Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-1999
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
97/12191 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 4
Coördinatiewet Sociale Verzekering 6
Coördinatiewet Sociale Verzekering 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/263
RSV 1999, 299

Uitspraak

97/12191 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

B.V. X, gevestigd te Y, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfs-vereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellante is bij gemachtigde M.H.G.A. Vink, werkzaam bij Ernst & Young, belastingadviseurs te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift van 25 maart 1998 aangegeven gronden, in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 9 december 1997 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is bij schrijven van 28 mei 1998 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juni 1999, waar appellante, zoals tevoren bericht, niet is verschenen, terwijl gedaagde, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.M. Staalenhoef, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, de volgende feiten:

"Eiseres is een dochterondernmeing van Beheersmaat-schappij Q B.V.. In 1992 heeft eiseres een achtdaagse reis naar Kreta georganiseerd voor haar werknemers en hun partners. De werknemers konden uitsluitend kiezen tussen wel of niet mee-gaan. Indien ze niet meegingen kregen ze er niets anders voor in de plaats. Naast de directeur van eiseres en zijn echtgenote -tevens werkzaam voor eiseres- hebben negen werknemers aan de reis deelgenomen, waarvan vijf werknemers werden vergezeld door hun partner. Een werknemer is niet meegegaan. De reis heeft geduurd van 16 april 1992 tot 24 april 1992. Twee echtparen zijn op eigen kosten een week langer gebleven. De kosten van de reis bedroegen f 1.385,-- per persoon voor de reis en het verblijf op basis van halfpension. Daarnaast heeft eiseres een bedrag betaald van f 92,-- per persoon voor lunches en drankjes overdag. De overige kosten zijn voor rekening van de deelnemers gekomen.

In 1994 heeft de Belastingdienst/Ondernemingen Amersfoort een deelonderzoek verricht naar de door eiseres bekostigde reizen voor haar werknemers in het jaar 1992. Hiervan is d.d. 12 juli 1994 verslag gedaan.

Verweerder heeft het bedrag van de reissom alleen als loon beschouwd voor de vier werknemers met een salaris hoger dan f 50.000,-- per jaar.

Als gevolg hiervan heeft verweerder, gebruikmakend van de resultaten van het hiervoor vermelde onderzoek, eiseres bij correctienota van 5 januari 1995 over het jaar 1992 een naheffing opgelegd van f 1.400,-- wegens geconstateerde loonverschillen in dat jaar ad f 5.540,--.

Namens eiseres is tegen deze correctienota, het primaire besluit, bij schrijven van 27 januari 1995 bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de correctienota gehandhaafd.

Verweerder is van mening dat de door eiseres voor de vier onderhavige werknemers betaalde reiskosten als loon in natura van deze werknemers moet worden aangemerkt, waarover derhalve premies moeten worden geheven.

Eiseres stelt zich -kort samengevat- op het standpunt dat de reis voornamelijk een zakelijk karakter had, waardoor het niet tot het loon dient te worden gerekend. Het was een reis die ten doel had om de samenwerking tussen medewerkers van de binnen- en de buitendienst te verbeteren. Er vonden dagelijks besprekingen plaats. Het reisschema was niet naar eigen inzicht in te vullen. Subsidiair stelt eiseres dat uitgegaan moet worden van het bedrag aan besparing, waarbij eiseres opmerkt dat het bestedingspatroon van de werknemers inzake vakantiereizen in 1992 niet heeft afgeweken van andere jaren. Meer subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag aan besparing maximaal f 25,-- per persoon per dag heeft bedragen."

De rechtbank heeft, oordelend over de waarde van de door appellante betaalde reis naar Kreta, met toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering (CSV), alsmede de richtlijnen zoals deze zijn neergelegd in de circulaire van de voormalige Sociale Verzekeringsraad van 20 december 1991, nr. 976, deze waarde bepaald op 100%.

In hoger beroep is in geding de waardering van de onderhavige reis (de reiskosten terzake) naar Kreta.

Hierbij merkt de Raad op dat gedaagde blijkens zijn verweerschrift de premienota's terzake van het nageheven loon alsnog heeft teruggebracht tot een bedrag van f 262,--, het in geld genoten voordeel dat één werknemer van appellante terzake van de reis naar Kreta zou hebben genoten, zodat reeds daarom het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt het volgende.

Van de kant van appellante is in de eerste plaats betoogd dat sprake is van een reis met een zakelijk karakter. De Raad laat daar wat er van dit betoog is, nu voor de toepassing van de CSV dit betoog relevantie mist. De CSV bepaalt immers in artikel 4 dat loon is al hetgeen uit dienstbetrekking is genoten, terwijl in artikel 6 van de CSV de uitzonderingen op dit ruime loonbegrip zijn neergelegd. De Raad ziet niet in dat de onderhavige reiskosten zijn te schikken onder een der uitzonderingen als in laatstvermelde bepaling vermeld. Daarnaast is de Raad van oordeel dat appellante niet heeft onderbouwd dat sprake is van een reis met een puur zakelijk karakter.

Vervolgens heeft appellante betoogd dat de waardering van het onderhavige niet in geld genoten voordeel dient te leiden tot een besparing van nihil, dan wel 50%.

Evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat de betaling van de kosten van de reis naar Kreta door appellante, is aan te merken als loon in natura, en dat derhalve de waarde, aangezien de reis niet te gelde kon worden gemaakt, dient te worden gesteld op het bedrag van de besparing. De rechtbank heeft het bedrag van de besparing vastgesteld op 100% van het bedrag van de reiskosten.

De Raad is van oordeel dat het bedrag van de besparing aldus te hoog is vastgesteld. Niet uit het oog mag worden verloren dat deelname aan een reis als de onderhavige toch een min of meer verplicht karakter heeft. Bovendien vormt naar het oordeel van de Raad de omstandigheid dat de werknemer gedurende een week met zijn collega's op stap is, toch ook een factor die de waarde van de besparing negatief beïnvloedt. De Raad ziet in het voorgaande grond om de waarde van de besparing ex aequo et bono vast te stellen op 50%.

De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat gedaagde de onderhavige voordelen ten onrechte heeft gewaardeerd op 100%.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg ten bedrage van f 1.420,-- en in hoger beroep ten bedrage van f 710,--.

Voorts dient gedaagde aan appellante het van haar in eerste aanleg en in hoger beroep geheven griffierecht te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante ten bedrage van in totaal f 2.130,--;

Gelast dat gedaagde aan appellante het griffierecht ten bedrage van in totaal f 1.030,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr R.C. Schoemaker als voorzitter en mr H.C. Cusell en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 1999.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Huls.

Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 6a, 7 en 8 van die wet.

Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.