Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA5089

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-1999
Datum publicatie
25-11-1999
Zaaknummer
99/1958 AW en 99/1959 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 66, geldigheid: 1999-11-25
Algemeen Rijksambtenarenreglement 66, geldigheid: 1999-11-25
Algemeen Rijksambtenarenreglement 66, geldigheid: 1999-11-25
Algemeen Rijksambtenarenreglement 66, geldigheid: 1999-11-25
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 1999-11-25
Ambtenarenwet, geldigheid: 1999-11-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2000, 134
TAR 2000/22

Uitspraak

99/1958 AW en 99/1959 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Financiën, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 26 februari 1999 onder nrs. 98/501 AW en 98/553 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt gewezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend waarna namens appellant nadere stukken aan de Raad zijn gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, waar namens appellant zijn verschenen mr M.N. Noorman, H. Nijsten en P.H.G. Ruijter, allen werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote C.

II.MOTIVERING

Gedaagde, die werkzaam was als deurwaarder bij de belastingdienst Directie Particulieren te D., heeft op 20 november 1996 een verkeersongeval veroorzaakt. Daarbij is schade ontstaan aan zowel de door gedaagde bestuurde dienstauto als aan de auto van een derde, de heer E.

Bij schrijven van 19 maart 1997 is gedaagde in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden in de zin van artikel 66, tweede lid, van het Algemeen Rijksamtenarenreglement (hierna: ARAR) ten aanzien van onrechtmatig gebruik van de dienstauto en het voornemen het (nog vast te stellen) bedrag van de schade op hem te verhalen.

Met brief van 21 maart 1997 heeft gedaagde zich verantwoord.

Bij schrijven van 17 juli 1997 is gedaagde geïnformeerd terzake van het voornemen de schade aan de dienstauto ten bedrage van f 5.945,38 en de schade aan de aangereden auto ten bedrage van f 6.884,-- volledig op hem te verhalen.

Gedaagde heeft hierop gereageerd met brieven van 27 juli en 22 september 1997.

Bij besluit van 5 november 1997 is aan gedaagde meegedeeld dat hij op grond van artikel 66 van de ARAR geheel aansprakelijk wordt gesteld voor de schade zijnde

f 12.829,38.

Namens gedaagde is tegen het besluit van 5 november 1997 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 april 1998 heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard. In dat besluit heeft appellant gedaagde doen weten:

"Nu het aan betrokkene te wijten is dat hij niet direct de politie heeft ingeschakeld waardoor niet kon worden vastgesteld onder welke omstandigheden het ongeval heeft plaatsgevonden en nu uit de verklaring van de heer E. de indruk is ontstaan dat betrokkene er belang bij had om de politie niet in te lichten dient het risico van de geleden schade bij betrokkene en niet bij de dienst te worden neergelegd."

Bij besluit van 8 juni 1998 is het besluit van 22 april 1998 ingetrokken en is het bedrag dat verhaald werd gewijzigd in f 6.629,03. Voorts is aangegeven dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan het nieuwe besluit van 8 juni 1998 dezelfde zijn als die vermeld zijn in het besluit van 22 april 1998 en is gedaagdes bezwaar tegen het besluit van 5 november 1997 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 22 april 1998 vernietigd. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het besluit van 8 juni 1998 in de oordeelsvorming betrokken en is ook dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet gebleken is dat appellant onderzoek heeft gedaan naar onder meer de omvang van de schade in verhouding tot de hoogte van de bezoldiging en de verwijtbaarheid van gedaagde. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte heeft nagelaten te bezien of -zo er al sprake zou zijn van verwijtbaarheid- naar aanleiding van de opgelegde disciplinaire maatregel de schade niet of slechts gedeeltelijk op gedaagde verhaald diende te worden. Ten slotte heeft de rechtbank aangegeven dat niet gebleken is van een verklaring voor de forse verlaging van het schadebedrag dat op gedaagde wordt verhaald.

Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank de bewijslast onjuist verdeeld heeft en de waardering van het reeds aanwezige bewijs op onjuiste wijze heeft uitgevoerd.

In hoger beroep heeft gedaagdes gemachtigde gewezen op de fouten en slordigheden die zijn gemaakt met het te verhalen bedrag en de wijziging in de grondslag van het verhaal van 'onrechtmatig gebruik van een dienstauto' in 'het niet inschakelen van de politie'.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 66, eerste lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade,

voorzover deze aan hem is te wijten.

In het tweede lid van voornoemd artikel is aangegeven dat het bedrag van de schadevergoeding niet wordt vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat gedaagde een ongeval heeft veroorzaakt waarbij schade is veroorzaakt die (gedeeltelijk) ten laste is gekomen van appellant.

In de zogeheten fase van verantwoording als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het ARAR is als grond voor verhaal ingevolge artikel 66, eerste lid, van het ARAR, door appellant gehanteerd het onrechtmatige gebruik van de dienstauto. De verantwoording zijdens gedaagde was dan ook daarop gericht. Ook in het primaire besluit van 5 november 1997 wordt het onrechtmatige gebruik van de dienstauto als de (enige) grondslag genoemd.

Bij besluiten van 22 april 1998 en 8 juni 1998 wordt evenwel als grond voor bedoeld verhaal aangegeven het niet inschakelen van de politie.

Naar 's Raads oordeel is gedaagde naar aanleiding van genoemde wijziging in de grondslag van het primaire besluit ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld zichterzake van de nieuwe grondslag te verantwoorden als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het ARAR. Dat zoals van de zijde van appellant is aangevoerd hieraan in de verantwoordingsprocedure reeds aandacht is besteed en de reden van de wijziging in de grondslag is gelegen in ontwikkelingen bij de procedure inzake disciplinaire bestraffing, acht de Raad niet voldoende om tot een dusdanige wijziging van de grondslag van het primaire besluit te komen zonder dat gedaagde terzake van die wijziging bovenvermelde gelegenheid tot verantwoorden is geboden. De Raad meent dan ook dat in het onderhavige geval sprake is van schending van artikel 66, tweede lid, van het ARAR.

Derhalve is, nu ook in de bezwaarfase gelet op de grondslag van het besluit slechts aandacht is besteed aan 'het onrechtmatige gebruik van de dienstauto' het bestreden besluit rechtens niet aanvaardbaar.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat bij de voorbereiding van het besluit gehandeld is in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Raad wijst in dat kader op de vaststelling van het schadebedrag. In de zogeheten 'verantwoordingsfase' heeft appellant nagelaten het bedrag aan schade te noemen dat op gedaagde verhaald zou worden. Eerst in het besluit van 5 november 1997 is het bedrag van f 12.829,38 genoemd. De Raad acht het niet aanvaardbaar dat bijna een jaar nadat het ongeval had plaatsgevonden gedaagde is geïnformeerd over de hoogte van het bedrag dat op grond van artikel 66, eerste lid, van de ARAR op hem verhaald wordt. Dit klemt temeer nu pas hangende de beroepsprocedure, bij besluit van 8 juni 1998, ruim twee en een half jaar na het ongeval en na verschillende verzoeken van de zijde van gedaagde om opheldering omtrent de hoogte en samenstelling van het schadebedrag, het oorspronkelijke bedrag van f 12.829,38 is gewijzigd in een bedrag van f 6.629,03. De van de zijde van appellant aangeboden excuses ontnemen aan deze handelwijze niet de onzorgvuldigheid en daarmee de schending van artikel 3:2 van de Awb. Daarbij komt nog dat het bedrag van f 12.829,38 gelet op hetgeen ter zitting daaromtrent is verklaard uitsluitend was gebaseerd op telefonische informatie van Interleasing Nederland B.V.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden dan die zijn gehanteerd door de rechtbank, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr H.R. Geerling-Brouwer en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

15.11

Q