Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-1999
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
97/12255 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 217
USZ 1999/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/12255 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In dit geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij brief van 15 november 1996 is namens gedaagde aan appellant medegedeeld dat zijn verzoek d.d. 14 november 1996 om een voor beroep vatbare beslissing op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van een vanwege gedaagde gegeven oordeel inzake de arbeidson-geschiktheid van appellant wordt afgewezen.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5 november 1997 het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op de door zijn gemachtigde mr M.Y. Raven, advocaat te 's-Gravenhage, bij aanvullend beroepschrift van 8 april 1998 nader aangevoerde gronden. Verzocht is de aangevallen uitspraak te vernietigen en te bepalen dat appellant alsnog een Ziektewet-uitkering zal ontvangen vanaf 17 september 1996.

Bij verweerschrift van 28 mei 1998 heeft gedaagde verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 maart 1999, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen en gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E. van Daatselaar, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Dit geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de ZW zoals deze wet sedert 1 maart 1996 luidt.

Appellant is na een ziekmelding op 9 juli 1996 door een arts van de Arbodienst Prevend Arbo Services hersteld verklaard voor zijn werkzaamheden als schooonmaker van treinen. Naar aanleiding van een verzoek van appellant om een zogenaamd second opinion onderzoek heeft de verzekeringsarts van gedaagde, P. Momberg, op 18 oktober 1996 geoordeeld dat appellant per 17 september 1996 weer geschikt was voor het verrichten van zijn werk. Namens appellant is vervolgens bij brief van 14 november 1996 aan gedaagde gevraagd om terzake een voor beroep vatbare beslissing af te geven, welke verzoek bij brief van 15 november 1996 is afgewezen.

De rechtbank heeft - kort weergegeven - het standpunt ingenomen dat het oordeel van de verzekeringsarts over appellants ongeschiktheid geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb oplevert en dat daartegen geen beroep openstaat. Volgens de rechtbank had gedaagde aan appellant weliswaar schriftelijk moeten meedelen dat hij het oordeel van de verzekeringsarts overnam, maar ook een dergelijk schrijven zou niet als een besluit in de zin van de Awb kunnen worden beschouwd. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb is de rechtbank aan dit verzuim voorbijgegaan, waarna het beroep ongegrond is verklaard.

In hoger beroep is van de zijde van appellant staande gehouden dat sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. In dit verband is aangevoerd dat een oordeel over het al dan niet voortbestaan van arbeids-ongeschiktheid gevolgen kan hebben voor eventuele aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of vangnetbepalingen van de Ziektewet.

De Raad overweegt het volgende.

Sedert de inwerkingtreding op 1 maart 1996 van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Stb. 1996, 141) is het risico van ziekteverzuim met uitzondering van enkele groepen waarvoor de Ziektewet van toepassing blijft, bij de werkgever komen te liggen. Met het oog daarop is artikel 1638c van het Burgerlijk Wetboek (BW) gewijzigd in die zin, dat de werknemer in geval van verhindering de bedongen arbeid te verrichten door ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht houdt op 70% van het loon, maar tenminste op het voor hem geldende minimumloon.

Krachtens artikel 1638ca, eerste lid, van het BW wijst de rechter een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 1638c af, indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door de bedrijfsvereniging waarbij de werkgever is aangesloten, omtrent de verhindering van de arbeider om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten.

Ingevolge artikel 56a van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) heeft de bedrijfsvereniging tot taak op verzoek van een bij haar aangesloten werkgever onderscheidenlijk een tot die werkgever in dienstbe-trekking staande werknemer, een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven over het bestaan van ongeschikt-heid tot werken, indien de werknemer een geschil heeft met de werkgever over de ongeschiktheid tot werken. De bedrijfsvereniging kan voor dit onderzoek kosten in rekening brengen bij de werkgever of de werknemer die om dit onderzoek heeft verzocht.

Artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat beroep slechts mogelijk is tegen een besluit. Ingevolge artikel 1:3 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudend een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De Raad is, evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verklaring over de ongeschiktheid van appellant van de verzekeringsarts Momberg, welke een verklaring is als bedoeld in artikel 56a van de OSV, niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Deze verklaring brengt immers geen publiek-rechtelijke rechtsgevolgen in de verhouding tussen appellant en gedaagde mee, maar is een vereiste in het kader van de civielrechtelijke loonvorderingsprocedure tussen appellant en zijn werkgever. De juistheid van een dergelijke verklaring kan uitsluitend in die procedure bestreden worden.

De Raad voegt hieraan toe, dat de brief van 15 november 1996, waarbij appellants verzoek om een voor beroep vatbare beslissing is afgewezen, in feite een weigering inhoudt om het oordeel van de verzekeringsarts in een besluit om te zetten. Deze weigering kan echter niet met toepassing van artikel 6:2 van de Awb met een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden gelijkgesteld, aangezien inwilliging van het verzoek van appellant evenmin had kunnen resulteren in een beslissing met publiekrechtelijke rechtsgevolgen.

Gezien het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank niet bevoegd was om te oordelen over de rechtmatigheid van de brief van 15 november 1996. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking, waarbij de Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

Gezien hetgeen is hiervoor is overwogen acht de Raad geen termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen kosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de rechtbank onbevoegd.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr Chr. van Voorst en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 1999.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.