Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA5738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-1999
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
99/922 NABW 99/1060 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 69, geldigheid: 1999-08-31
Algemene bijstandswet 81, geldigheid: 1999-08-31
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI, geldigheid: 1999-08-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 1999/279
RSV 1999, 256

Uitspraak

CRVB

99/922 NABW

99/1060 NABW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B, appellante in de zaak onder nummer 99/922 NABW en gedaagde in de zaak onder nummer 99/1060 NABW,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde in de zaak onder nummer 99/922 NABW en appellant in de zaak onder nummer 99/1060 NABW.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens A (hierna te noemen: A) heeft mr J.W. van de Wege, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Eindhoven, op daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch onder dagtekening 28 december 1998 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: het College) heeft op de daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden eveneens tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 29 juni 1999, waar A in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van de Wege voornoemd als haar raadsman, en waar het College zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.P. Kolev-Pot, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaand aanneemt.

A, geboren in 1954, ontving sedert 1 februari 1989 een uitkering ingevolge de Algemene Bij standswet naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 29 februari 1996 is die uitkering met ingang van 1 maart 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw), eveneens naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding, inhoudende dat A al vier jaar zou samenwonen met C (hierna te noemen: C) is door de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Eindhoven een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellante, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport d.d. 15 mei 1997. Op basis van dit rapport is de uitkering van A, na voorafgaande opschorting van het recht op uitkering, bij besluit van 23 mei 1997 met ingang van 1 mei 1997 beëindigd op de grond dat A een gezamenlijke huishouding voert, en het inkomen van de persoon met wie zij een gezamenlijke huishouding voert voldoende is om in de noodzake lijke kosten van het bestaan te voorzien. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, is dit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 september 1997. Vervolgens heeft het College bij besluit van 31 oktober 1997 het toekenningsbesluit van 29 februari 1996 ingetrokken met ingang van 17 februari 1997, op de grond dat A onjuiste, dan wel onvolledige informatie omtrent haar woon/leefsituatie heeft verstrekt met als gevolg dat haar ten onrechte bijstand is verleend. Bij dat besluit is voorts de over de periode van 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verleende bijstand tot een bedrag van f 3.451,07 van haar teruggevorderd. Nadat A tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, heeft het College bij het bestreden besluit van 17 maart 1998 de intrekking en de terugvordering gehandhaafd. Het College heeft hierbij - kort samengevat - overwogen dat het toekenningsbesluit terecht onder toepassing van artikel 69, derde lid aanhef en onder a, van de Abw (tekst na 1 juli 1997) met ingang van 17 februari 1997 is ingetrokken omdat A met betrekking tot haar woon- en leefsituatie de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden en in ieder geval vanaf laatstvermelde datum een gezamenlijke huishouding voerde met C. Voorts heeft het College overwogen, dat als gevolg van het nemen van het intrekkingsbesluit terecht is besloten de in de periode van 17 februari 1997 tot 1 april 1997 aan A verstrekte uitkering terug te vorderen op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw (tekst na 1 juli 1997).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door A tegen het besluit van het College van 23 september 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard aangezien moet worden aangenomen dat er op 1 mei 1997 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen A en C. Voorts is bij die uitspraak het door A tegen het bestreden besluit van het College van 17 maart 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover betrekking hebbend op de terugvordering in stand blijven. Hierbij is door de rechtbank onder meer het volgende overwogen (waarbij A als eiseres is aangeduid, en het College als verweerder): "De rechtbank ziet zich in dit geding gesteld voor de vraag of verweerder terecht en op goede gronden het besluit tot toekenning van bijstand aan eiseres met ingang van 17 februari 1997 heeft ingetrokken en voorts of verweerder terecht en op goede gronden de aan eiseres over de periode 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verstrekte bijstand van haar heeft teruggevorderd. Verweerder heeft het besluit tot intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. De rechtbank wijst er echter op dat genoemde bepaling is ingevoerd bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet boeten) en dat ingevolge artikel XVI, eerste lid, van die wet in de bevoegdheid van gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van het hier relevante deel van die wet - 1 juli 1997 - geen wijziging wordt gebracht. Nu het hier om dergelijke gedragingen gaat, kon verweerder het intrekkingsbesluit niet doen steunen op de sedert 1 juli 1997 geldende visie van artikel 69, derde lid, van de Abw. Het intrekkingsbesluit berust derhalve op een onjuiste grondslag en komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. (...) Verweerder heeft het besluit tot terugvordering van de aan eiseres over de periode 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 verleende bijstand doen steunen op artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Nu het in casu echter gaat om gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 1997, geldt ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet boeten dat (de materiële inhoud van) de bevoegdheid tot terugvordering wordt beheerst door het tot die datum geldende recht, zodat artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidde tot 1 juli 1997, van toepassing is. Ook het terugvorderingsbesluit ontbeert derhalve een juiste wettelijke grondslag, zodat het eveneens moet worden vernietigd. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen terugvorderingsbesluit in stand te laten, zulks nu de tot 1 juli 1997 van toepassing zijnde versies van de artikelen 81 en 65 van de Abw dat besluit eveneens kunnen dragen.".

A kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Het College kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit van 17 maart 1998 met betrekking tot intrekking en terugvordering op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Mede blijkens het verhandelde ter zitting stelt het College zich op het standpunt, dat op of na 1 juli 1997 bekendgemaakte terugvorderingsbesluiten dienen te worden beoordeeld naar het met ingang van 1 juli 1997 geïntroduceerde stelsel, en in voorkomende gevallen hun grondslag moeten vinden in een herzieningsbesluit in de zin van artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals deze bepaling luidt na 1 juli 1997.

De Raad overweegt het volgende.

De zaak 99/922 NABW

De vraag of A en C gedurende de periode van 17 februari 1997 tot en met 30 april 1997 en op 1 mei 1997 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) beantwoordt de Raad bevestigend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid aanhef en onder a, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad acht het, gelet op gedingstukken, voldoende aannemelijk dat C ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van A. Uit een rapport van waarnemingen d.d. 25 april 1997 blijkt dat C in de waarnemingsperiode van 14 januari 1997 tot en met 22 april 1997 geregeld in de nabijheid van de woning van A is aangetroffen. Bij een huisbezoek dat is afgelegd op 22 april 1997 zijn kleding en bescheiden van C in de woning van A aangetroffen en voorts heeft A op 22 april 1997 verklaard dat de racefiets van C zich in de schuur van haar woning bevond. Ook hadden A en C een zogeheten en/of- rekening bij een bank, waarbij op het rekeningoverzicht als adres is genoemd, het adres van A aan de P. Straat te B.

De stelling van A dat C ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn ouders, vindt naar het oordeel van de Raad geen steun in de onderzoeksresultaten van de Afdeling Bijzonder Onderzoek.

De Raad is voorts van oordeel dat het bestaan van wederzijdse zorg voldoende aannemelijk moet worden geacht en wijst in dit verband op het bestaan van evengenoemde bankrekening, waaruit blijkt dat sprake is van financiële verstrengeling. Daarnaast heeft C bij een verhoor dat plaatsvond op 12 mei 1997 verklaard A veel te helpen en is uit waarnemingen gebleken dat C regelmatig gebruik maakt van de auto van A om naar zijn werk te gaan.

Aan de omstandigheid dat de tenaamstelling van meergenoemde bankrekening reeds vóór 1 mei 1997 is gewijzigd, kan de Raad niet die betekenis hechten, die A daaraan toegekend wenst te zien.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit van 23 september 1997 met betrekking tot de beëindiging van de uitkering per 1 mei 1997 terecht in stand is gelaten.

De zaak 99/1060 NABW

Ten aanzien van het intrekkingsbesluit

Het College heeft het besluit tot intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van 17 februari 1997 gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Evenals de rechtbank wijst de Raad erop, dat genoemde bepaling is ingevoerd bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna te noemen: Wet boeten).

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet boeten wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) geen wijziging gebracht.

Uit genoemd artikellid volgt naar het oordeel van de Raad dat aan een intrekkingsbesluit als het onderhavige, hetwelk een wijziging beoogt te brengen in het recht op uitkering over een periode welke geheel ligt vóór 1 juli 1997, niet het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals deze bepaling luidt vanaf 1 juli 1997, ten grondslag kan worden gelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden intrekkingsbesluit heeft vernietigd omdat dit berust op een onjuiste wettelijke grondslag.

Anders dan de rechtbank evenwel zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde intrekkingsbesluit in stand laten. De Raad overweegt daartoe dat voldoende aannemelijk is dat A in evengenoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde met C, wiens inkomen toereikend was om mede in het levenson derhoud van A te voorzien. Daarom kon A op grond van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Abw (tekst tot 1 januari 1998) juncto artikel 7, eerste lid, van de Abw in deze periode geen recht doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw.

De Raad stelt voorts vast dat A het College niet tijdig en eigener beweging heeft geïnformeerd om trent het bestaan van de gezamenlijke huishouding, zodat van een gerechtvaardigd vertrouwen op ongewijzigde voortzetting van de uitkering geen sprake is.

Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet boeten wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot terugvordering en verrekening van hetgeen vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet (voor de bijstandswetgeving: 1 juli 1997) onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Dat betekent dat de thans ter beoordeling van de Raad staande vraag of het besluit tot terugvordering op goede gronden berust, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór 1 juli 1997 vigerende recht, in casu reeds omdat de periode waarover terugvordering plaatsvindt geheel vóór die datum ligt.

Derhalve is de Raad met de rechtbank van oordeel, dat het College de terugvordering van de verleende bijstand ten onrechte heeft doen steunen op artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals die bepaling luidt sedert 1 juli 1997.

De Raad is dan ook van oordeel, dat de rechtbank het bestreden besluit d.d. 17 maart 1998, voor zover dit betrekking heeft op terugvordering terecht heeft vernietigd, omdat dit op een onjuiste wettelijke grondslag berust.

De Raad acht evenwel met de rechtbank en op de door deze daartoe aangegeven gronden termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het vernietigde terugvorderingsbesluit in stand te laten. De Raad voegt hieraan toe dat A de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de wijze van terugbetaling niet heeft betwist.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij geen aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen met betrekking tot het bestreden besluit tot intrekking in stand te laten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 maart 1998, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van het recht op uitkering, in stand blijven.

Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 1999.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I. de Hartog.

Q

HL

1708