Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
97/8236 TW, 97/8241 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

97/8236 TW

97/8241 TW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 2 november 1995 (besluit 1) heeft appellant met toepassing van artikel 20 van de Toeslagenwet (TW), zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, van gedaagde teruggevorderd een bedrag van f 40.013,55 ter zake van hetgeen op grond van die wet onverschuldigd aan gedaagde was be- taald.

Bij besluit van 29 mei 1996 (besluit 2) heeft appellant een effectueringsbeslissing genomen onder andere inhoudend dat gedaagde een bedrag van f 11.323,37 ineens aan appellant dient te betalen onder aftrek van hetgeen gedaagde reeds aan appellant heeft betaald.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 25 augustus 1997 de tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij brieven van 16 en 22 oktober 1997 heeft hij de gronden van het hoger beroep uiteengezet.

Namens gedaagde heeft mr L.R.G. Uneken, advocaat te Zwolle, op 9 december 1997 een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april 1999, waar voor appellant is verschenen mr E.T.B. Lap, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Uneken.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende - tussen partijen vaststaande - feiten en omstandigheden.

Gedaagde was laatstelijk sedert […] 1983 werkzaam als predikant, verbonden aan de […] Kerk. In verband met een sedert 8 december 1986 bestaande volledige arbeidsongeschiktheid voor zijn werkzaamheden heeft gedaagde zich op 30 december 1987 bij appellant gemeld voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Bij besluit van 16 juni 1988 is gedaagde door appellant ingaande 7 december 1987 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge die wet naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering werd conform gedaagdes machtiging overgemaakt naar de bankrekening van de kerkvoogdij van de […] Gemeente te C. Op 3 juni 1988 heeft gedaagde appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een toeslag op grond van de TW. Op het door hem ondertekende aanvraagformulier heeft gedaagde vermeld dat hij naast zijn uitkering ingevolge de AAW geen andere inkomsten genoot. Bij brief van 2 augustus 1988 is gedaagde door de Raad van Predikantstractementen in aanmerking gebracht voor een kerkelijk invaliditeitspensioen ter hoogte van f 39.780,- per jaar, uitgekeerd in maandelijkse termijnen van f 3.315,-. Op 31 augustus 1988 heeft gedaagdes echtgenote telefonisch aan appellants buitendienstbeambte R. van de Wal bevestigd, dat gedaagde naast zijn uitkering ingevolge de AAW geen andere inkomsten genoot. Bij besluit van 7 oktober 1988 heeft appellant gedaagde met ingang van 7 december 1987 een toeslag ingevolge de TW toegekend. Naar aanleiding van een desbetreffend telefonisch verzoek werd gedaagdes uitkering per 1 november 1988 rechtstreeks op gedaagdes bankrekening gestort. Op aan gedaagde op 8 juli 1991 en 9 september 1992 vanwege appellant toegezonden vragenformulieren beantwoordde gedaagde de vraag of hij een uitkering of andere inkomsten naast zijn uitkering ingevolge de AAW ontving ontkennend. Deze vraag heeft hij eveneens ontkennend beantwoord op het hem op 7 oktober 1993 toegezonden vragenformulier, doch bij de beantwoording van een vervolgvraag naar de aard en hoogte van de uitkering maakte hij toen wel melding van het door hem ontvangen kerkelijk invaliditeitspensioen.

Eerst nadat gedaagde het hem op 6 november 1994 toegezonden vragenformulier, dat op dezelfde wijze is beantwoord als dat in 1993, had teruggezonden aan appellant, heeft deze geconcludeerd dat gedaagde ten onrechte in aanmerking was gebracht voor een toeslag ingevolge de TW.

Dit was voor appellant reden gedaagde bij brief van 13 januari 1995 mede te delen dat hem over de periode van 1 augustus 1988 tot 1 februari 1995 ten onrechte dan wel teveel uitkering ingevolge de TW was betaald en dat tot terugvordering zou worden overgegaan. De betaling van de toeslag werd met ingang van 1 februari 1995 geschorst.

Bij besluit 1 heeft appellant gedaagde medegedeeld, dat gedaagde, gelet op de inkomsten die hij vanaf 7 december 1987 had, per die datum geen recht had op toeslag ingevolge de TW, zodat door appellant over de periode van 7 december 1987 tot 1 februari 1995 een bedrag van f 54.825,53 onverschuldigd aan gedaagde was betaald. Aangezien deze betaling volgens appellant aan gedaagdes toedoen was te wijten, heeft appellant primair besloten de over de periode van 13 januari 1990 tot 1 februari 1995 onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag van f 40.013,55 van gedaagde terug te vorderen. Appellant is er daarbij van uitgegaan dat hij eerst in januari 1995 op de hoogte werd gesteld van gedaagdes inkomsten uit het kerkelijk pensioen.

Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat het gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat appellant onverschuldigd toeslag betaalde. De hoogte van de terugvordering op de subsidiaire grond is beperkt tot een bedrag van f 11.323,37, betrekking hebbend op de periode van 1 februari 1993 tot 1 februari 1995.

Besluit 2 is voortgevloeid uit tussen partijen vanaf augustus 1995 gevoerde onderhandelingen. Nadat enkele voorstellen van de zijde van gedaagde gedaan door appellant van de hand zijn gewezen, en gedaagde een voorstel van appellant had verworpen, heeft appellant, naar aanleiding van het laatste voorstel van gedaagde, bij besluit 2 gedaagde medegedeeld dat hij instemt met gedaagdes voorstel om een bedrag van f 11.323,37 ineens terug te betalen onder aftrek van een bedrag van f 1.200,- dat reeds door gedaagde was betaald. Tevens werd in die brief door appellant bevestigd dat het terugbetalingsvoorstel niet moet worden gezien als een verzoek om kwijtschelding van het resterende terugvorderingsbedrag. Appellant stemt in met het bedoelde betalingsvoorstel in afwachting van de rechterlijke uitspraak inzake het geschil betreffende de terugvordering en hij behoudt zich het recht voor om na de rechterlijke uitspraak een nieuwe regeling te treffen.

De rechtbank heeft de bestreden besluiten vernietigd.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak van oordeel dat vast is komen te staan dat appellant in ieder geval vanaf 1 augustus 1988 onverschuldigd toeslag aan gedaagde heeft betaald, omdat gedaagde in elk geval vanaf die datum geen recht had op toeslag. Voorts achtte de rechtbank appellant bevoegd hetgeen hij onverschuldigd aan gedaagde aan toeslag heeft betaald, met toepassing van artikel 20, eerste lid, onder a, van de TW terug te vorderen, omdat de rechtbank met appellant van oordeel is dat het aan gedaagdes toedoen te wijten is dat appellant onverschuldigd heeft betaald.

Naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak naar voren is gebracht, hetgeen grotendeels een herhaling vormt van zijn te dien aanzien in eerste aanleg bepleite standpunt, overweegt de Raad dat hij het oordeel van de rechtbank hieromtrent onderschrijft op de door de rechtbank gebezigde gronden. Dat betekent dat ook de Raad van oordeel is dat appellant zich terecht bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan de juist genoemde bepaling.

Met betrekking tot de vraag over welke periode appellant hetgeen hij onverschuldigd aan gedaagde heeft betaald mocht terugvorderen alsmede of de wijze waarop appellant van de betreffende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt de rechterlijke toetsing kan doorstaan, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:

"In geval sprake is van onverschuldigde betaling door toedoen van de belanghebbende is verweerder bevoegd gedurende 5 jaar na de dag van betaalbaarstelling terug te vorderen hetgeen onverschuldigd is betaald. In het onderhavige geval heeft verweerder zijn eerste terugvorderingshandeling verricht bij schrijven d.d. 13 januari 1995. Dit betekent dat de periode van 5 jaar het tijdvak bestrijkt dat ligt tussen 13 januari 1990 en 13 januari 1995. Voor de vraag of ook het over deze periode onverschuldigd betaalde bedrag aan toeslag volledig mag worden teruggevorderd, is echter ook nog van belang of de bedrijfsvereniging tijdig na de ontvangst van relevante informatie actie heeft ondernomen. Dat is hier niet het geval geweest. Immers, reeds middels het door de bedrijfsvereniging op 18 oktober 1993 terugontvangen vragenformulier was deze op de hoogte van eisers kerkelijk pensioen. Van de bedrijfsvereniging had dan ook mogen worden verwacht dat zij binnen zes maanden, derhalve voor 18 april 1994, een adequate reactie op de informatie had gegeven. De bedrijfsvereniging heeft echter niet eerder dan op 13 januari 1995 een dergelijke reactie gegeven. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de wijze waarop de bedrijfsvereniging van haar terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt de (beperkte) rechterlijke toetsing niet kan doorstaan voorzover de terugvordering betrekking heeft op de periode gelegen na 18 april 1994. Het bestreden besluit dient dan ook vernietigd te worden. Ten overvloede wordt opgemerkt, dat een terugvordering welke zich beperkt tot de periode van 13 januari 1990 en 18 april 1994 de rechterlijke toetsing wel zou kunnen doorstaan."

Tegen dit gedeelte van de aangevallen uitspraak is het hoger beroep van appellant, voor zover betrekking hebbend op besluit 1, gericht. In zijn aanvullend beroepschrift heeft appellant daaromtrent het volgende aangevoerd:

“In casu heeft betrokkene bij zijn aanvraag gemeld geen andere inkomsten of uitkeringen te hebben dan zijn AAW- uitkering. Ook nadat hem bij brief van 2 augustus 1988 door de Raad voor de Predikantstractementen was meegedeeld dat hem een invaliditeitspensioen werd toegekend ingaande 1 augustus 1988 heeft betrokkene dit niet aan ons medegedeeld. Op 31 augustus 1988 bevestigde betrokkenes echtgenote telefonisch dat betrokkene geen andere inkomsten genoot. Ook nadat betrokkene in 1991 en 1992 vragenformulieren kreeg toegezonden, meldde hij niet dat hij een kerkelijk pensioen genoot, ondanks de uitdrukkelijke vraag terzake op het formulier. Pas op het vragenformulier van 7 oktober 1993 maakt betrokkene voor het eerst melding van het feit dat hij pensioeninkomsten geniet. De ingangsdatum wordt echter niet vermeld. Wij zijn derhalve van mening dat in casu sprake is van de situatie dat betrokkene ondanks eenduidige vraagstelling naar de betreffende gegevens, deze niet verstrekt en ook niet op enigerlei andere wijze iets heeft meegedeeld. Conform ons beleid is in casu terecht afgezien van het hanteren van een zorgvuldigheidstermijn van zes maanden ten aanzien van de primaire terugvorderingsgrond (a-bepaling). Primair wordt derhalve terecht teruggevorderd over de periode van 13 januari 1990 tot 1 februari 1995."

De Raad overweegt daaromtrent, in de lijn van hetgeen hij eerder heeft overwogen - ten deze zij verwezen naar 's Raads uitspraak van 30 december 1998, gegeven onder nr. 97/11207 ZW - het volgende.

De in de jurisprudentie van de Raad ontwikkelde termijn waarbinnen de uitvoeringsinstelling belangrijke signalen dat onverschuldigd is betaald, dient te hebben verwerkt, hangt samen met de aan de uitvoeringsinstelling te stellen eis dat de naleving van de mededelingsverplichting effectief wordt gecontroleerd. Dit houdt ook in dat adequaat moet worden gereageerd op aanwijzingen dat geen of minder recht bestaat op uitkering met het doel om het doen van onverschuldigde betalingen te beperken. Bij nalatigheid in dit opzicht zullen bij de terugvordering bepaalde grenzen niet kunnen worden overschreden zonder in strijd te komen met de (thans) in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting tot zorgvuldige afweging van de in aanmerking komende belangen tenzij sprake is van opzettelijk verzwijgen van de van belang zijnde gegevens. Bij een beperking van de terugvorderingsperiode tot zes maanden na de ontvangst van een signaal als hier bedoeld wordt deze grens geacht niet te zijn overschreden. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld is in dit geval door toedoen van gedaagde toeslag uitgekeerd nu gedaagde appellant niet onmiddellijk eigener beweging, noch -aanvankelijk- desgevraagd, op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij naast zijn AAW-uitkering inkomsten genoot uit het kerkelijk pensioen, terwijl het gedaagde redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze inkomsten van invloed konden zijn op zijn recht op toeslag. Naar het oordeel van de Raad bieden de beschikbare gegevens echter geen toereikende grond om tot het oordeel te komen dat opzet in het spel is geweest in die zin dat gedaagde willens en wetens informatie heeft achtergehouden met het kennelijke oogmerk om zijn toeslag niet in gevaar te brengen. Gezien het voorgaande kan de Raad appellant niet volgen in hetgeen hij daaromtrent heeft aangevoerd. De rechtbank heeft dan ook terecht het primaire gedeelte van het bestreden besluit niet houdbaar geacht.

Vervolgens is de - niet door de rechtbank expliciet beantwoorde - vraag aan de orde of het subsidiaire gedeelte van dat besluit in rechte stand kan houden.

Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad wijst erop dat appellant in zijn aanvullend hoger beroepschrift heeft opgemerkt dat hij bij de hantering van de subsidiaire grond tot terugvordering ten onrechte heeft afgezien van het hanteren van een zorgvuldigheidstermijn van zes maanden. Aangezien appellant subsidiair artikel 20, eerste lid, onder b, van de TW, heeft toegepast op grond van welke bepaling moet vaststaan dat het de betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat appellant onverschuldigd toeslag betaalde, kan volgens appellant geen sprake zijn van kennelijke opzet. Onder toepassing van deze bepaling, met inachtneming van de meer vermelde zorgvuldigheidstermijn, alsmede rekening houdend met een door appellant in dit soort van gevallen toe te passen matiging van 10% in verband met de volgens appellant te late verzending van de terugvorderingsbeslissing, heeft appellant zich alsnog op het standpunt gesteld dat het door appellant van gedaagde terug te vorderen bedrag f 6.110,94 netto in plaats van het in het bestreden besluit vermelde bedrag van f 11.323,37 netto bedraagt.

Gezien het zojuist overwogene komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank besluit 1 terecht heeft vernietigd.

Besluit 2 kan, omdat de juistheid van het in dat besluit genoemde bedrag afhankelijk is van de omvang van het in besluit 1 teruggevorderde bedrag, in rechte eveneens geen stand houden. Derhalve heeft de rechtbank ook dit besluit terecht vernietigd.

Gezien het voorgaande slagen appellants grieven in hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van f 675,- dient te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-

Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

AB +Q