Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-1999
Datum publicatie
11-08-2003
Zaaknummer
98/386 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42, geldigheid: 1999-11-26
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 1999-11-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

98/386 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Havenen aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 10 december 1996 heeft gedaagde geweigerd appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op en na 1 januari 1989 te herzien en nader vast te stellen naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan 35 tot 45%.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 15 december 1997 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 augustus 1999 heeft gedaagde enige vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 oktober 1999, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J. Nieuwstraten, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het volgende overwogen. "In december 1990 hebt u om een herziening van de eerder aan u toegekende wao-uitkering verzocht, omdat u sedert 1989 toegenomen arbeidsongeschikt zou zijn. De eerder aan u toegekende wao-uitkering werd sedert 1 januari 1974 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% tot 45%. Om voor een herziening van de eerder toegekende wao-uitkering in aanmerking te komen, dient u voor de rest verdiencapaciteit ingevolge de wao verzekerd te zijn of dient de toename van uw arbeidsongeschiktheid voort te vloeien uit dezelfde ziekte-oorzaak, waarvoor eerder een wao-uitkering werd toegekend. Bij beslissing van 9 april 1991 werd namens de bedrijfsvereniging aan u kenbaar gemaakt dat de herziening van de wao-uitkering werd geweigerd, omdat toename van uw arbeidsongeschiktheid niet voortvloeide uit dezelfde ziekte-oorzaak en u niet meer verzekerd was ingevolge de wao. Tegen die beslissing bent u in beroep gekomen en bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 juni 1994, aan partijen in afschrift toegezonden op 29 juli 1994, werd die beslissing vernietigd, omdat de beslissing van 9 april 1991 slechts was gebaseerd op een medisch oordeel en niet mede was gebaseerd op de resultaten van een actueel arbeidskundig onderzoek. Hierbij merken wij op dat tijdens die procedure wel in rechte is vast komen te staan dat de toename van uw medische beperkingen niet voortvloeide uit dezelfde ziekte-oorzaak als waarvoor eerder een wao-uitkering werd toegekend. Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep werd vervolgens alsnog een arbeidskundig onderzoek ingesteld met als resultaat een onveranderde indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35% tot 45%. Bij beslissing van 11 november 1994 bent u daarna in kennis gesteld van het feit dat ook na een aanvullend arbeidskundig onderzoek niet tot een herziening van de eerder toegekende wao-uitkering werd besloten. Ook tegen die beslissing bent u in beroep gekomen en bij uitspraak van 31 mei 1996 werd door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam uw beroep gegrond verklaard en de beslissing van 11 november 1994 vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het door de verzekeringsgeneeskundige in augustus 1994 voor u vastgestelde belastbaarheidspatroon in negatieve zin zou hebben afgeweken van de bevindingen van de door de Centrale Raad van Beroep in de eerdere procedure ingeschakelde medische deskundigen. Na kennis te hebben genomen van de inhoud van de uitspraak heeft het bestuur van de bedrijfsvereniging besloten om geen hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, maar een compleet nieuw, medisch en arbeidskundig, onderzoek te laten instellen naar een eventuele toename van uw arbeidsongeschiktheid voortvloeiende uit een zelfde ziekte-oorzaak als waarvoor eerder een wao-uitkering werd toegekend. Weigering herziening wao-uitkering. Blijkens de resultaten van het onderzoek bent u sedert januari 1989 als volledig arbeidsongeschikt te beschouwen in de zin van de wao, wegens een andere ziekte-oorzaak dan waarvoor eerder een wao-uitkering werd toegekend. Omdat die andere (psychische) ziekte-oorzaak geen rol mag spelen voor de vaststelling van de mate van uw arbeidsongeschiktheid bij een herziening van uw wao-uitkering wordt bij het opstellen van uw medische beperkingen en het daarop gebaseerde voor u geldende belastbaarheidspatoon geen rekening gehouden met die andere ziekte-oorzaak. Een en ander is geregeld in artikel 37 lid 1 tot en met 3 van de wao. Rekening houdend met uw medische beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekte-oorzaak als waarvoor in 1973 een wao-uitkering werd toegekend wordt u nog steeds in staat geacht met passende arbeid een inkomen te verdienen dat een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35% tot 45% rechtvaardigt, daarom wordt aan uw verzoek om verhoging van de wao-uitkering niet voldaan. Hierbij merken wij op dat het besluit om uw wao-uitkering niet te verhogen niet inhoudt dat u in staat wordt geacht de geduide passende functies daadwerkelijk te verrichten, maar dat wij van oordeel zijn dat u zonder de bijkomende medische beperkingen uit hoofde van een andere ziekte-oorzaak dan waarvoor eerder de wao-uitkering werd toegekend wel zou kunnen verrichten.".

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft deze vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis gehecht aan het rapport dat de orthopaedisch chirurg drs W.H.J.C. van Heeswijk op haar verzoek over appellant heeft uitgebracht. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 7 juli 1997 samengevat geconcludeerd dat hij met betrekking tot de rugklachten van appellant in de periode van 1 januari 1989 tot 10 december 1996 geen zodanige wijziging heeft kunnen constateren dat de door gedaagde in 1973, 1994 en 1996 vastgelegde beperkingen niet meer van toepassing waren, en voorts dat appellant in staat was tot het verrichten van passende arbeid, zoals door gedaagde omschreven.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij als gevolg van zijn ernstige rugklachten niet in staat is om rugsparend werk te verrichten. Voorts is appellant van mening dat het onderzoek door de orthopaedisch chirurg niet onbevooroordeeld heeft plaatsgevonden. Voorts heeft appellant verzocht om het verzekeringsgeneeskundig rapport van 27 augustus 1996 uit het dossier van de Raad te verwijderen omdat dat tot stand gekomen is in een periode waarin gedaagde niet gerechtigd zou zijn hem aan een medisch onderzoek te doen onderwerpen, namelijk in de periode waarin gedaagde (voorlopig) hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 mei 1996.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat gedaagde, blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit, heeft geweigerd appellants uitkering ingevolge de WAO te verhogen omdat er, volgens gedaagde, in de periode van 1989 tot 10 december 1996 geen sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid op basis van de sedert 1973 bestaande rugklachten van appellant.

Naar aanleiding van appellants verzoek om het rapport van de verzekeringsarts van 27 augustus 1996 uit het dossier te verwijderen, overweegt de Raad in de eerste plaats dat het bestreden besluit mede is gebaseerd op de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts die in dat rapport zijn neergelegd. Gelet op de reikwijdte van het bestreden besluit, zoals hierboven weergegeven, dient geoordeeld te worden dat het rapport van 27 augustus 1996 als een op de zaak betrekking hebbend stuk op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot het procesdossier behoort. Voorts overweegt de Raad dat de Awb noch de Beroepswet de Raad de mogelijkheid biedt om een op de zaak betrekking hebbend stuk uit het procesdossier te verwijderen. De Raad kan wel aan de inhoud van een bepaald processtuk voorbij gaan indien de Raad van oordeel is dat een bestuursorgaan, zoals gedaagde, de inhoud van het betreffende processtuk heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De Raad is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. In dat verband wijst de Raad er op dat gedaagde ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 27 augustus 1996 gerechtigd was om dat onderzoek te doen instellen. De omstandigheid dat gedaagde op dat moment hoger beroep had aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 mei 1996 doet daaraan niet af.

Ten aanzien van de medische kant van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Op basis van de beschikbare medische gegevens is de Raad van oordeel dat appellants rugklachten, naar objectieve maatstaven gemeten, sedert 1973 min of meer stationair zijn en dat hij in de thans in geding zijnde periode, indien uitsluitend zijn rugklachten in aanmerking worden genomen, in staat moet worden geacht rugsparende arbeid te verrichten. De Raad heeft daarbij met name betekenis toegekend aan het rapport van de deskundige Van Heeswijk, alsmede aan het rapport van de orthopaedisch chirurg dr J.R.N. Schrijver van 18 oktober 1991 en het rapport van de psychiater M. Kazemier en de neuroloog dr A.G.M. van Vliet van 7 maart 1994, welke rapporten in eerdere procedures omtrent appellant zijn uitgebracht. De Raad merkt nog op dat hem, evenals de rechtbank, niet gebleken is van de door appellant gestelde vooringenomenheid van de deskundige Van Heeswijk. De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, aanleiding gezien aan de volledigheid en objectiviteit van diens onderzoek en de daaruit door hen getrokken conclusies te twijfelen.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat gedaagde aan de hand van de zich onder de stukken bevindende arbeidskundige rapporten, waaronder het bij brief van 13 augustus 1999 overgelegde rapport, genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat appellant met rugsparende arbeid in de periode van 1989 tot 10 december 1996 een zodanig inkomen kon verdienen dat er, in vergelijking met zijn maatmaninkomen, sprake was van verlies aan verdiencapaciteit tussen de 35 en 45%.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 november 1999.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB