden gevergd dat hij nog meer feiten en omstandigheden ter staving van zijn standpunt zou hebben aangevoerd. Verweerder daarentegen heeft en had vanuit zijn positie meer mogelijkheden om nader gegevens te verkrijgen dan eiser. Bovendien was verweerder via de heer Krist de naam van de accountant te weten gekomen zodat verweerder in de gelegenheid verkeerde om via deze meer duidelijkheid over de financiële positie van X omtrent april 1995 te verkrijgen. De rechtbank kan de kennelijke opvatting van verweerder dat het in zijn algemeenheid en ook in concreto volledig aan eiser is om aan te tonen dat er sprake is van blijvende betalingsonmacht niet onderschrijven.

Dit betekent dat verweerders besluit om de reden dat het niet zorgvuldig is voorbereid niet in stand gelaten kan worden."

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, nu er geen sprake was van faillissement of van surséance van betaling, het primair aan gedaagde is om aannemelijk te maken dat de werkgever blijvend was opgehouden te betalen en dat er derhalve sprake was van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil. Volgens appellant duidt de situatie veeleer op betalingsonwil dan op betalingsonmacht, omdat X, ex-direkteur van X, de vordering van gedaagde heeft betwist. Volgens deze C zou het dienstverband niet op 2 januari 1995, maar eerst op 24 januari 1995 zijn aangevangen, zodat het ontslag tijdens de proeftijd had plaatsgevonden.

Appellant heeft er voorts op gewezen dat de in hoofdstuk IV van de WW opgenomen regeling moet worden gezien als het laatste redmiddel voor de werknemer om het niet betaalde loon alsnog betaald te krijgen. Gelet daarop mag, aldus appellant, van de werknemer verlangd worden dat hij al het mogelijke doet om het loon op een andere wijze betaald te krijgen. Volgens appellant had gedaagde zijn vordering in een procedure op ex-direkteur C moeten verhalen.

Wat betreft de laatstvermelde grief overweegt de Raad dat gedaagde er terecht op heeft gewezen dat hij niet in dienst was bij C persoonlijk, maar bij X, waarbij nog moet worden aangetekend dat gedaagde pogingen heeft ondernomen met C in contact te treden. Nu appellant desgevraagd niet heeft kunnen aangeven op basis van welke rechtsgrond gedaagde voornoemde C zou kunnen aanspreken, zal de Raad daar verder aan voorbij gaan.

De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het, gezien het karakter van de in hoofdstuk IV van de WW opgenomen regeling, in eerste instantie aan de werknemer is om aannemelijk te maken dat zijn werkgever in een blijvende toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen. Maar dat uitgangspunt ontslaat appellant niet van de verplichting om, indien de door de werknemer verstrekte gegevens wijzen in de richting van betalingsonmacht, zelf zonodig aanvullend onderzoek te doen om terzake helderheid te verkrijgen.

Dat de ex-directeur van X de vordering van gedaagde betwist zou kunnen duiden op betalingsonwil, maar de Raad moet daarnaast constateren dat de gegevens die gedaagde omtrent zijn werkgever heeft verzameld onmiskenbaar wijzen in de richting van een werkgever die heeft opgehouden te bestaan, en die derhalve niet meer betaalt. Verder is van belang dat de vordering van gedaagde

-althans voor zover het de normale loonbetaling betreft- gelet op de door gedaagde in het geding gebrachte, door hem en zijn werkgever ondertekende, arbeidsovereenkomst, niet zonder meer als kwestieus is te beschouwen.

Uitgaande van die gegevens heeft appellant dan ook terecht een nader onderzoek ingesteld bij de ex-directeur van X. Dat onderzoek is afgerond met enige afspraken omtrent gegevens die meergenoemde C nog aan appellant zou verstrekken. Uit de gedingstukken blijkt niet dat die informatie is verstrekt. Evenmin heeft appellant voor de hand liggende stappen genomen als het doen van navraag bij de fiscus dan wel de accountant van X, wiens naam inmiddels aan appellant bekend was.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant nader onderzoek had dienen te verrichten en dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en om die reden niet in stand kan blijven.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij door de rechtbank ten onrechte is veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand. Volgens appellant is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand geen sprake, en wel omdat Maessen de leden van de NVB belangeloos bijstaat.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de aangevochten proceskostenveroordeling terecht uitgesproken. De Raad acht in dit verband van belang dat de NVB als zodanig door gedaagde is gemachtigd om hem te vertegenwoordigen. De door de NVB aan gedaagde verleende rechtsbijstand is naar het oordeel van de Raad aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763). De Raad acht niet van belang dat de rechtsbijstand namens de NVB is verleend door P.L.E. Maessen, vrijwilliger bij deze organisatie, aangezien het punt van de interne rechtsverhouding en de personen die voor haar werkzaam zijn, los staat van de vraag of door de NVB beroepsmatig

rechtsbijstand is verleend. Verder staat voor de Raad genoegzaam vast dat gedaagde voor het verlenen van deze rechtsbijstand op enigerlei wijze vergoeding aan de NVB is verschuldigd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op ¦ 1.420,-- voor verleende

rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot ¦ 1.420,--;

Verstaat dat van appellant een recht van ¦ 675,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en

mr J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van A.M.T. Janmaat als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 1999.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A.M.T. Janmaat.