Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA5093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
18-11-1999
Zaaknummer
97/224 AW, 97/226 AW en 98/2615 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren 8, geldigheid: 1999-11-18
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren 8, geldigheid: 1999-11-18
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren 25, geldigheid: 1999-11-18
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren 27, geldigheid: 1999-11-18
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 27, geldigheid: 1999-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/6

Uitspraak

97/224 AW, 97/226 AW en 98/2615 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

mr A, wonende te B, eiseres,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens eiseres is beroep bij de Raad ingesteld tegen de volgende drie besluiten van verweerder:- een op 29 november 1996 genomen beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 29 februari 1996 tot beëindiging per 1 maart 1996 van de opleiding van eiseres als rechterlijk ambtenaar in opleiding (hierna: RAIO) alsmede tot verlening van ontslag aan eiseres per 1 september 1996; - een op 12 december 1996 genomen beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 15 oktober 1996, strekkende tot het bepalen van de ontslagdatum op 1 december 1996; - een op 13 februari 1998 genomen beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 17 april 1997 inzake het niet aanvaarden van de ziekmelding van eiseres met ingang van december 1996.

Namens verweerder zijn verweerschriften ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 oktober 1998,waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr G.R.A. Apol, verbonden aan Apol & Lamme, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R. Chardet, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

Nadat gebleken was dat het onderzoek niet volledig was geweest heeft de Raad het onderzoek heropend.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 7 oktober 1999, waar appellant opnieuw in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Apol, voornoemd. Verweerder heeft zich wederom doen vertegenwoordigen door R. Chardet, voornoemd.

II. MOTIVERING

Ingevolge het eerste lid van artikel 8 van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (hierna: Bora) beëindigt verweerder, indien hij in de loop van de opleiding op grond van een beoordeling, bedoeld in artikel 25, op grond van het oordeel van de rector, bedoeld in artikel 26, dan wel op grond van andere ambtsberichten, alsnog tot het oordeel komt dat de RAIO de opleiding niet met gunstig gevolg zal kunnen afsluiten of niet geschikt is voor een der in artikel 2 bedoelde functies (een rechtsprekende functie en de functie van Officier van Justitie), diens opleiding.

In artikel 27 van het Bora is bepaald dat verweerder, indien hij een der beslissingen, bedoeld in artikel 8, heeft genomen, de RAIO kan ontslaan. Indien de RAIO ten tijde van het te verlenen ontslag reeds was aangesteld in vaste dienst kan het ontslag evenwel slechts worden verleend indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de betrokkene binnen het gezagsbereik van verweerder andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende, werkzaamheden op te dragen dan wel indien deze weigert zodanige werkzaamheden te aanvaarden.

Eiseres is met ingang van 1 april 1991 benoemd tot RAIO in tijdelijke dienst bij de gerechten met tewerkstelling bij de Arrondissementsrechtbank te Z. Na met voldoende resultaat gedurende de periode 1 april 1991 tot 26 juni 1992 deelstages bij de strafsector en de handelssector van deze rechtbank te hebben doorlopen, heeft eiseres gedurende de periode 1 augustus 1992 tot (ten minste) 14 mei 1993 stage gelopen bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank. Op 14 mei 1993 is omtrent het functioneren van eiseres in deze laatste periode een beoordeling opgemaakt. Op het desbetreffende beoordelingsformulier staat voor het eindoordeel de waarderingscode "B" (onvoldoende) vermeld. Op 24 mei 1993 is deze beoordeling vastgesteld. Eiseres heeft vervolgens een herkansing gekregen bij de sector bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank te Y. De beoordeling van haar functioneren bij deze sector in de periode 1 juni 1993 tot 23 november 1993 is uitgemond in een eindoordeel met waarderingscode "C" (voldoende). Eiseres heeft er aanvankelijk voor gekozen het hierop volgende zogeheten verdiepingsjaar door te brengen bij het Openbaar Ministerie. Per 1 oktober 1994 is zij daarom te werk gesteld bij het Arrondissementsparket te Z. Per dezelfde datum is haar een vaste aanstelling verleend. Nadat eiseres te kennen had gegeven van bedoelde keuze te willen terugkomen, is haar toegestaan om haar werkzaamheden in het verdiepingsjaar per 1 maart 1995 voort te zetten bij de rechtbank te Z. Vanaf deze datum heeft eiseres eerst acht maanden in de sector civiel recht en vervolgens vier maanden in de sector strafrecht gewerkt. De terzake op 14 februari 1996 opgemaakte beoordeling vermeldt voor de stage civiel recht een eindoordeel met waarderingscode "B" en voor de stage strafrecht een eindoordeel met waarderingscode "C".

Bij brief van 22 februari 1996 heeft de rector van de Stichting Studiecentrum Rechtspleging (hierna: SSR) verweerder geadviseerd de opleiding als RAIO van eiseres te beëindigen. Daarbij is opgemerkt dat het vaste regel is dat een RAIO die voor een tweede maal een beoordelingsperiode afsluit met een "B" de opleiding niet mag voortzetten. Voorts is uiteengezet waarom geen aanleiding wordt gezien voor eiseres een uitzondering op genoemde regel te maken.

Bij besluit van 29 februari 1996 heeft verweerder de opleiding van eiseres met ingang van 1 maart 1996 beëindigd alsmede eiseres met ingang van 1 september 1996, of zoveel eerder als zij een andere functie aanvaardt, ontslagen uit haar functie van RAIO.

Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaar is door de Adviescommissie ingevolge de Algemene wet bestuursrecht van het Ministerie van Justitie in een op 9 oktober 1996 gehouden hoorzitting behandeld.

Bij besluit van 15 oktober 1996 heeft verweerder de ontslagdatum nader vastgesteld op (uiterlijk) 1 december 1996. Dit is gebeurd omdat de Adviescommissie had medegedeeld waarschijnlijk positief ten aanzien van het bezwaar van eiseres te zullen adviseren en dit advies eerst in de loop van november 1996 ter beschikking van verweerder zou komen. Bij besluit van 12 december 1996 is eiseres in haar bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Ter zitting van 7 oktober 1999 heeft eiseres aangegeven het tegen het besluit van 12 december 1996 ingestelde beroep niet langer te handhaven. Gelet hierop blijft dit besluit hier verder buiten bespreking.

In haar op 20 november 1996 aan verweerder uitgebrachte advies heeft voornoemde commissie overwogen het beleid van verweerder, inhoudende dat wanneer er omtrent een RAIO tot twee maal toe een negatieve beoordeling is uitgebracht de opleiding wordt beëindigd, te onderschrijven. De commissie was evenwel, anders dan verweerder, van oordeel dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit beleid rechtvaardigen. Zij heeft daartoe overwogen dat de ter beschikking staande gegevens niet genoegzaam kunnen leiden tot het oordeel dat eiseres niet geschikt is voor een rechtsprekende functie. In dit verband heeft de commissie allereerst verwezen naar de "Slotsom" in de beoordeling van 14 februari 1996, welke als volgt luidt: "De beoordelaars zijn gezamenlijk van oordeel dat het het beste zou zijn dat mw A thans de gelegenheid krijgt om zich in een buitenstage in de advocatuur verder te ontwikkelen. In elk geval dient een nadere beoordeling van haar functioneren plaats te vinden voordat ze tot gerechtsauditeur benoemd kan worden." Daarnaast heeft de commissie als haar mening gegeven dat de rector van de SSR geen uitgesproken negatief oordeel over het functioneren van eiseres als RAIO heeft uitgesproken. Verder heeft de commissie van betekenis geacht dat de opleidingsomstandigheden gedurende de perioden waarover beide "B"-beoordelingen zijn uitgebracht, niet optimaal waren.

Bij het bestreden besluit van 29 november 1996 heeft verweerder in afwijking van dit advies het bezwaar van eiseres tegen zijn besluit van 29 februari 1996 ongegrond verklaard. Verweerder heeft terzake overwogen dat de commissie aan de haar ter beschikking staande gegevens op fundamentele punten een onjuiste uitleg heeft gegeven. Zo heeft de commissie naar het oordeel van verweerder aan het advies van de beoordelaars in de laatste stageperiode ten onrechte betekenis toegekend; de beoordelaars hebben immers alleen tot taak de beoordeling op te maken, terwijl de gevolgen die aan een beoordeling moeten worden verbonden een verantwoordelijkheid van verweerder betreffen. Bovendien heeft verweerder erop gewezen dat als uitgangspunt geldt dat de opleiding niet kan worden vervolgd dan nadat de (voorafgaande) deelstage met een positieve beoordeling is afgesloten.

Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat de commissie het advies van de rector van de SSR heeft misverstaan. De rector heeft immers uitdrukkelijk geadviseerd de opleiding van eiseres te stoppen en heeft geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die aanleiding kunnen geven tot afwijking van de hoofdregel dat bij een tweede negatieve beoordeling de opleiding moet worden beëindigd. Namens eiseres is in beroep aangevoerd dat het beleid met betrekking tot het beëindigen van de RAIO-opleiding niet redelijk is en dat in elk geval dit beleid te dezen niet kon worden toegepast. Naar eiseres terzake onder meer heeft gesteld, betrof de beoordeling van 14 februari 1996 in feite niet zozeer een "B"- als wel een "B/C"-beoordeling. Wat het haar verleende ontslag betreft heeft eiseres gesteld dat geen zorgvuldig herplaatsingsonderzoek is verricht en dat derhalve in strijd met artikel 27 van het Bora is gehandeld.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat naar zijn opvatting een ontslag al voordat een herplaatsingsonderzoek is verricht, kan worden verleend. In dit geval is binnen de (in casu zeer ruime) opzegtermijn onderzoek gedaan naar mogelijkheden eiseres andere passende werkzaamheden aan te bieden. Eiseres is immers aangemeld bij de Centrale Commissie Herplaatsingen alsmede het mobiliteitsbureau van de Dienst Rechtspleging. Bovendien is eiseres elke twee weken de vacaturekrant van het Ministerie toegezonden. Dit een en ander heeft echter niet geleid tot het vinden van ander werk voor eiseres.

De Raad overweegt dat voor hem genoegzaam is komen vast te staan dat de rector van de SSR reeds gedurende een lange reeks van jaren in het kader van zijn adviseringstaak in gevallen als hier aan de orde een beleid voert dat, voorzover hier van belang, inhoudt dat: - indien de RAIO in een deelstage een onvoldoende beoordeling krijgt met eindresultaat "B" (in de strafsector: een onvoldoende oordeel over de functievervulling), als regel één herkansing volgt voor een periode van maximaal zeven maanden in dezelfde sector bij een andere rechtbank dan wel een ander parket; - bij een tweede "B"-beoordeling als regel beëindiging van de opleiding volgt; - van deze laatste regel kan worden afgeweken bij zwaarwegende en relevante tekortkomingen in de opleiding.

Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 oktober 1999 is aannemelijk dat verweerder dit beleid tot het zijne heeft gemaakt bij de toepassing van artikel 8 van het Bora. Gezien de eisen die aan het (kunnen) vervullen van de functies van rechter en Officier van Justitie, gelet op de aard en inhoud daarvan, dienen te worden gesteld, bestaat geen reden te oordelen dat voormeld beleid als onredelijk moet worden gekenschetst. De Raad tekent daarbij wel aan dat afwijking van die beleidsregel aangewezen kan zijn indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, waaronder het geval dat een of beide ongunstige beoordelingen in overwegende mate te wijten zijn aan tekortkomingen bij de opleiding.

Eiseres heeft de hiervoor vermelde beoordelingen niet in rechte aangevochten zodat deze hier als een gegeven moeten worden beschouwd. Vastgesteld moet dan ook worden dat eiseres tot twee maal toe een "B"-beoordeling heeft gekregen. Het vermelde op de beoordelingsformulieren biedt geen grond voor het oordeel dat de eindbeoordeling "B" niet valt te verenigen met de daaraan voorafgaande beoordelingen op afzonderlijke gezichtspunten. Gezien de door de beide opleiders van eiseres in de sector civiel recht in het verdiepingsjaar in de door de Adviescommissie gehouden hoorzitting gegeven uiteenzettingen, zijn deze opleiders ook duidelijk van opvatting dat eiseres niet meer (of minder) dan een "B" als waarderingscode bij het eindoordeel toekomt. Voorts waren de opleidingsomstandigheden tijdens de stageperioden waarvoor "B"- beoordelingen aan eiseres zijn toegekend weliswaar kennelijk niet optimaal, doch niet is gebleken van feiten of omstandigheden die tot het oordeel dienen te leiden dat bedoelde lage scores in overwegende of zelfs maar belangrijke mate het gevolg waren van tekorten in de begeleiding. De Raad betrekt verder in zijn overwegingen dat blijkens de beoordeling van de civiele stage in het verdiepingsjaar de concepten van eiseres in meer ingewikkelde zaken een duidelijke lijn en coherentie misten en dat zich geen merkbare verbetering op dit onderdeel heeft afgetekend. Tenslotte acht de Raad het standpunt van verweerder dat eiseres niet tot de buitenstage dient te worden toegelaten gezien haar meergenoemde "B"-beoordeling in het verdiepingsjaar - reden waarom verweerder kennelijk het onder de hiervoor aangehaalde "Slotsom" vermelde oordeel op het beoordelingsformulier betreffende het verdiepingsjaar ook inhoudelijk niet kan delen - geenszins onredelijk of rechtens anderszins onjuist.

Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het besluit van verweerder de opleiding van eiseres per 1 maart 1996 te beëindigen de toets der rechtmatigheid niet kan doorstaan.

Dit brengt evenwel niet mee dat het verweerder vrijstond eiseres ook te ontslaan. Nu zij immers in vaste dienst was aangesteld, is in dit geval de tweede volzin van artikel 27 van het Bora van toepasssing. Uit deze bepaling volgt dat eiseres eerst ontslag kon worden verleend nadat uit een afgerond herplaatsingsonderzoek was gebleken dat er binnen het gezagsbereik van verweerder voor eiseres geen passende werkzaamheden beschikbaar waren. In strijd hiermee is eiseres, hoewel geen herplaatsingsonderzoek was gedaan en derhalve niet vaststond dat geen passende werkzaamheden beschikbaar waren, ontslag verleend. Het ontslag is bij het bestreden besluit van 29 november 1996 gehandhaafd hoewel ook toen nog geen herplaatsingsonderzoek was verricht. De Raad wijst er nog op dat in de Nota van toelichting bij het Bora ten aanzien van artikel 27 is opgemerkt dat passende andere functies in beginsel aanwezig geacht worden in de vele secreta-riaats- en andere taken bij de gerechten die juridische scholing vereisen en waarin ook thans reeds juristen werkzaam zijn. Hetgeen terzake in het verweerschrift is gesteld, als hiervoor weergegeven, kan aan het vorenstaande geenszins afdoen nu gesteld noch gebleken is dat de door verweerder gestelde aanmeldingen tot herplaatsingsonderzoek hebben geleid. Voorts onthief de omstandigheid dat voor eiseres al een buitenstageplaats bij een [vestigingsplaats] advocatenkantoor was geregeld en dat na de ongunstige laatste beoordeling is afgesproken dat eiseres toch nog, zij het niet in de vorm van een buitenstage, bij dit kantoor zou kunnen werken, verweerder niet van de plicht tot het doen van een herplaatsingsonderzoek en zulks met name niet nu de desbetreffende werkzaamheden als tijdelijk waren bedoeld en eiseres deze werkzaamheden ook daadwerkelijk per 1 november 1996 heeft moeten beëindigen.

Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de handhaving van het ontslag zich niet verdraagt met artikel 27 van het Bora. Het bestreden besluit van 29 november 1996 komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot het bestreden besluit van 13 februari 1998 wordt overwogen dat verweerder daarbij de toepasselijkheid heeft onderzocht van artikel 27 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Dit artikel ziet op de gewezen rechterlijke ambtenaar die, voorzover hier van belang, binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke betrekking te vervullen. Uit het hiervoor met betrekking tot de handhaving van het ontslagbesluit overwogene en de hierna uit te spreken vernietiging van dat besluit vloeit voort dat eiseres ten tijde van belang niet als een gewezen ambtenaar als bedoeld in evengenoemd artikel 27 kan worden beschouwd. Reeds hierom dient ook het bestreden besluit van 13 februari 1998 te worden vernietigd.

Gelet op het vorenstaande zijn termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseres in de beide door haar gehandhaafde beroepen. Deze kosten worden begroot op 4 maal f 710,-, derhalve f 2.840,-, voor verleende rechtsbijstand en f 95,- aan reiskosten. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd noch is daarvan gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 1996 gegrond, voorzover dit ziet op het aan eiseres verleende ontslag;

Vernietigt dit besluit inzoverre;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 1996 voor het overige ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 1998 gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot f 2.935,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden de door eiseres betaalde griffierechten ad f 410,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink- Jonkers en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

26.10

Q