Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
97/4593 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 21
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 21
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-H 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/4593 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 24 april 1997 onder nr. 96/5943 AW gegeven uitspraak waarnaar hierbij wordt verwezen.

Appellant heeft desgevraagd nog enkele stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 mei 1999.

Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr J.H.J. van Gastel, werkzaam bij USZO-Diensten B.V.. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr H.M. van Dam, advocaat te Haarlem.

II. MOTIVERING

Gedaagde was voor 19 uur en 41 minuten per week als docent aangesteld en voor het overige als zelfstandig fysiotherapeut werkzaam. Per 1 december 1992 is hij als docent wegens opheffing van zijn functie ontslagen en is hem wachtgeld toegekend. Hij bleef blijkens zijn aan appellant toegezonden maandformulieren voor ongeveer 20 uur per week als fysiotherapeut werkzaam. Vanwege de aldus verworven aangehouden inkomsten diende zijn wachtgeld ingevolge artikel I-H 15, eerste lid, van het

Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) niet te worden uitbetaald voorzover die inkomsten vermeerderd met zijn laatstelijk genoten bezoldiging de normbezoldiging overschreden. Tot en met november 1995 heeft appellant het wachtgeld zonder korting uitbetaald.

Appellant heeft op 7 juni 1993, 12 augustus 1994 en

1 december 1994 bij de belastinginspectie navraag gedaan naar de omvang van gedaagdes winst over 1991, 1992 en 1993, zoals door die inspectie vastgesteld. De belastinginspectie heeft steeds de gevraagde gegevens verstrekt. Eerst omstreeks november 1995 heeft appellant zich tot gedaagde gewend, hem gevraagd of de door de belastingdienst over 1991-1993 verstrekte gegevens juist waren en verzocht een afschrift van de aangifte inkomstenbelasting 1994 over te leggen. Na gedaagdes antwoord heeft appellant bij zijn besluit van 5 december 1995 besloten het bedrag dat hij gedaagde sedert 1 december 1992 onverschuldigd betaald had, terug te vorderen.

Na bezwaar heeft appellant, overwegend dat artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) het niet mogelijk maakt om langer dan twee jaar na de dag van betaalbaarstelling terug te vorderen, de terugvordering beperkt tot het over 1994 en 1995 onverschuldigd betaalde. Hiermee bedoelde appellant kennelijk de terugvordering te beperken tot hetgeen hij in die jaren tot 5 december 1995 onverschuldigd had betaald.

Bij de aangevallen uitspraak is gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht en is dat besluit vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde, zeker tot hij het besluit van 5 december 1995 ontving, redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hem teveel wachtgeld was betaald. Voorts acht de rechtbank de motivering van het bestreden besluit te gebrekkig, omdat zij niet duidelijk acht of aan het bestreden besluit artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van het BWOO, ten grondslag ligt.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant van meet af aan bij de uitbetaling van gedaagdes ontslaguitkering voor een deel onverschuldigd heeft betaald. Het geschil is in hoger beroep beperkt tot de vraag of en vanaf welk tijdstip gedaagde dit redelijkerwijs duidelijk kon zijn.

Naar het oordeel van de Raad is appellant er terecht van uitgegaan dat gedaagde uit de hem ten tijde van zijn aanvraag toegezonden algemene informatie kon weten, dat zijn aangehouden inkomsten als zelfstandig fysiotherapeut mogelijk tot korting op zijn wachtgeld zouden leiden.

Niettemin is de Raad van oordeel dat het gedaagde tot de ontvangst van het besluit van 5 december 1995 niet duidelijk kon zijn dat hij (steeds) een te hoog bedrag aan ontslaguitkering had ontvangen.

Bij zijn aanvraag (vraag 5a) heeft gedaagde vermeld dat hij ook andere inkomsten dan uit zijn voormalige betrekking genoot. Naar aanleiding van het verzoek om een loonstaat bij te voegen heeft hij, naar voor de Raad voldoende aannemelijk is, zijn winst- en verliesrekening of belastingaangifte over 1991 meegezonden, aangezien hij als zelfstandige geen (vast) loon genoot. De vraag op het aanvraagformulier naar de omvang van de bruto maandinkomsten heeft hij niet beantwoord. Op de nadien ingezonden maandformulieren heeft hij steeds melding gemaakt van (de omvang van) zijn werkzaamheden als fysiotherapeut, maar steeds de vraag naar de bruto maandinkomsten per maand niet beantwoord omdat van de zijde van appellant naar aanleiding van gedaagdes verzoek om opheldering te kennen was gegeven dat niet duidelijk was of en hoe die vraag moest worden beantwoord.

Gedaagde mocht naar het oordeel van de Raad menen dat hij appellant bij zijn aanvraag en nadien via de maandformulieren voldoende op de hoogte had gesteld van de omvang van zijn werkzaamheden als fysiotherapeut en de daaruit naar verwachting te verwerven inkomsten. Appellant heeft, zoals namens hem is erkend, ten onrechte nagelaten om binnen een redelijk te achten termijn na gedaagdes aanvraag - ter zitting namens appellant op zes maanden gesteld of na ontvangst van de maandformulieren- gedaagde nadere informatie over de omvang van de aangehouden inkomsten te vragen met het oog op een eventueel aan te brengen korting bij de maandelijkse uitbetalingen.

Na het verstrijken van die redelijke termijn (medio 1993) mocht gedaagde er naar het oordeel van de Raad van uitgaan, nu hij de omvang van zijn werkzaamheden als fysiotherapeut na het ontslag niet had uitgebreid en nu ook de hoogte van het uitbetaalde bedrag - een afnemend percentage van zijn voorheen genoten bezoldiging - bij hem geen twijfel omtrent de juistheid daarvan behoefde te doen ontstaan, dat er geen aanleiding was voor korting van zijn aangehouden inkomsten. Eerst na ontvangst van het besluit van 5 december 1995 kon hij begrijpen dat hij sedert december 1992 teveel ontvangen had. Nu gedaagde voordien de onverschuldigdheid niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn, was appellant ingevolge artikel 21, eerste lid, van het BWOO, niet bevoegd tot de in het bestreden besluit neergelegde terugvordering van het over de periode van 1 januari 1994 tot 5 december 1995 teveel betaalde.

Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit derhalve terecht vernietigd.

Hieraan doet niet af dat appellant tegen die uitspraak terecht inbrengt dat uit het bestreden besluit wel kan worden afgeleid op welke grondslag - te weten artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van het BWOO - dat besluit berust.

Gelet op al het voorgaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd, zij het niet op geheel dezelfde gronden.

De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit van 5 december 1995 te vernietigen.

Voorts dient appellant te worden veroordeeld tot vergoeding van kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van f 710,-, zodat als volgt wordt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 5 december 1995;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f. 710,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van f. 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

11.06

Q