Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
97/5642 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-H 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/5642 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 3 juni 1997 onder nummer AWB 95/615 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd zijn namens appellant nog nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 mei 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.H.J. van Gastel, werkzaam bij USZO Diensten B.V..

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr Th.A.P.M. van Gemert, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad met vermelding van het volgende.

Aan gedaagde is in verband met haar ontslag uit ambtelijke dienst bij de Stichting X. te Y. ingaande 1 augustus 1992 een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) toegekend. Bij besluit van 5 december 1994 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen een besluit tot terugvordering van een bedrag van f. 2.861,19 ongegrond verklaard. Aan deze terugvordering ligt ten grondslag dat aan appellant pas op 29 oktober 1993 is gebleken dat gedaagde op de ingangsdatum van haar ontslaguitkering reeds een werkloosheidsuitkering genoot van de Detam, welke uitkering op grond van artikel I-H 15 van het Rpbo dient te leiden tot herberekening en gedeeltelijke uitbetaling van de ontslaguitkering. Appellant heeft het enkele feit dat het om een complexe materie gaat onvoldoende geacht voor inwilliging van het verzoek om kwijtschelding.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft gedaagde gevolgd in haar verklaring dat zij eind augustus 1992 opgave heeft gedaan van het ontvangen van de Detam-uitkering. Dat gedaagde pas op het maandformulier van juli 1993 de hoogte van de uitkering van de Detam heeft vermeld betekent volgens de rechtbank niet dat door toedoen van gedaagde teveel ontslaguitkering is verstrekt. De rechtbank heeft ten overvloede nog opgemerkt dat de mededeling van de inkomsten op het maandformulier van juli en augustus 1993 in ieder geval met zich mee had dienen te brengen dat terugvordering over de periode na januari 1994 vanwege de zogeheten 6-maands jurisprudentie achterwege had dienen te blijven.

Appellant heeft in hoger beroep betwist dat gedaagde eerder dan op het -eind augustus 1993 door appellant ontvangen- maandformulier van juli 1993 melding heeft gemaakt van haar Detam-uitkering. Dat gedaagde in augustus 1992 de toekenningsbeschikking aan appellant zou hebben gezonden blijkt volgens appellant nergens uit. Uit een telefoonnotitie van 29 oktober 1993 komt veeleer naar voren dat gedaagde meende dat ze de Detam-uitkering niet hoefde op te geven, omdat die reeds was ingegaan vóór het moment waarop haar Rpbo-ontslaguitkering inging. Gedaagde heeft voorts nagelaten die inkomsten te vermelden op de tussen augustus 1992 en juli 1993 ingestuurde maandformulieren. Appellant is tenslotte nog van mening dat de 6-maands jurisprudentie niet van toepassing is omdat gedaagde de neveninkomsten bewust of onbewust heeft verzwegen. Indien die jurisprudentie wel van toepassing zou zijn dan is terugvordering mogelijk tot zes maanden na 25 augustus 1993, omdat het maandformulier over juli 1993 pas op die datum is binnengekomen. Appellant heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

In geding is of het besluit van appellant om van gedaagde een bedrag van f. 2.861,19 terug te vorderen op de grond dat door toedoen van gedaagde teveel aan uitkering is betaald in rechte in stand kan blijven.

De Raad overweegt het volgende.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant teveel uitkering heeft betaald door toedoen (nalaten) van gedaagde.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant pas in oktober 1993, bij de controle van de maandformulieren over juli en augustus 1993, heeft geconstateerd dat gedaagde een werkloosheidsuitkering van de Detam ontving. Appellant heeft vervolgens telefonisch contact gezocht met gedaagde en tevens schriftelijk een kopie van de toekenningsbeschikking opgevraagd. Bij een daarop volgend door gedaagde geïnitieerd telefoongesprek op 29 oktober 1993 heeft gedaagde blijkens een telefoonnotitie gezegd dat ze de inkomsten van de Detam nooit heeft opgegeven omdat die waren ingegaan voordat de Rpbo-uitkering inging. Indien gedaagdes stelling juist is dat zij de toekenningsbeschikking van de Detam meteen na ontvangst eind augustus 1992 naar appellant heeft doorgezonden dan moet de Raad constateren dat gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dat stuk op deugdelijke wijze heeft verzonden. Aangezien gedaagde voorts tot en met het maandformulier van juni 1993 bij de vragen 8 en 9 nimmer melding heeft gemaakt van de inkomsten van de Detam, is de Raad van oordeel dat, hoe veelvuldig gedaagde overigens met appellant contact heeft gezocht over de juistheid van haar uitkering, niet is komen vast te staan dat zij appellant vóór 25 augustus 1993 op deugdelijke wijze (schriftelijk) heeft geïnformeerd over de inkomsten van de Detam en de hoogte van die inkomsten. Appellant was daarom bevoegd om het teveel betaalde van gedaagde terug te vorderen. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.

De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of gezegd moet worden dat appellant, gebruik makend van zijn terugvorderingsbevoegdheid, bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn besluit om het teveel betaalde geheel terug te vorderen, dan wel anderszins in strijd is geraakt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

Dienaangaande acht de Raad blijkens vaste jurisprudentie van belang of het bestuursorgaan voldoende voortvarend reageert op signalen waaruit valt af te leiden dat er teveel wordt betaald en kan de wijze van gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid in het algemeen de

toetsing van de Raad niet meer doorstaan, voorzover uitkering wordt teruggevorderd over periodes gelegen ongeveer zes maanden na het signaal waarop het bestuursorgaan actie had moeten nemen.

Gelet hierop had appellant, nu vaststaat dat gedaagde eind augustus 1993 alsnog opgave van haar Detam-uitkering heeft gedaan, de terugvordering dienen te beperken tot hetgeen vóór 1 maart 1994 op die grond teveel is betaald en kan het bestreden besluit, (slechts) voorzover daarbij over latere maanden nog is teruggevorderd niet in stand blijven.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellant niet geheel kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

De Raad vindt in het vorenstaande tevens aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, ten bedrage van f 1.420,-- aan kosten van rechtskundige bijstand en f 26,-- aan reiskosten van gedaagde.

Beslist wordt als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant op gedaagdes bezwaar opnieuw dient te beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van in totaal f 1.446,--, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

16.06

Q