Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-1999
Datum publicatie
18-11-1999
Zaaknummer
98/1810 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:5
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren 39
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 1
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/76
TAR 2000/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/1810 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

mr A, wonende te B, eiseres,

en

de Minister van Justitie, verweerder I,

de President van de Arrondissementsrechtbank te Roermond, verweerder II.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I het door eiseres gemaakte bezwaar

tegen de ten aanzien van haar over de periode januari tot en met oktober 1996 door

verweerder II vastgestelde beoordeling, na aanvulling daarvan, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op daartoe bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden beroep

tegen dat besluit ingesteld.

Verweerder I heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en nadien desgevraagd

nog nadere stukken ingezonden.

Verweerder II heeft bij schrijven van 7 juli 1999 desgevraagd bericht het bestreden

besluit, indien nodig, voor zijn rekening te nemen.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 1999 waar eiseres in persoon is

verschenen, bijgestaan door mr C.M.H.T. Fleurkens, verbonden aan ABVAKABO.

Verweerder I heeft zich doen vertegenwoordigen door R. Chardet, werkzaam bij het

Ministerie van Justitie. Verweerder II, mr G.A.M. Stevens, is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

Eiseres, destijds universitair docent, is bij Koninklijk Besluit van 25 augustus 1993

benoemd tot rechter-plaatsvervanger in de Arrondissementsrechtbank te Roermond.

Als zodanig was zij voor één dan wel twee dagen per week werkzaam bij

achtereenvolgens de handelskamer en de familiekamer. Bij Koninklijk Besluit van 22

december 1995 is eiseres met ingang van 1 januari 1996 voor 32 uur per week

benoemd tot gerechtsauditeur. Deze benoeming vond plaats nadat eiseres van de

commissie aantrekken leden rechterlijke macht het "groene licht" had gekregen om als

zogeheten "buitenstaander" in opleiding te worden genomen. Met ingang van

evengenoemde datum is haar opleiding in de strafsector aangevangen, met dien

verstande dat zij in de maanden januari en februari 1996 nog voor ongeveer 50% van

haar werktijd heeft gewerkt ten behoeve van de familiekamer.

Op 30 juli 1996 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij haar functioneren in de

strafsector aan de orde is gesteld en waarbij haar te verstaan is gegeven dat ze nog

niet toe was aan het zelfstandig doen van politierechterzittingen. In verband daarmee

is het aanvankelijk geplande zittingrooster aangepast. Op 16 oktober 1996 heeft een

functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarbij aan de hand van de

beoordelingscriteria van het zogenaamde Middelburgs beoordelingsstatuut de

verschillende aspecten van haar functioneren zijn besproken. Korte tijd nadien heeft zij

vakantie opgenomen en aansluitend heeft zij zich ziek gemeld. Op 23 december 1996

is een beoordeling opgemaakt met als eindconclusie dat het functioneren in de

strafsector in zijn totaliteit als onvoldoende wordt gewaardeerd. Na schriftelijke reactie

van de opleiders, de opleidingscoördinator en de sectorvoorzitter van de strafsector en

na bespreking van de door eiseres ingebrachte opmerkingen heeft verweerder II op 1

mei 1997 de beoordeling ongewijzigd vastgesteld.

Bij het thans bestreden besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder I de bezwaren

van eiseres tegen deze beoordeling -na aanvulling van die beoordeling met

waarderings-codes- ongegrond verklaard, tegen welk besluit eiseres tijdig beroep heeft

ingesteld bij de Raad.

De Raad overweegt als volgt.

In dit geding is primair aan de orde de vraag of verweerder I bevoegdelijk heeft beslist

op het bezwaar van eiseres tegen de door verweerder II vastgestelde beoordeling.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.

Eiseres is met toepassing van artikel 108, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke

organisatie (Wet RO) op voordracht van de Minister van Justitie door de Kroon

benoemd tot gerechtsauditeur.

Als gerechtsauditeur hoort zij tot de rechterlijke ambtenaren en geldt de president van

de rechtbank voor haar als functionele autoriteit (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder

b, respectievelijk tweede lid, aanhef en onder b van de Wet rechtspositie rechterlijke

ambtenaren (Wrra), zoals die wet luidde ten tijde van belang).

Op grond van de tot 1 januari 1997 geldende tekst van artikel 39 van het Besluit

rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) was onder meer artikel 71 van het

Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) ten aanzien van niet voor het leven

benoemde rechterlijke ambtenaren van overeenkomstige toepassing; blijkens artikel

39 van het met ingang van 1 januari 1997 gewijzigde Brra is sedertdien het op artikel

125 onder l (voordien j) steunende hoofdstuk VIIA van het ARAR, met daarin artikel 71

ARAR met bepalingen over beoordeling, niet langer van overeenkomstige toepassing.

Bij gebreke van regeling in het Brra zelf was dus voor eiseres als gerechtsauditeur

(evenals voor de voor het leven benoemde leden van de rechterlijke macht) sedert 1

januari 1997 geen voorschrift aanwijsbaar dat een directe grondslag biedt voor

beoordeling en de daarbij in acht te nemen procedurevoorschriften.

Een en ander betekent naar het oordeel van de Raad evenwel niet dat een

gerechtsauditeur sedert 1 januari 1997 niet langer met het oog op een verantwoorde

voorbereiding van zich aandienende beheersbeslissingen beoordeeld zou kunnen

worden. Nog daargelaten dat de beoordeling in casu op 23 december 1996 is

opgemaakt heeft verweerder II zich als functionele autoriteit in het kader van de

opleiding van eiseres terecht bevoegd geacht ook na 1 januari 1997 een beoordeling

(te doen opmaken en deze) vast te stellen. De Raad is tevens van oordeel dat

verweerder II, bij gebreke van een direct toepasselijk beoordelingsvoorschrift, die

beoordeling heeft kunnen (doen) uitvoeren met overeenkomstige toepassing van het

bij de gerechten ook overigens gebruikelijke Beoordelingsvoorschrift Ministerie van

Justitie 1987.

Het gegeven dat het analoog toegepaste beoordelingsvoorschrift de Minister van

Justitie aanwijst als bevoegd gezag en in artikel 8 bepaalt dat het bevoegd gezag

beslist op bezwaren tegen een vastgestelde beoordeling kan evenwel niet

bewerkstelligen dat ten aanzien van een gerechtsauditeur de Minister van Justitie kan

gelden als tot het nemen van besluiten op bezwaar bevoegd gezag. Ten tijde van de

bestreden beslissing gold deze bepaling immers niet meer als een -verbindend-

voorschrift waarop verweerder I zijn bevoegdheid in gevallen als deze mogelijk kon

doen berusten. Het aannemen van een zodanige bevoegdheid is bovendien bij het

licht ook van de bijzondere staatsrechtelijke positie van rechterlijke ambtenaren niet

wel te verenigen met de strekking van de Wrra.

Gegeven de (bevoegdheid tot) vaststelling van de beoordeling door de president en bij

gebreke van een toepasselijk andersluidend voorschrift, is ingevolge de hoofdregel

van artikel 1:5 van de Awb in verbinding met afdeling 7.2 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) de president bevoegd tot het beslissen op de bezwaren tegen een

door hem vastgestelde beoordeling.

Het bestreden besluit van 30 januari 1998 van verweerder I kan derhalve niet in stand

blijven en dient te worden vernietigd.

Gegeven de schriftelijk verklaring van verweerder II van 7 juli 1999 dat hij het besluit

van verweerder I van 30 januari 1998 voor zijn rekening neemt, zal de Raad met

instemming van eiseres en om redenen van proceseconomie het beroep aanmerken

als mede te zijn gericht tegen het besluit van verweerder II en zich uitspreken over het

geschil dat partijen verdeeld houdt, te weten of de ten aanzien van eiseres na bezwaar

gehandhaafde beoordeling op onvoldoende gronden berust.

De grieven van eiseres betreffen (a) het gegeven dat de adviescommissie buiten haar

bevoegdheid is getreden door waarderingscodes toe te kennen, (b) dat de beoordeling

onzorgvuldig is omdat er geen opleidingsplan was en de functie-eisen niet vooraf

bekend waren, (c) dat er geen rekening mee is gehouden dat zij bovenmatig werd

belast, (d) dat zij vanwege het "uithelpen" van de familiesector geen kans heeft gehad

zich van meet af aan ten volle op het strafrecht te richten, (e) dat haar fysieke conditie

slecht was, (f) dat anders dan in de beoordeling is vermeld geen sprake was van een

langere dan normale opleidingsperiode, (g) dat er ten onrechte een vergelijking is

gemaakt met het functioneren van RAIO's, (h) dat de beoordeling onvoldoende

concreet is en (i) dat er geen sprake was van het bij herhaling niet nakomen van

auditeerafspraken maar van één geval, waarbij sprake was van een misverstand.

De Raad ziet geen aanleiding de beoordeling aan te tasten op grond van het na

bezwaar toevoegen van waarderingscodes. Deze vormen immers op zichzelf, los van

de inhoudelijke juistheid, een adequate vertaling van de na bezwaar ongewijzigd

gebleven verbale omschrijvingen; deze aan het primaire besluit klevende omissie kon

ook in bezwaar worden hersteld.

Wat betreft de slechte fysieke conditie van eiseres acht ook de Raad van belang dat

eiseres daarvan in de beoordelingsperiode geen melding heeft gemaakt en dat een

minder goede gezondheidstoestand er overigens niet toe kan leiden dat in het kader

van de beoordeling van de functievervulling lagere functie-eisen worden gehanteerd.

De Raad stelt vast dat op het beoordelingsformulier als relevante omstandigheid is

vermeld dat eiseres in december 1995 onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich

voor te bereiden op de werkzaamheden in de strafsector en dat zij gedurende de

maanden januari en februari (1996) nog werkzaamheden voor de familiesector heeft

verricht. Die omstandigheden zijn derhalve reeds in beschouwing genomen bij de

vaststelling van de beoordeling.

De Raad stelt voorts vast dat uit de gedingstukken blijkt dat eiseres niet ontkent dat zij

in de beoordelingsperiode in strafrechtelijke kennis tekort schoot en ook -naar blijkt uit

het verslag van het functioneringsgesprek van 16 oktober 1996 en haar reactie

daarop- dat zij zich nog niet in staat achtte om zelfstandig politierechterzittingen te

leiden, zodat niet kan worden gezegd dat de gegeven waarderingen in zoverre op

onvoldoende gronden berusten. De Raad heeft daarnaast vastgesteld dat de gegeven

kwalificaties worden gedragen door alle rechters van de strafsector.

De overige bezwaren en tevens de kern van de bezwaren van eiseres zijn naar de

Raad begrijpt dan ook gelegen in de opvatting dat er te zware eisen aan haar zijn

gesteld, dat zij niet op de hoogte was van die eisen en dat haar meer tijd had moeten

worden gegund om aan de eisen te voldoen.

Gezien de gedingstukken en gehoord hetgeen verweerder II ter zitting desgevraagd

heeft uiteengezet en toegelicht komt de Raad tot het oordeel dat deze grieven geen

doel treffen. Voordat eiseres werd benoemd tot gerechtsauditeur heeft verweerder II

met haar gesproken, waarbij zij er zelf voor heeft gekozen haar opleiding te vervolgen

in de strafsector. Naar verweerder II ter zitting heeft verklaard is daarbij een

opleidingsduur van één jaar ter sprake geweest. Ook met beide

opleiders/beoordelaars is vooraf gesproken. Indien er desondanks onvoldoende

duidelijkheid was omtrent de eisen en het tijdstip waarop zij daaraan moest voldoen

had het op de weg van eiseres gelegen om tijdig om de gewenste duidelijkheid te

vragen.

De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat voor

eiseres -tot de uitroostering voor de politierechterzittingen eind juli 1996- een ander

dan het voor gerechtsauditeurs gebruikelijke opleidingsprogramma en andere dan de

gebruikelijke eisen hebben gegolden. Ook wat betreft de netto opleidingstijd verschilt

de situatie van eiseres niet van die van anderen, die immers evenzeer op gezette

tijden verlof genieten. Tenslotte heeft eiseres zelf de opleiding bekort door enkele

weken na het functioneringsgesprek van oktober 1996 de conclusie te trekken dat

voortzetting van de opleiding niet zinvol was. Weliswaar heeft verweerder II

toegegeven dat het achteraf bezien niet zo gelukkig is geweest eiseres te vragen de

familiesector "uit te helpen", maar de Raad is niet tot de overtuiging kunnen komen dat

dit gegeven

-dat geacht moet worden in de beoordeling te zijn verdisconteerd- als overwegende

oorzaak aangewezen kan worden voor de onvoldoende beoordeling. Datzelfde geldt

voor een eventueel misverstand over een auditeerafspraak.

Het vorenstaande leidt er toe dat de in geding zijnde vraag ontkennend moet worden

beantwoord en dat het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder II

ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad vindt in het vorenstaande aanleiding verweerder I te veroordelen in de

proceskosten van eiseres ten bedrage van f 710,- aan kosten voor rechtskundige

bijstand.

Tevens dient aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van f 210,- te

worden vergoed.

Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 1998 van verweerder I gegrond

en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt verweerder I in de proceskosten van eiseres ten bedrage van f 710,- te

betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ten bedrage van

f 210,- vergoedt;

Verklaart het beroep tegen het besluit van verweerder II ongegrond.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-

Jonkers en mr J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van

Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

26.10

Q