Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA5080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
97/6167 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 1999-07-01
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 1999-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/127

Uitspraak

97/6167 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 9 juni 1997 onder nr. AWB 95/1590 AW V12 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 1999, waar namens appellant is verschenen mr Chr.J.M. Scheen, juridisch medewerker van de CFO. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van der Tuin, als hoofd Personeel en Organisatie in dienst van de gemeente Vlagtwedde.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

Bij het door appellant bestreden besluit van 11 juli 1995 heeft gedaagde ongegrond verklaard een bezwaar van appellant tegen het door gedaagde vastgestelde vragenformulier functie- onderzoek, waarbij een beschrijving is gemaakt van de door appellant beklede functie van bouwkundig ontwerper. Dit formulier waarop, naast een omschrijving van de taken waaruit de onderhavige functie bestaat, onder meer een indicatie is gegeven van de voor de functie noodzakelijk geachte (aanvullende) opleiding en ervaring, is opgemaakt met het oog op de waardering door gedaagde van appellants functie met toepassing van het gemeentelijk functiewaarderingssysteem.

Evenals in bezwaar heeft appellant in beroep bezwaren geuit tegen de op het voormelde formulier gegeven indicaties van de noodzakelijk geachte (aanvullende) opleiding en ervaring.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het ingestelde beroep overwogen dat aan de beantwoording van een op het functiebeschrijvingsformulier gestelde vraag met betrekking tot het voor de functie vereiste opleidingsniveau geen andere dan indicatieve betekenis toekomt, hetgeen de rechtbank tot de conclusie heeft gebracht dat appellant bij het thans bestreden besluit geen belang heeft. De rechtbank heeft appellant dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Daarnaast heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat de gemeente Vlagtwedde aan appellant het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

In hoger beroep is namens appellant naar voren gebracht dat de rechtbank appellant ten onrechte niet heeft ontvangen in zijn beroep. Voorts zijn de voormelde grieven herhaald, waarbij is opgemerkt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geconcludeerd dat de bezwaren van appellant zich beperken tot het vereiste opleidingsniveau van de functie en niet gericht zijn tegen de vaststelling van het vragenformulier. Nu appellant het vragenformulier functie-onderzoek niet heeft ondertekend is geen overeenstemming bereikt over de indicatie van eisen.

De Raad overweegt het volgende.

In het algemeen zal het belang van degene die een functie vervult rechtstreeks betrokken zijn bij een besluit waarbij de functie is beschreven. Het gaat dan om de vastlegging van het samenstel van werkzaamheden die in de desbetreffende functie (kunnen) moeten worden verricht. Deze beschrijving is veelal niet alleen bepalend voor de uitkomst van de waardering van de functie maar bepaalt ook overigens de rechtspositie van de betrokken functievervuller. Dit een en ander geldt naar het oordeel van de Raad voor de weergave in een functiebeschrijving van de (hoofd)taken, van de functie-inhoud en van (bezwarende) werkomstandigheden. Een dergelijk besluit kan en moet door de rechter volledig getoetst worden op de houdbaarheid in rechte.

Anders ligt dit naar het oordeel van de Raad in het algemeen voor een in een functiebeschrijving tevens opgenomen, of voor een bij een dergelijke beschrijving gevoegde weergave van een indicatie van functie-eisen (veelal in een zogeheten chefsformulier), zoals de in geding zijnde indicaties van noodzakelijk geachte (aanvullende) opleiding en ervaring. In het algemeen is daarbij van een besluit, waarbij het belang van de ambtenaar rechtstreeks is betrokken, geen sprake. Een beschrijving van iemands taken en bevoegdheden bepaalt in het algemeen zijn (rechts)positie; daarvan is in het algemeen bij het geven van een eisen- of niveau-indicatie geen sprake. De omstandigheid dat in casu de functiebeschrijving, waaronder de onderhavige indicaties, op grond van de van toepassing zijnde regelgeving is vastgesteld door gedaagde, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders. Ook in een dergelijk geval blijft er slechts sprake van een indicatie.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar tegen de onderhavige indicatie van functie-eisen heeft ontvangen. Ten onrechte heeft de rechtbank evenwel geoordeeld dat appellant niet in zijn beroep kan worden ontvangen. De rechtbank had het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak alsmede het door appellant bestreden besluit vernietigen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij zijn uitspraak zelf alsnog het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaren.

In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand. Voorts zal op grond van artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet worden bepaald dat de gemeente Vlagtwedde aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van f 315,- vergoedt. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het inleidend beroep van appellant tegen het besluit van 11 juli 1995 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en verklaart in verband daarmee het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-, te betalen door de gemeente Vlagtwedde;

Bepaalt dat aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van f 315,- door de gemeente Vlagtwedde wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van B. Goos als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Goos.

HD

01.07

Q