Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA8512

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-1999
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
99/2226 NABW-VV, 98/8763 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 7, geldigheid: 1999-06-28
Algemene bijstandswet 11, geldigheid: 1999-06-28
Wijzigingswet Vreemdelingenwet en enige andere wetten (koppeling aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland) XXIII, geldigheid: 1999-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 236
JABW 1999, 124

Uitspraak

99/2226 NABW-VV

98/8763 NABW

U I T S P R A A K

van

DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

A., wonende te B., verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.

I. INLEIDING

Verzoeker heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 20 november 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 22 april 1999 is tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 21 juni 1999, waar voor verzoeker is verschenen A. Mohamedajoeb, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.

II. MOTIVERING

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is in dit geval van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Verzoeker, geboren in 1944 en van Surinaamse nationaliteit, verblijft sedert 10 maart 1992 zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel in Nederland. Eind juni 1997 heeft hij na eerdere vergeefse verzoeken opnieuw een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Op deze aanvraag is op 23 juli 1997 afwijzend beslist. Het tegen dit besluit ingestelde administratief beroep is ongegrond verklaard bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 22 september 1997. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 maart 1999.

Bij besluit van 29 april 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van de uitkomst van eerdere tussen partijen gevoerde gedingen verzoeker met ingang van 25 september 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 30 juni 1998 heeft gedaagde deze uitkering met ingang van 1 augustus 1998 beƫindigd.

Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd bij besluit van 24 september 1998 onder verwijzing naar de artikelen 7 en 11 van de Abw, het Besluit gelijk-stelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz en artikel XXIII, tweede lid, van de Wet van 26 maart 1998 (Stb. 1998, 203, hierna: de Koppelingswet).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het tegen het besluit van 24 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen op grond van de volgende overwegingen:

"Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandsverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 Abw gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als volgt:

1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).

3. Bij algemene maatregel van bestuur (amvb) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef, en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw luidt:

Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:

1. op grond van een besluit tot toelating als-mede op grond van toelating als gemeenschaps-onderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

Het is de rechtbank bekend dat eiser de Staatssecretaris van Justitie heeft verzocht hem een vergunning tot verblijf te verlenen. Deze aanvraag is afgewezen en het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 22 september 1997 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 22 september 1997 beroep ingesteld bij de rechtbank, Vreemdelingenkamer te Den Haag. Daarnaast heeft eiser de president van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroepschrift is beslist.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat eiser aan artikel 7, onder 2, Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen, aangezien geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw.

Voorts moet als vaststaand worden aangenomen dat eiser aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder 3, Abw een zodanige aanspraak evenmin kan ontlenen. De in die bepaling genoemde amvb, te weten het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308) van 27 april 1998, voorziet niet in een geval als dat van eiser. Eiser heeft immers nooit rechtmatig in Nederland verbleven, zodat van voortgezet verblijf geen sprake is.

Vervolgens wordt overwogen ook artikel 11, lid 1, Abw, gelet op lid 2 van die bepaling, voor eiser geen recht op uitkering kan doen ontstaan.

Eisers grief dat de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 19 mei 1998 heeft beslist dat hij recht heeft op een bijstandsuitkering, leidt niet tot een ander oordeel omdat de aan deze uitspraak ten grondslag liggende beslissing betrekking heeft op de situatie van eiser van voor de intreding van de Koppelingswet (1 juli 1998). Het onderhavige besluit heeft echter betrekking op de situatie van eiser op en na 1 juli 1998.

Gelet op het overwogene dient het beroep, nu niet gebleken is dat verweerder met het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht, ongegrond te worden verklaard.".

De president heeft in hetgeen door en namens verzoeker is aangevoerd geen grond gevonden om deze overwegingen voor onjuist te houden.

In aansluiting op deze overwegingen merkt de president nog op dat

- in het kader van de sedert 1 juli 1998 van kracht zijnde bepalingen aan de eerder afgegeven verklaring van de korpschef als bedoeld in artikel 12, tweede lid, (oud) van de Abw van 5 maart 1998 in deze geen betekenis toekomt;

- gedaagde terecht heeft geoordeeld dat de overgangsregeling neergelegd in artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet voor verzoeker geen soelaas biedt, nu ten tijde als hier van belang op hem niet het bepaalde in artikel 25 van de Vreemdelingenwet betreffende vreemdelingen van wie uitzetting om gezondheidsredenen niet verantwoord is, van toepassing is verklaard;

- mede in dat licht bezien en gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 11 van de Abw de door verzoeker aangegeven depressiviteit, wat daarvan ook zij, geen grond kan vormen tot een ander oordeel te komen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De president van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr N.A. de Regt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 1999.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.A. de Regt.

BvW

286