Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-1999
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
98/2018 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Ziektewet
Ziektewet 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Ziekenfondswet
Ziekenfondswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/260 met annotatie van A. Moesker

Uitspraak

98/2018 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

X. Beheer B.V., gevestigd te B., appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 april 1997 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van zijn op bezwaar gegeven besluit inzake een voorschotnota sociale verzekeringen over 1996.

De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 2 februari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Vanwege appellante is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op de gronden, uiteengezet in aanvullend beroepschriften d.dis 29 mei 1998 en 15 juni 1998.

Onder dagtekening 7 september 1998 is van de zijde van gedaagde een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 mei 1999, waar namens appellante is verschenen

mr E.R. Maas, als belastingadviseur werkzaam bij

Paardekoper & Hoffman Belastingadviseurs te Rotterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr M.A.J. Berkers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Omtrent de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden overweegt de Raad het volgende.

Tot 1 januari 1991 exploiteerde C., wonende te D. en geboren in 1931 (hierna: C.) een installatiebedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

Vanaf eerstgenoemd tijdstip werd de onderneming uitgeoefend in het kader van een vennootschap onder firma, waarin naast C., E. en F., beiden te G. (hierna: het echtpaar H.), als vennoten deelnamen.

Per 1 januari 1993 werd de rechtsvorm van de onderneming omgezet in die van een commanditaire vennootschap, waarin C., die zich vanwege zijn leeftijd had teruggetrokken uit de bedrijfsvoering, commanditair vennoot was.

Op 30 maart 1995 hebben C. en het echtpaar H. de appellerende besloten vennootschap -X. Beheer B.V.- opgericht, in welke besloten vennootschap voormelde onderneming volledig werd ingebracht. Daarbij is gebruik gemaakt van de fiscale faciliteit van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Voor deze zogeheten geruisloze inbreng was vereist dat alle vermogensbestanddelen in de vennootschap werden ingebracht en dat de vennoten in eenzelfde verhouding als voorheen zouden participeren in het aandelenkapitaal. Voorts gold daarbij de voorwaarde dat de aandelen gedurende een termijn van drie jaar niet zouden worden vervreemd.

In het geplaatste aandelenkapitaal nam C. deel met 3.850 cumulatief preferente aandelen van 7% en 150 gewone aandelen, en nam het echtpaar H. deel met 3150 gewone aandelen. C. had, zoals bepaald in artikel 14 van de oprichtingsakte van appellante, in verband met het bezit van evengenoemde cumulatief preferente aandelen (waarvan de waarde overeenkwam met de waarde van het door hem ingebrachte bedrijfspand, die op het tijdstip van inbreng f 385.000,-- bedroeg) recht op een jaarlijkse uitkering uit de winst van 7% van genoemd bedrag. Bij de verdeling van de winst gaat de uitkering op genoemde preferente aandelen vóór op uitkeringen op gewone aandelen, terwijl de omstandigheid dat het cumulatief preferente aandelen zijn, betekent dat het recht op uitkering blijft bestaan indien in een jaar geen winst is behaald of de winst niet toereikend is voor toekenning van een dergelijke uitkering.

Op 11 april 1995 hebben C. en het echtpaar H., beiden directeur van appellante, een samenwerkingsovereenkomst gesloten, welke er onder meer op was gericht de continuïteit van de arbeidsovereenkomsten tussen appellante en het echtpaar H. te verzekeren gedurende de samenwerking tussen partijen, die -zoals in eerstgenoemde overeenkomst nader is aangegeven- was beoogd voor een tijdvak van drie jaar.

Het echtpaar H. heeft na het verstrijken van die periode de aandelen van C. overgenomen.

De rechtbank heeft, evenals gedaagde, geoordeeld dat er sprake is van een gezagsrelatie tussen appellante en het echtpaar H.. Daartoe is in aanmerking genomen dat aan het echtpaar H. op basis van hun aandelenbezit geen doorslaggevende stem toekomt in de algemene aandeelhoudersvergadering van appellante. Aan deze statutaire positie van ondergeschiktheid doet naar het oordeel van de rechtbank niet af de omstandigheid dat C. ondanks zijn statutaire machtspositie feitelijk geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering en bij de oprichting van appellante om fiscale redenen (tijdelijk) voor zijn aandelenbezit heeft geopteerd. Ook in de tussen C. en het echtpaar H. gesloten samenwerkingsovereenkomst acht de rechtbank geen beletsel gelegen om ten aanzien van het echtpaar H. een positie van ondergeschiktheid aan te nemen, zulks mede omdat die overeenkomst onverlet laat dat C., vanuit vennootschappelijk oogpunt bezien, de macht over de door hem in de algemene aandeelhoudersvergadering uit te brengen stem volledig behoudt.

Van de zijde van appellante is betoogd dat er onvoldoende materiële aanwijzingen zijn voor het aanwezig achten van een gezagsrelatie tussen appellante en het echtpaar H. Daartoe is onder meer het volgende naar voren gebracht.

Vóór de oprichting van appellante op 30 maart 1995, alsmede na eerdervermelde verkrijging van de aandelen van C., was er ten aanzien van het echtpaar H. geen sprake van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking.

De hiervoor omschreven -als tijdelijk beoogde- samenwerking met C. in de periode, gelegen tussen 30 maart 1995 en het tijdstip van overname van de aandelen van C., leverde met betrekking tot de bedrijfsvoering, die reeds geheel in handen lag van het echtpaar H., geen verschil op ten opzichte van de situatie welke in het kader van de commanditaire vennootschap bestond vóór 30 maart 1995.

Alleen in verband met de fiscale faciliteit van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft eerderomschreven verdeling van de aandelen plaatsgevonden. Blijkens de toedeling van voornoemde cumulatief preferente aandelen aan C., was het deze aandeelhouder, die zich reeds eerder had teruggetrokken uit de bedrijfsvoering, slechts om te doen gedurende de periode waarin hij nog in de vennootschap zou participeren, een zo zeker mogelijk rendement van zijn geïnvesteerde vermogen te verkrijgen.

Dat C. de bedrijfsvoering en het bestuur van appellant in feite geheel had overgelaten aan het echtpaar H. en daarop geen invloed wenste uit te oefenen, blijkt voorts uit eerdergenoemde samenwerkingsovereenkomst.

Met betrekking tot de in dit geding aan de orde zijnde vraag of er tussen appellante en het echtpaar H. een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, waarbij met name de aanwezigheid van een gezagsverhouding aan de orde is, overweegt de Raad het volgende.

Indien -zoals in het onderhavige geval- een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, de schorsing en -in het bijzonder- het ontslag van directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat zij of hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.

Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan voor het aanwezig achten van een zodanige uitzonderingssituatie.

De Raad is van oordeel dat de hiervoor weergegeven betrekkingen en afspraken tussen de aandeelhouders van appellante in de periode hier in geding niet behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de door belanghebbenden beoogde of verwachte situatie, het echtpaar H. zou worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van C.

De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de hiervoor genoemde samenwerkingsovereenkomst niet kan leiden tot een andersluidende opvatting, aangezien deze overeenkomst voor de vennootschappelijke verhoudingen geen beslissende betekenis heeft.

Aangezien de Raad ook overigens geen grond heeft kunnen vinden om het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in eerdervermelde zin in twijfel te trekken, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr B.J. van der Net, als voorzitter en door mr H.C. Cusell en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr drs A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 1999.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.M. Overbeeke.