Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-1999
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
97/10183 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/206 met annotatie van Red
USZ 1999/248 met annotatie van Marijke Fleuren, universitair docent Universiteit Leiden

Uitspraak

97/10183 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 13 augustus 1997 door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gewezen uitspraak, welke betrekking heeft op een geschil tussen partijen inzake de uitvoering van de Werkloosheidswet (hierna: WW).

Namens gedaagde heeft mr P.H.E. Voûte, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het geding is met een aantal soortgelijke gedingen gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 1 juni 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr W.M.J. Evers, werkzaam bij Gak Nederland bv en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigden mr Voûte, voornoemd, alsmede haar kantoorgenoot mr C.E.M.M. de Bruijn en ir B.C.A. Nooijen, werkzaam bij de Stichting Uittreding Havenbedrijven.

Ter voormelde zitting heeft appellant in een tweetal aan de orde gestelde gedingen zijn hoger beroep ingetrokken, terwijl de behandeling van een andere zaak is aangehouden. Na afloop van de gevoegde behandeling ter zitting zijn de resterende

gedingen -de betreffende zaaknummers en de namen en woon-plaatsen van de betrokkenen staan vermeld op de aan deze ./. uitspraak gehechte bijlage- weer gesplitst en wordt hierin afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de WW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde, geboren in 1940, is vanaf 12 oktober 1959 werkzaam geweest bij B.V. X te Y (hierna X), laatstelijk in de functie van besturend medewerker. Aan dit dienstverband is op 7 augustus 1995 een einde gekomen, doordat gedaagde gebruik heeft gemaakt van de uittredingsregeling, zoals opgenomen in het op 21 november 1993 gesloten akkoord tussen werknemers- en werkgeversorganisaties in de Amsterdamse en Rotterdamse havens. Op grond van dit zogenoemde Havenakkoord konden bepaalde groepen werknemers, die van de regeling gebruik maakten, onder meer aanspraak maken op een aanvulling op de WW-uitkering. Voor nadere feiten en omstandigheden met betrekking tot de totstandkoming van deze uittredingsregeling alsmede de gevolgen die deze regeling heeft gehad voor de uitvoering van de WW ten aanzien van werknemers die van de regeling gebruik hebben gemaakt en vervolgens een WW-aanvraag hebben ingediend, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 2 juni 1998, waarvan er enkele zijn gepubliceerd, onder meer in RSV 1998/248, 249 en 250.

Appellant heeft de wijze waarop aan de dienstbetrekking tussen gedaagde en X een einde is gekomen -hoewel feitelijk gegoten in de vorm van een beëindiging met wederzijds goedvinden- gelet op de onderliggende omstandigheden aangemerkt als een ontslagneming als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW en gedaagde op grond daarvan verwijtbaar werkloos geacht. Om die reden heeft appellant bij primair besluit van 3 oktober 1995 op de bij dat besluit met ingang van 8 augustus 1995 aan gedaagde toegekende WW-uitkering een sanctie toegepast van 30% gedurende 21 weken. Bij het bestreden besluit van 1 april 1996 is het tegen deze sanctie ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant bevoegd was een sanctie op te leggen, omdat gedaagde verwijtbaar werkloos is te achten. De wijze waarop appellant van zijn sanctiebevoegdheid gebruik heeft gemaakt, kon de toets van de rechtbank echter niet doorstaan. De rechtbank heeft daartoe -samengevat- overwogen dat er sprake was van een te categorische sanctietoepassing, zonder inachtneming van alle relevante factoren van het individuele geval.

Het hoger beroep van appellant spitst zich toe op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wijze waarop van de sanctiebevoegdheid gebruik is gemaakt.

Gedaagde heeft in verweer de verwijtbaarheid van zijn werkloosheid betwist.

Omtrent de toepassing van artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW overweegt de Raad het volgende.

Gedaagde is door of namens zijn werkgever benaderd om deel te nemen aan de uittredingsregeling.

Gedaagde heeft blijkens het intake-formulier verklaard dat hij in beginsel de vrije keus had om al dan niet van de uittredingsregeling gebruik te maken. Onder meer als gevolg van automatisering was er een te veel aan werknemers. Om gedwongen ontslag in de toekomst te voorkomen heeft gedaagde van de uittredingsregeling gebruik gemaakt.

Bij het verweerschrift is namens gedaagde nog aangevoerd dat gedaagde tot 1993 werkzaam was als zware vorktruckrijder. Vanwege het feit dat hij die functie niet meer aankon is gedaagde als lichte vorktruckrijder ingeschaald. De door gedaagde in dit verband gevolgde opleiding is in juli 1993 gestaakt omdat gedaagde volgens de instructeurs ongeschikt was.

De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde na juli 1993 wel in dienst van X is gebleven en dat op geen enkele wijze is gebleken dat gedaagde, zoals namens hem ter zitting is gesteld, niet langer gewenst was bij inleners van X. Niet is komen vast te staan dat gedaagde de laatste twee jaren van zijn dienstverband met X niet op een aanvaardbare wijze heeft kunnen functioneren. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde ook overigens op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij niet langer in staat zou zijn om zijn werkzaamheden voort te zetten.

Tenslotte heeft gedaagde betoogd dat, om te komen tot een grotere inzetbaarheid van het personeel van X, functies in elkaar werden geschoven tot een soort multi-functie en dat daarnaast door X van zijn werknemers een grote mate van flexibiliteit werd gevergd.

De Raad overweegt hieromtrent dat blijkens het verweerschrift van gedaagde deze omvorming eerst per 1 juni 1998 is voltooid.

De Raad is van oordeel dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat X, indien gedaagde in augustus 1995 niet accoord zou zijn gegaan met deelneming aan de uittredingsregeling, binnen afzienbare tijd een ontslagvergunning zou hebben aangevraagd en verkregen. Appellant heeft in dit kader terecht nog gewezen op de anciënniteit van gedaagde.

Gezien het vorenstaande was het naar het oordeel van de Raad in feite aan gedaagde om al dan niet van de uittredingsregeling gebruik te maken en daarmee te komen tot beëindiging van het dienstverband. Dat gedaagde door de werkgever onder druk zou zijn gezet en zich ook overigens ten opzichte van zijn jongere collega's moreel verplicht voelde van de uittredingsregeling gebruik te maken, ziet de Raad, vanuit het oogpunt van toepassing van de WW, niet als een zodanig bezwaar dat van hem niet gevergd zou kunnen worden het dienstverband voort te zetten, terwijl ook anderszins niet van zodanige bezwaren is gebleken.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW. Appellant was derhalve op grond van artikel 27 van de WW bevoegd een sanctie te treffen.

Appellant heeft met toepassing van het door de toenmalige Sociale Verzekeringsraad vastgestelde Besluit Sanctietoepassing Werkloosheidswet (Stcrt. 1994,61) en het ter uitvoering van dat Besluit door appellant vastgestelde sanctiebeleid (Besluit van 9 juni 1994, Stcrt. 1994,120, zoals sedertdien gewijzigd) een sanctie opgelegd van 30% gedurende 21 weken. Appellant is er daarbij van uitgegaan dat er voor gedaagde geen acute noodzaak bestond om het dienstverband te beëindigen, terwijl gedaagde bovendien niet in voldoende mate inspanningen heeft gedaan om zijn werkloosheid te voorkomen.

In zijn uitspraak van 2 juni 1998, RSV 1998/248, heeft de Raad uitgesproken het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de te categorische sanctietoepassing niet te kunnen onderschrijven. Voor de overwegingen, die tot dat standpunt hebben geleid, verwijst de Raad naar die uitspraak.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellant in zoverre doel treft.

De Raad is voorts van oordeel dat de hier aan de orde zijnde sanctie ook overigens niet in strijd is met enige regel van geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De Raad onderschrijft de door appellant aangenomen uitgangspunten en acht voorts in het bijzonder van belang dat gedaagde, gelet op zijn leeftijd en de kansen op de arbeidsmarkt, bewust het risico van langdurige werkloosheid heeft genomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover aangevochten, de rechterlijke toetsing kan doorstaan, zodat dit besluit in zoverre ten onrechte is vernietigd.

Nu gedaagdes gemachtigde aan de Raad heeft medegedeeld dat zij geen verzoek doet tot vergoeding van proceskosten, behoeft de Raad op dit aspect niet verder in te gaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr P.H. Hugenholtz als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 1999.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) D. Nebbeling.