Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-1999
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
98/5150 ABW, 98/6297 ABW, 98/6298 ABW, 98/6299 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 39, geldigheid: 1999-11-23
Algemene bijstandswet 6, geldigheid: 1999-11-23
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 1999-11-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2000/6
RSV 2000, 35
JABW 2000, 37

Uitspraak

98/5150 ABW

98/6297 ABW

98/6298 ABW

98/6299 ABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

drs A., wonende te B., appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 26 mei 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 11 mei 1999

enige stukken in het geding gebracht.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 oktober 1999, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot het geding nr 98/5150 ABW

Bij het bestreden besluit van 20 maart 1997 heeft gedaagde het door appellant ingediende bezwaar tegen gedaagdes besluit van 29 november 1996 tot toekenning van bijzondere bijstand van maximaal f 408,-- voor vergoeding van de kosten van de glazen van een bril ongegrond verklaard.

Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen, waarbij voor eiser en verweerder dient te worden gelezen appellant en gedaagde:

"Naar het oordeel van de rechtbank kan van verweerder niet worden gevergd de vergoeding op een nog hoger bedrag te stellen nu dit hogere bedrag uitsluitend samenhangt met eisers keuze voor dunnere en ontspiegelde glazen.

Eiser legt in zijn grieven tegen besluit IV de nadruk op de subjectieve beleving casu quo de psychologische problemen welke hij zou ondervinden bij het dragen van een bril met dikke glazen. Voor zover eiser daarmee beoogt te betogen dat de psychologische problemen voeren tot een medische noodzaak tot het dragen van een bril met dunne, ontspiegelde glazen, had het naar het oordeel van de rechtbank op eisers weg gelegen ten minste een aanzet tot bewijsvoering op dit punt te leveren. Nu deze geheel ontbreekt heeft verweerder dan ook kunnen concluderen dat ter zake een medische noodzaak niet aanwezig is. Daarbij heeft de rechtbank nog overwogen dat een enkele - op geen enkele wijze onderbouwde - stelling verweerder niet behoeft te nopen daarnaar nader onderzoek te (doen) verrichten.".

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend. Hiertoe onderschrijft hij de hierboven weergegeven overwegingen uit de aangevallen uitspraak. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid.

Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de Raad in dit geding geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met betrekking tot de gedingen nrs 98/6297 t/m 98/6299 ABW

Appellant heeft op 24 oktober 1996 en op 22 januari 1997 bij gedaagde aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in vijf administratiefrechtelijke beroepszaken betreffende diverse geschillen met betrekking tot het recht op bijstand van appellant.

Bij besluiten van 3 december 1996 respectievelijk

5 februari 1997 heeft gedaagde deze aanvragen afgewezen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij de bestreden

besluiten van 20 maart 1997, kenmerk B&B/88544700/B9771177,

respectievelijk van 27 maart 1997 die afwijzing gehandhaafd.

Appellant heeft op 24 november 1996 gedaagde verzocht hem bijstand te verlenen in de kosten van de eigen bijdrage ad f 110,--, verschuldigd in verband met de verlening van rechtsbijstand voor het voeren van verweer in een door zijn voormalige echtgenote aangespannen kort geding.

Bij besluit van 27 december 1996 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit van 20 maart 1997, kenmerk B&B/88544700/B9771995, ongegrond verklaard.

De tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen zijn door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten van 20 maart 1997, kenmerk B&B/88544700/B9771177 en B&B/88544700/B9771995, en van

27 maart 1997 in rechte stand kunnen houden. Anders dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Gedaagde heeft de onderhavige aanvragen afgewezen op de grond dat kosten van rechtsbijstand en griffierecht behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die moeten worden voldaan uit het inkomen. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat slechts bijzondere bijstand wordt verstrekt voor kosten van rechtsbijstand en griffierecht indien die kosten worden gemaakt in verband met voorwaarden, verbonden aan de uitkering, die gericht zijn op het verwerven of behouden van inkomsten. De door appellant te maken kosten zijn naar het oordeel van gedaagde geen bijzondere noodzakelijke kosten omdat zij geen betrekking hebben op de hiervoor beschreven voorwaarde. Daarnaast zijn er geen bijzondere individuele omstandigheden aanwezig die afwijking van de beschreven beleidsregel rechtvaardigen.

Met betrekking tot de eigen bijdrage terzake van rechtsbijstand heeft de Raad reeds eerder overwogen in zijn uitspraak van 30 maart 1999, gepubliceerd in AB 1999,245 en USZ 1999/142, dat onder bepaalde omstandigheden de kosten van een procedure die de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor eigen rekening laat (zoals de eigen bijdrage) tot de bijzondere noodzakelijke kosten dienen te worden gerekend die redelijkerwijs niet uit de verstrekte uitkering en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Daarbij heeft te gelden dat indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand is verleend, in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp kan worden aangenomen.

In het spoor van voormelde uitspraak merkt de Raad vervolgens op dat de in gedaagdes beleidsregel neergelegde categoriale beperking tot de kosten van daarin vermelde gerechtelijke procedures in strijd is met artikel 6, aanhef en onder b, en artikel 39, eerste lid, van de Abw, omdat daarmee wordt miskend dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand in beginsel ook kan worden aangenomen indien op grond van de Wrb een toevoeging is verleend ter zake van andere in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen dan het verwerven of behouden van inkomsten.

Ook met betrekking tot de kosten van griffierecht is de Raad in de lijn van hetgeen hij hiervoor heeft overwogen van oordeel dat de in gedaagdes beleidsregel neergelegde categoriale beperking tot de kosten van daarin vermelde gerechtelijke procedures in strijd is met artikel 6, aanhef en onder b, en artikel 39, eerste lid, van de Abw. Ook andere in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen dan het verwerven of behouden van inkomsten kunnen voor een betrokkene aanleiding geven tot het entameren van een gerechtelijke procedure, dan wel tot het voeren van verweer, teneinde deze belangen veilig te stellen. De Raad vermag niet in te zien dat in casu voor de voor de onderhavige procedures te maken kosten van griffierecht de noodzaak in beginsel niet kan worden aangenomen. Van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de Raad niet gebleken.

Gelet op de feitelijke situatie waarin appellant zich bevond, is de Raad van oordeel dat deze kosten gerekend moeten worden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan waarvan niet gezegd kan worden dat deze konden worden voldaan uit de hem toegekende uitkering en de aanwezige draagkracht.

Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde heeft vastgesteld dat ten tijde in geding bij appellant geen draagkracht aanwezig was en dat het zogeheten drempelbedrag reeds is verrekend. Derhalve dient voor de onderhavige aanvragen terzake van de eigen bijdrage ad f 110,-- en het griffierecht van in totaal f 250,-- bijstand te worden verleend.

Gelet hierop kunnen de hier besproken bestreden besluiten van 20 en 27 maart 1997 niet in stand blijven. Derhalve komt de aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Gedaagde dient opnieuw met inachtneming van deze uitspraak op de hier besproken bezwaren te beslissen.

De Raad acht in deze gedingen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 63,-- aan reiskosten.

Beslist dient te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij ongegrond is verklaard het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten van 20 maart 1997,

kenmerk B&B/88544700/B9771177 en B&B/88544700/B9771995, en van 27 maart 1997;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond;

Vernietigt die bestreden besluiten;

Bepaalt dat gedaagde in zoverre alsnog beslist op appellants bezwaren tegen de besluiten van 3 en 27 december 1996 en van 5 februari 1997;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot f 63,--;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 165,-- in eerste aanleg en f 160,-- in hoger beroep, in totaal f 325,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr F.W. Houtman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) F.W. Houtman.