Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
01-07-1999
Zaaknummer
97/6163 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/126

Uitspraak

97/6163 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 27 juni 1997 onder nr. AW 95/11766/27 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 mei 1999, waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr J.W. Verhoef, advocaat te Amstelveen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr M. Burghout, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

Appellant is met ingang van 1 januari 1990 in dienst getreden van de gemeente Amsterdam, aanvankelijk, in afwachting van de definitieve besluitvorming ter zake van de oprichting van het X. (X.), als hoofd van de hoofdafdeling Y. van de dienst Openbare Werken. Vervolgens is appellant met ingang van 1 maart 1990 de functie van directeur van het X. gaan bekleden. In verband met deze benoeming is appellant door het X. een leaseauto ter beschikking gesteld. Ten gevolge van de opheffing van het X. is appellant met ingang van 1 januari 1995 eervol ontslag verleend als directeur van het X. en is hij met ingang van die datum werkzaamheden gaan verrichten bij het Gemeentevervoerbedrijf.

Bij besluit van 27 januari 1995 heeft gedaagde appellant onder meer medegedeeld dat ten gevolge van het ontslag als directeur bij het X. het gebruik van de leaseauto wordt afgebouwd in die zin dat appellant de leaseauto mag blijven gebruiken tot het einde van het leasecontract (25 september 1996) en dat hij in aansluiting daarop met ingang van 1 oktober 1996 jaarlijks gedurende 4 jaar in aanmerking wordt gebracht voor een bedrag van f 15.000,- bruto.

Bij het bestreden besluit van 17 november 1995 heeft gedaagde - na gemaakt bezwaar - het besluit van 27 januari 1995 ongewijzigd gehandhaafd. Appellants beroep hiertegen is door de rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en in beroep naar voren gebrachte grieven herhaald. Ten eerste kan hij zich er niet mee verenigen dat het gebruik van de leaseauto is afgebouwd. In dat verband heeft appellant er op gewezen dat het ter beschikking stellen van de leaseauto een gevolg is geweest van de omstandigheid dat bij zijn benoeming tot directeur van het X. geen overeenstemming kon worden bereikt over het salaris. Appellant wenste in aanmerking te komen voor inschaling in salarisgroep 18 terwijl door gedaagde niet meer kon worden geboden dan salarisgroep 17. Uiteindelijk heeft appellant het door gedaagde gedane aanbod om hem in te schalen in salarisschaal 17 en hem daarnaast een leaseauto ter beschikking te stellen, geaccepteerd. Door voormelde gang van zaken moet het ter beschikking stellen van de leaseauto worden beschouwd als een vast onderdeel van het salaris dat naar zijn oordeel niet mag worden afgebouwd. Volgens appellant is dit standpunt ook bevestigd in de correspondentie over zijn rechtspositie die is ontstaan nadat duidelijk was geworden dat het X. werd opgeheven, onder meer in een brief van de directeur van de dienst Openbare Werken van 31 mei 1992. Voorts is appellant van oordeel dat hem tijdens besprekingen in maart 1991 over de eventuele opheffing van het X. door de voormalige wethouder Staf- en Steundiensten toezeggingen zijn gedaan dat hij bij het aanvaarden van een andere betrekking binnen de gemeente Amsterdam er financieel niet op achteruit zou gaan. Dergelijke toezeggingen blijken volgens appellant eveneens uit de voormelde correspondentie over zijn rechtspositie, onder meer uit een brief van de directeur Personeelszaken van 29 januari 1993.

Tot slot is appellant, voorzover voormelde grieven niet tot een vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden, van oordeel dat de getroffen afbouwregeling niet voldoende is.

Naar het oordeel van de Raad kunnen de door appellant naar voren gebrachte grieven niet tot een vernietiging van het bestreden besluit leiden. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat het ter beschikking stellen van de leaseauto door gedaagde niet kan worden beschouwd als een primair inkomensbestanddeel dat niet mag worden afgebouwd. Daarbij wijst de Raad in de eerste plaats op het gestelde in de brief van 8 november 1989 van de directeur Openbare Werken, waarin appellant wordt medegedeeld dat hem in verband met zijn benoeming tot directeur van het X. een auto door het X. ter beschikking wordt gesteld. De in die brief gebezigde redactie, waarmee appellant destijds akkoord is gegaan, wijst er naar het oordeel van de Raad op dat het ter beschikking stellen van de leaseauto gekoppeld was aan het directeurschap van het X. De Raad is op grond van de overige gedingstukken, waaronder de voormelde brief van de directeur van de dienst Openbare Werken van 31 mei 1992, niet tot een andere conclusie gekomen.

Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat gedaagde het ter beschikking stellen van de leaseauto niet heeft mogen afbouwen. Voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellant in maart 1991 tijdens besprekingen over de toekomst van het X. rechtens afdwingbare toezeggingen zijn gedaan van het behoud van de onderhavige faciliteit bij verandering van functie. Dergelijke toezeggingen blijken naar het oordeel van de Raad evenmin uit de hierboven bedoelde correspondentie over de rechtspositie van appellant, waaronder de voormelde brief van 29 januari 1993 van de directeur Personeelszaken.

Met betrekking tot de bezwaren van appellant tegen de omvang en duur van de afbouwregeling overweegt de Raad dat deze door de Raad, mede gezien in relatie tot de duur van het directeurschap van appellant van het X., niet onredelijk kan worden geacht. De getroffen regeling is naar het oordeel van de Raad dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid en zorgvuldigheid.

Tot slot merkt de Raad op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het gegeven dat appellant geen bezwaren heeft gemaakt tegen het gestelde in de brief van 14 mei 1992 van de wethouder Staf- en Steundiensten, nu deze brief niet een aan appellant gericht besluit bevatte maar slechts informatie verschafte aan een raadscommissie. Aan de hierboven door de Raad getrokken conclusie over de houdbaarheid van het bestreden besluit doet dit evenwel niet af.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, moet worden bevestigd.

Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist moet worden als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

22.06

Q