Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-10-1999
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
96/2245 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 161
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

96/2245 APPA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 24 januari 1996 heeft verweerder ten aanzien van eiser een besluit genomen ingevolge de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Dongeradeel.

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.

Na behandeling van het geding ter zitting van 3 september 1998, waar alleen eiser is verschenen, is het onderzoek heropend. In dat kader zijn aan verweerder bij brief van 10 september 1998 enige vragen voorgelegd, waarop namens verweerder bij brief van 7 januari 1999 is geantwoord.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op

25 februari 1999, waar eiser met bericht van verhindering niet is verschenen en verweerder, vanwege de Raad ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, zich heeft doen vertegenwoordigen door K. Kuiken, toen werkzaam bij de gemeente Dongeradeel.

Nadat het onderzoek wederom was heropend heeft de Raad bij brief van 7 april 1999 desgevraagd inlichtingen verkregen van het College van Gedeputeerde Staten van

Friesland.

Vervolgens heeft de Raad verdere behandeling van het geding ter zitting met toestemming van partijen achterwege gelaten.

II. MOTIVERING

De Raad stelt ten behoeve van zijn oordeelsvorming op grond van de gedingstukken en de behandelingen ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Eiser, geboren in 1929, is van 1 september 1970 tot 26 maart 1976 wethouder geweest van de voormalige gemeente Westdongeradeel. Aansluitend is hem tot 1 september 1981 een uitkering toegekend op grond van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van die gemeente, welke uitkering nadien tot 16 november 1994 is voortgezet wegens bij hem bestaande invaliditeit. Als gevolg van een gemeentelijke herindeling is de gemeente Westdongeradeel met ingang van 1 januari 1984 opgeheven en opgegaan in de gemeente Dongeradeel. Voor eiser heeft dit betekend dat zijn recht op uitkering van dat tijdstip af werd beheerst door de eveneens met ingang van laatstgenoemde datum in werking getreden Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Dongeradeel (hierna: de Verordening van 1984).

Met betrekking tot het aan eiser met ingang van 16 november 1994 toekomende pensioen is ten behoeve van verweerder door diens externe accountant, de VB-groep te Voorburg, een pensioenberekening opgesteld. Tegen deze berekening heeft eiser bij brief van 15 november 1994 ingebracht dat naar zijn opvatting ten onrechte de zogenoemde uitkeringstijd niet als voor pensioen tellende tijd is aangemerkt en voorts dat hem de wijze van inbouw van het algemeen ouderdomspensioen (AOW) in het wethouderspensioen als onjuist voorkwam. Verweerder heeft bij besluit d.d. 6 februari 1995 geweigerd het pensioen hoger vast te stellen dan door de VB-groep was geadviseerd. Tegen dit besluit heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt. Na inwinning van het advies van de gemeentelijke commissie voor de bezwaar- en beroepschriften heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de AOW-inbouw van eisers pensioen verlaagd; voor het overige is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Blijkens het verhandelde ter zitting van 3 september 1998 is tussen partijen alleen nog in geschil het antwoord op de vraag of verweerder op goede gronden de tijd van

26 maart 1976 tot 16 november 1994 niet heeft aangemerkt als voor pensioengeldige tijd.

De Raad overweegt het volgende.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van eiser toepassing gegeven aan de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van Dongeradeel, zoals deze door de raad van verweerders gemeente is vastgesteld in zijn vergadering van 28 oktober 1993 (hierna: de Verordening van 1993). Uit de desgevraagd van Gedeputeerde Staten van Friesland verkregen inlichtingen is evenwel gebleken dat, in tegenstelling tot hetgeen in de vanwege verweerder ingezonden stukken is vermeld, verzuimd is deze verordening aan genoemd provinciaal college ter goedkeuring voor te leggen, zulks in strijd met het bepaalde in artikel 161, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (verder: de APPA). Naar het oordeel van de Raad moet aan de Verordening van 1993 daarom verbindende kracht worden ontzegd. Dit brengt mee dat aan het bestreden besluit een niet verbindend wettelijk voorschrift ten grondslag is gelegd. Gezien de aard van die tekortkoming moet het bestreden besluit worden vernietigd.

Teneinde de rechtsstrijd te doen eindigen zal de Raad hiermee niet volstaan. De Raad is gebleken dat de Verordening van 1984 op 2 november 1984 door Gedeputeerde Staten van Friesland is goedgekeurd en met ingang van 1 januari 1984 in werking is getreden. Blijkens meergenoemde informatie van dit college zijn latere wijzigingen en vervangingen van die verordening - waaronder, als reeds vastgesteld, de Verordening van 1993 - niet ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten voorgelegd en derhalve niet in werking getreden, zodat er vanuitgegaan moet worden dat eisers pensioenaanpraken door de Verordening van 1984 worden beheerst. Gegeven het in artikel 66 van de Verordening van 1984 opgenomen overgangsrecht is op eiser de laatstelijk geldende verordening van de vroegere gemeente Westdongeradeel van toepassing. Dit is blijkens de gedingstukken de verordening zoals zij luidde na de op 6 mei 1980 door Gedeputeerde Staten goedgekeurde aanpassing van die verordening aan de Wet van 5 juli 1979 (Stb. 518). In het bij die aanpassing opgenomen overgangsrechtelijk artikel II, vijfde lid onder b, is bepaald: "Ten aanzien van uitkeringen, toegekend of toe te kennen uit hoofde van een aftreden voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, vindt het in artikel 15, lid 4, van de nieuwe verordening bepaalde inzake meetellen van uitkeringstijd voor pensioen geen toepassing.".

Toetsend aan dit voor enigerlei afwijking geen ruimte latend algemeen verbindend voorschrift kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat de uitkeringstijd van eiser, die als wethouder is afgetreden op 26 maart 1976, niet kan tellen als voor pensioengeldige tijd. Derhalve is het bestreden besluit inhoudelijk in overeenstemming met de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften.

Eiser heeft in beroep nog gewezen op het feit dat op zijn uitkering jarenlang pensioenbijdrage is ingehouden, waaraan hij het vertrouwen heeft ontleend dat ook de uitkeringstijd met pensioen zou worden vergolden. De Raad is evenwel van oordeel dat het enkele feit, dat op de uitkering van eiser een dergelijke inhouding heeft plaatsgevonden die, zoals door verweerders gemachtigde ter zitting van 25 februari 1999 is beaamd, in strijd was met de terzake geldende bepalingen, niet kan leiden tot een met de Verordening van 1984 strijdige pensioentoekenning.

Nu de bij het bestreden besluit gehandhaafde pensioenvaststelling inhoudelijk met geldende algemeen verbindende voorschriften in overeenstemming is, ziet de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van dat besluit met toepasssing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten.

De Raad wil er ten overvloede nog op wijzen dat verweerder, indien de Verordening van 1993 wel in werking was getreden, eisers uitkeringstijd evenmin als voor pensioen tellende tijd had kunnen aanmerken. Weliswaar bepaalt de Verordening die beperking niet. Maar op dit punt is zij in strijd met de APPA, nu zij niet meer een ingevolge het overgangsrecht van die wet vereiste bepaling als artikel 66 van de Verordening van 1984 bevat en zou zij derhalve ook als zij wel in werking was getreden in zoverre onverbindend zijn geweest.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat verweerder aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad f 200,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en

mr G.L.M.J. Stevens en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) E. Heemsbergen.