Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-1999
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
97/8884 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 57
Ambtenarenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2000/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/8884 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 19 augustus 1997 onder nr. AWB 96/7942 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Namens gedaagde is daarop gereageerd; voorts zijn nog enkele stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 november 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr G.R.A. Apol, verbonden aan Apol & Lamme, en waar

gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr J.Th.M. van Doesum, werkzaam op het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten.

Appellant is sedert 1971 werkzaam als (...) bij het onder gedaagde ressorterende Rijksinstituut X. (X.). Ten tijde in geding van belang was appellant werkzaam als teamleider (...).

Nadat al eerder, in het bijzonder in maart 1993, sprake was geweest van een incident betreffende het naar buiten treden van appellant in een beleidsgevoelige kwestie, is een presentatie van appellant in mei 1995 aanleiding geweest voor een werkoverleg tussen de directeur van het X., appellants afdelingshoofd - met wie appellant na diens benoeming tot hoofd van de afdeling een moeizame werkrelatie had - en appellant. Daarbij is appellant te verstaan gegeven dat hij "tot nader order niet namens X. naar buiten zal treden, omdat hij niet in staat geacht wordt de beleidsgevoeligheid van zijn opmerkingen naar waarde te schatten".

Op 30 november 1995 heeft appellant een door hem op het X. geschreven nota over visstand en visserijbeleid aan enkele leden van de Tweede Kamer gezonden. In de begeleidende brief stelt appellant dat hij de brief verzond "omdat de officiële informatievoorziening over dit onderwerp naar mijn mening te wensen overlaat". De brief bevat voorts de volgende passages:

"Bij de introduktie van het nieuwe Nederlandse beleid begin 1993 heb ik mij, als hoofd van de toenmalige afdeling Y. (...) van het X., krachtig verzet tegen de voorgenomen koerswijziging van de Nederlandse overheid. De meerderheid van mijn collega's op het X. was echter bevreesd voor kortingen op ons budget als gevolg van een kritische houding tegenover het Ministerie. Het X. heeft daarom medio 1993, na lange aarzeling, formeel ingestemd met het nieuwe beleid.

Sindsdien is discussie over dit onderwerp binnen het X. niet meer mogelijk. Mijn verdere pogingen om het onderwerp aan te kaarten hebben geleid tot opheffing van mijn afdeling en tot de uitvaardiging van een formeel spreekverbod door de X. directie. Ook de bespreking van bijgaande discussienota binnen het X. is geweigerd."

Dit heeft geleid tot een verder verstoorde verhouding met het afdelingshoofd en tot een verstoorde verhouding met (enkele) bij appellants beleidsterrein betrokken collega's op de afdeling. Twee van hen hebben dit neergelegd in een brief van 21 december 1995 waarin zij trachten de verstoorde verhoudingen binnen de afdeling te analyseren. De brief, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, eindigt met de constatering:

"De zakelijke conflictpunten zijn inmiddels echter zo hoog opgelaaid dat wij geen basis meer zien om het nog eens te proberen. Daarvoor is teveel gepasseerd. Dit is niet alleen voor jou maar voor ons allen een pijnlijke konstatering."

De vaststelling (ook) door gedaagde van de verstoorde verhoudingen heeft hem aanleiding gegeven tot het besluit van 11 januari 1996 waarbij hij appellant heeft overgeplaatst naar de functie van senior-projectleider (...). Na bezwaar heeft gedaagde dit besluit gehandhaafd bij het door appellant bestreden besluit van 26 juni 1996.

Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Appellant kan zich niet verenigen met die uitspraak en heeft onder meer aangevoerd dat het bewijs voor het bestaan van verstoorde relaties met zijn collega's uitsluitend is gebaseerd op voornoemde brief van twee collega's, dat de problemen met het afdelingshoofd voortkwamen uit het feit dat dat hoofd al een zeer kritische houding innam tegenover appellant toen zij beiden nog als collega's op gelijke voet stonden, dat het verschaffen van informatie niet appellants gewoonte is en dat er voor het verzenden van de nota aan leden van de Tweede Kamer verzachtende omstandigheden zijn aan te voeren, dat de overplaatsing een straf buiten proporties is en dat de overplaatsing een onlogische maatregel is omdat redelijkerwijs niet te verwachten was dat hierdoor de arbeidsverhoudingen zouden verbeteren.

De Raad overweegt als volgt.

Het overplaatsingsbesluit is gebaseerd op arikel 57, tweede lid (oud), van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Deze bepaling geeft een bestuursorgaan de bevoegdheid, wanneer het belang van de dienst zulks vereist, aan een ambtenaar een andere betrekking op te dragen die hem, in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 1994, TAR 1994, 144) bestaat een dergelijke overplaatsing uit twee componenten, te weten de ontheffing uit de ene betrekking en het opdragen van een andere betrekking, in verband waarmee de motivering van een overplaatsingsbesluit van uiteenlopende aard kan zijn, al naar gelang het accent valt op de wenselijkheid een ambtenaar uit een betrekking te ontheffen dan wel op de wenselijkheid een andere betrekking door die ambtenaar te doen vervullen. In beide gevallen moet worden voldaan aan de eis, dat de nieuwe betrekking passend is.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft vastgesteld dat sprake was van verstoorde verhoudingen, niet alleen tussen appellant en zijn afdelingshoofd, maar ook - als het ging om het beleidsgevoelige terrein waarop appellant werkzaam was - tussen appellant en (enkele) collega's. Er was voorts sprake van een zodanige verstoring dat het dienstbelang vergde dat maatregelen werden genomen.

Appellant heeft in het voortbestaan en escaleren van de verstoorde verhoudingen een zeer groot aandeel gehad. De Raad verwijst in dit verband naar de geciteerde passages uit de begeleidende brief van appellant aan leden van de Tweede Kamer. Van verzachtende omstandigheden die een rechtvaardiging zouden kunnen zijn voor het verzenden van een dergelijke brief, is de Raad niet gebleken. De Raad heeft voorts moeten vaststellen dat appellant geen deugdelijke pogingen heeft gedaan om "binnenshuis" tot een oplossing te komen voor het kunnen omgaan met de ernstige verschillen van inzicht in beleidsgevoelige kwesties tussen appellant en (bijna) de gehele afdeling. Gedaagde kon daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid appellant van zijn functie te ontheffen.

De aan appellant opgedragen betrekking betreft een functie van (...) van (ongeveer) het zelfde niveau als dat van appellants vroegere functie. Dat het in die nieuwe functie om een ander specialisme gaat en dat die functie ligt op een niet-beleidsgevoelig terrein, maakt de functie niet onaanvaardbaar.

Ofschoon de Raad zich de bedenkingen van appellant tegen de plaatsing in dezelfde afdeling en in een niet meer gelijkwaardige positie ten opzichte van enkele collega's met wie de samenwerking verstoord is, kan voorstellen, acht de Raad deze setting van zijn nieuw opgedragen functie niet van zodanige betekenis dat de plaatsing daarom rechtens onhoudbaar geacht zou moeten worden. Daarbij betrekt de Raad het feit dat de plaatsing in een functie die niet is gelegen op een beleidsgevoelig terrein de verwachting kon geven - welke niet is bewaar-

heid - dat problemen als voorheen, die te maken hadden met ernstige verschillen van inzicht in beleidsgevoelige onderwerpen, zouden uitblijven, dat appellant zelf de verstoring van de verhouding met (enkele) collega's betwist(te) en voorts dat, zoals appellant desgevraagd ter zitting heeft geantwoord, enige andere passende functie binnen het gezagsbereik van gedaagde niet voorhanden was.

De Raad komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat het besluit van gedaagde om appellant een andere functie op te dragen, in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding om toepasssing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr J.H. van Kreveld en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A. Bach Kolling.

HD

08.12

Q