Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-1999
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
98/7311 AWBZ + 98/7317 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet financiering volksverzekeringen
Wet financiering volksverzekeringen 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/235
RZA 1999, 194

Uitspraak

98/7311 AWBZ + 98/7317 AWBZ

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A., wonende te B., appellante 1, en

C., wonende te D., appellante 2,

en

de Bezwaarschriftencommissie van de Onderlinge Waarborgmaatschappij RZR Zorgverzekeraar U.A., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellanten is mr P.A.W. Bijleveld, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van (potentiële) Budgethouders, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Arnhem onder dagtekening 20 augustus 1998 mede tussen appellanten en gedaagde gewezen uitspraak, waarbij de beroepen van appellanten tegen de door gedaagde op 26 juni 1997 ten aanzien van hen op bezwaar genomen besluiten ongegrond zijn verklaard.

Bij schrijven van 1 februari 1999 (met bijlagen) is van verweer gediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 1999, waar appellanten zijn verschenen bij mr drs A.W. van Ojen, werkzaam bij voornoemde vereniging, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr L.M. Veenstra-Janssen, werkzaam bij Amicon zorgverzekeraar.

II. MOTIVERING

De Ziekenfondsraad heeft op 19 december 1996 de op artikel 39, derde lid, onder h, van de Wet financiering

volksverzekeringen steunende Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring zorg op maat verpleging en verzorging 1997

(de Regeling) vastgesteld. De Regeling is in werking getreden op 1 januari 1997 en geldt voor het jaar 1997. Daarin zijn onder meer regels gesteld met betrekking tot de wens van de verzekerde om zelf te beslissen omtrent de wijze waarop en door wie aan hem verzorging en/of verpleging in de thuissituatie wordt verleend. Met het oog daarop bestaat op grond van de Regeling de mogelijkheid in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde zelfstandig die zorg inkoopt waar hij of zij behoefte aan heeft.

In artikel 14 van de Regeling is bepaald dat aan de zogeheten contactkantoren (waaronder OWM RZR Zorgverzekeraar) subsidie wordt verleend voor de financiering van de kosten van in 1997 aan AWBZ-verzekerden in hun regio ten behoeve van verzorging en verpleging toegekende persoonsgebonden budgetten. Voor toekenning van een persoonsgebonden budget komt ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Regeling uitsluitend in aanmerking de verzekerde ten aanzien van wie een indicatieadvies als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is afgegeven waaruit volgt dat de verzekerde voorzienbaar langer dan drie maanden is aangewezen op hulp in de vorm van verpleging of verzorging in de thuissituatie, niet zijnde een instelling waarin aan personen duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft.

Bij brieven van 17 februari 1997 heeft het contactkantoor aan appellanten bericht dat de aan hen ingevolge de in 1996 terzake geldende regeling toegekende persoonsgebonden budgetten na afloop van de periode waarvoor deze budgetten waren toegekend (respectievelijk 16 maart 1997 en 17 augustus 1997) op grond van de Regeling niet langer zouden worden verleend. Die besluiten berusten op het standpunt dat de particuliere verzorgingshuizen Boschoord te B., waar appellante 1 woonachtig is, en Residence Keltenwoud te D., waar appellante 2 woonachtig is, in de gegeven situatie van appellanten moeten worden beschouwd als instellingen waarin duurzaam verzorging en verpleging wordt verleend.

Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van appellanten tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de vraag of appellanten instellingen bewonen waar duurzaam verblijf en verzorging wordt geboden, als in artikel 15, eerste lid, van de Regeling is bedoeld, op de in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen bevestigend beantwoord.

Ingevolge het namens appellanten ingestelde hoger beroep dient de Raad allereerst de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten bevoegdelijk zijn genomen.

De bestreden besluiten zijn, anders dan de primaire besluiten van 17 februari 1997, genomen door de zogeheten bezwaarschriftencommissie van OWM RZR Zorgverzekeraar. Aan deze commissie is, naar de Raad ambtshalve uit het bij deze Raad onder kenmerk 98/1421 ZFW geregistreerde geding bekend is, bij Reglement bezwaarschriftenprocedure RZR Zorgverzekeraar, de bevoegdheid toegekend na volledige heroverweging beslissingen op bezwaar te nemen. De Raad leidt hieruit af dat deze bezwaarschriftencommissie als gedaagde moet worden aangemerkt. De correspondentie ter zake van het hoger beroep is van de zijde van de Raad gericht aan Amicon zorgverzekeraar, de naam waaronder OWM RZR Zorgverzekeraar handelt. Niet is gebleken dat gedaagde hierdoor in haar procespositie is geschaad.

De Raad stelt vast dat de bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar is overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens welke de primaire besluiten van 17 februari 1997 zijn genomen. De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 1997 (onder meer gepubliceerd in AB 97/182 en RSV 97/214), van oordeel dat een dergelijk besluit onbevoegdelijk is genomen. De bestreden besluiten dienen om die reden dan ook te worden vernietigd.

Aangezien de Raad op de hieronder aangegeven gronden van oordeel is dat de besluiten van de bezwaarschriftencommissie, hoewel onbevoegdelijk genomen, wat de inhoud betreft de rechterlijke toets kunnen doorstaan en Amicon zorgverzekeraar deze besluiten, naar uit de gedingstukken in hoger beroep blijkt, heeft bekrachtigd, acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand blijven.

Met de rechtbank acht de Raad voor de vraag of de bestreden besluiten ten materiële juist zijn van doorslaggevend belang of appellanten woonachtig zijn in instellingen waarin aan personen als zij zijn duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er, gelet op de daaromtrent ter beschikking staande gegevens vanuit, dat appellanten ten tijde hier in geding duurzaam zorgbehoeftig waren en uit dien hoofde behoren tot de doelgroep waarop de Regeling ziet.

Voorts overweegt de Raad dat onder meerdere uit de zich onder de gedingstukken bevindende brochures van Boschoord en Residence Keltenwoud naar voren komt dat vanwege de exploitanten aan de bewoners een combinatie van wonen en zorg wordt aangeboden die zich uitstrekt tot en met de mogelijkheid van verpleging. Mede gelet op de daarmee strokende onderzoeksbevindingen zijdens gedaagde gaat de Raad er op grond van deze brochures en bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel vanuit dat de bewoners de nodige zorg in overwegende mate moeten betrekken -en de facto ook betrekken- van de instelling waarin zij woonachtig zijn. Zou dit anders zijn dan zou, naar het oordeel van de Raad, in betekenende mate afbreuk worden gedaan aan het karakter van deze instellingen waarvan de organisatie en financiering er immers op is gericht wonen en zorgverlening gecombineerd aan te bieden. Appellanten hebben van hun zijde ook geenszins aannemelijk kunnen maken dat zij, anders dan incidenteel, de mogelijkheid hadden en hebben om zorg van buiten de instellingen waar zij verblijven, te betrekken.

De hier omschreven situatie waarin van onbeperkte keuzevrijheid in beginsel geen sprake is, staat aan toekenning van persoonsgebonden budgetten in de weg. Gelet op de considerans van de Regeling wordt immers de wens van de verzekerde als uitgangspunt genomen om zelf te beslissen omtrent de wijze waarop en door wie aan hem verzorging en/of verpleging in de thuissituatie wordt verleend.

In het verlengde daarvan is dan ook in artikel 15, eerste lid, van de Regeling bepaald dat personen die woonachtig zijn in instellingen waarin duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft, hetgeen bij appellanten naar hiervoor is overwogen moet worden aangenomen, van de toekenning van een persoonsgebonden budget zijn uitgesloten.

Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting

overweegt de Raad daarbij nog dat in deze de feitelijke gang van zaken, blijkend uit de organisatie en financiering van wonen en zorgverlening in de instelling, beslissend is en niet of het wonen en de zorgverlening in aparte rechtspersonen zijn ondergebracht en evenmin of in de tariefstelling, zoals bij Boschoord het geval is, een onderscheid wordt gemaakt in het verblijfs- en verzorgingstarief.

Ook overigens ziet de Raad geen reden de bestreden

besluiten ten materiële voor onjuist te houden wegens schending van enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. In het bijzonder acht de Raad die schending niet gelegen in de omstandigheid dat de eerder op grond van de in 1996 geldende regeling toegekende persoonsgebonden budgetten zonder uitloopperiode zijn geëindigd. Reeds bij de toekenning van die budgetten waren de perioden bekend waarvoor deze golden en van een door de afloop daarvan ontstane en te voren niet te voorziene schrijnende situatie is de Raad in de betrokken concrete gevallen niet kunnen blijken.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de bestreden besluiten -onder instandlating van de rechtsgevolgen ervan- voor vernietiging in aanmerking komen.

Van op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking te nemen kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt als hierna in rubriek III is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de beroepen van appellanten 1 en 2;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

Verstaat dat OWM RZR Zorgverzekeraar, handelende onder de naam Amicon zorgverzekeraar, aan appellante 1 en aan appellante 2 het in hoger beroep gestorte griffierecht van f 160,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en

mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 1999.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.