Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
98/1662 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/135

Uitspraak

98/1662 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam- Amstelland, appellant,

en

A., wonende te B., gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 22 januari 1998 onder nr. AW 97/1641 gegeven uitspraak. Bij deze uitspraak is een aan gedaagde gegeven ongeschiktheidsontslag vernietigd. Naar deze uitspraak wordt hierbij verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlagen) ingediend en zijn nadien nog stukken overgelegd.

Krachtens uitspraak van de President van de Raad van 13 mei 1998 is de werking van de aangevallen uitspraak opgeschort.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 juli 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr F. Kleefmann, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.

Op verzoek van gedaagde zijn als getuige verschenen en gehoord C., ondernemer te B., D., bedrijfsleidster in Amsterdam en Haarlem, en M., echtgenote van gedaagde.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten.

Gedaagde, ten tijde hier van belang in de rang van hoofdagent werkzaam bij de politieregio AmsterdamAmstelland, is eind december 1995 gaan samenwonen met de toen achttienjarige Roemeense M., voornoemd (hierna: M.). M. had in oktober 1995, kort na haar aankomst in Nederland, in verband met gedwongen prosititutie aangifte gedaan van vrouwenhandel. Zij was in oktober 1995 het land uitgezet. Na haar terugkeer in Nederland in december 1995 is M. vrijwillig als prostituee in Amsterdam gaan werken. Tijdens privébezoek aan het sexhuis waar zij werkte, heeft gedaagde M. leren kennen.

Gedaagde heeft M. in Amsterdam meermalen begeleid van en naar het sexhuis en daarbij ook contact gehad met de leiding van dat huis. Deze was op de hoogte van de functie van gedaagde en beschikte mede door toedoen van gedaagde over het semafoon- en telefoonnummer waarop gedaagde tijdens zijn dienst bereikbaar was. De eigenaar van het sexhuis heeft bij gedaagde geïnformeerd naar de geldigheid van het verblijf van M. in Nederland.

In december 1996 is gedaagde met M. in het huwelijk getreden en in februari 1997 zijn zij verhuisd naar Heerhugowaard.

Gedaagde heeft zijn relatie met M. begin 1996 bij zijn chefs bekend gemaakt. Hij heeft daarbij verzwegen dat het hem bekend was dat M. inmiddels vrijwillig als prostituee werkte in een sexhuis. Gedaagde is toen gewezen op de gevaren van zijn relatie met M.

Bij een onderzoek van de politie in maart 1996 is bevestigd dat M. in een Amsterdams sexhuis als prostituee werkte en is tevens gebleken van hoger genoemde contacten van gedaagde met (de leiding van) dat sexhuis. Gedaagde heeft bij een verhoor in het kader van een huishoudelijk onderzoek openheid van zaken gegeven over zijn relatie met M. Van de zijde van de politie is gedaagde gewezen op de bedenkelijkheid van een relatie van een politie-ambtenaar met een prostituee en het daaraan verbonden (veiligheids)risico. Hij heeft verklaard dat hij de relatie zou beëindigen.

Gedaagde heeft in de periode daarna niet alleen wisselende standpunten ingenomen over het (voort)bestaan van de relatie met M., maar daarover ook tegenover enkelen van zijn meerderen duidelijk leugenachtige verklaringen afgelegd. Zo heeft gedaagde zijn relatie, kennelijk op een korte onderbreking na, gecontinueerd. Gedaagde, die daarmee functioneel geen bemoeienis had, heeft voorts in de politieregisters gegevens nagetrokken van twee bij de vrouwenhandel betrokken personen.

Bij appellants besluiten van 31 januari 1997 en 28 augustus 1997 is aan gedaagde ontslag verleend, respectievelijk is het verleende ontslag gehandhaafd, wegens ongeschiktheid voor het door gedaagde beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellant acht gedaagde ongeschikt als politieambtenaar omdat gedaagde een relatie met een prostituee is aangegaan en heeft voortgezet en hij door zijn contacten met het sexhuis onvoldoende afstand heeft gehouden tot dat sexhuis; hierbij speelt een rol de nogal eens voorkomende betrokkenheid van dit soort gelegenheden bij vormen van ernstige criminaliteit waartegen de politie juist geacht wordt op te treden. Appellant is voorts van oordeel dat gedaagde door zijn gedragingen in verband met de werkzaamheden van M. de schijn heeft gewekt dat hij de prostitutie bevordert en zijn onafhankelijkheid als politieambtenaar in gevaar heeft gebracht.

Tenslotte ziet appellant in gedaagdes gebrek aan openheid en eerlijkheid over zijn relatie met M. en zijn uiteenlopende en leugenachtige mededelingen terzake eveneens grond voor de ongeschiktheid als politieambtenaar.

Bij de aangevallen uitspraak zijn voornoemde besluiten vernietigd. De rechtbank heeft als uitgangspunt gehanteerd dat het aangaan van een affectieve relatie - ook als het een relatie met een prostituee betreft - een aangelegenheid is die appellant vanuit een oogpunt van privacy dient te respecteren. Weliswaar kan onder omstandigheden het onderhouden van bepaalde contacten in de privésfeer onverenigbaar worden met het bekleden van het ambt, doch daarvan kan eerst sprake zijn indien daardoor een goede functievervulling aantoonbaar wordt ge- schaad of indien daardoor het goed functioneren van de organisatie als zodanig aantoonbaar in gevaar wordt gebracht, aldus de rechtbank. Hoewel zij vervolgens enige kritische kanttekeningen plaatst bij de gedragingen van gedaagde, is de slotsom van de rechtbank dat gedaagde niet als ongeschikt valt aan te merken.

Appellant kan zich met dit oordeel van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Daarnaast heeft de rechtbank in appellants zienswijze ten onrechte onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat gedaagde politieambtenaar is en dat er door zijn handelwijze wel degelijk schade is ontstaan voor de politie. Heeft gedaagde aldus reeds aangegeven niet te beschikken over de vereiste eigenschappen, zo vervolgt appellant, dan worden de door gedaagdes handelwijze opgeroepen vraagtekens nog in belangrijke mate versterkt door gedaagdes houding tegenover zijn werkgever: gedaagde is niet eerlijk en open geweest en heeft daardoor aangetoond niet over de vereiste eigenschappen te beschikken.

De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

Hij kan appellant volgen in zijn kritiek op de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft namelijk bij de beoordeling van gedaagdes geschiktheid in het licht van de door gedaagde aangegane en volgehouden relatie met M. het accent onevenwichtig gelegd op het privékarakter van die relatie en ten onrechte onvoldoende aandacht besteed aan de betekenis van (het aangaan en volhouden van) die relatie voor het functioneren van gedaagde en voor het functioneren van de politieorganisatie, voorzover dit in verband staat met gedaagdes functievervulling. De Raad voegt hieraan toe dat het in dit geval niet is gebleven bij het enkel onderhouden van een affectieve relatie met een prostituee in de privésfeer. Zoals boven reeds is gesteld was het bij de leiding van het sexhuis waar M. werkte, door gedaagdes toedoen bekend dat hij politieambtenaar was; door toedoen van gedaagde waren bij het sexhuis zijn telefoon- en sema- foonnummer van zijn werk bekend; de leiding van het huis heeft bij gedaagde navraag gedaan naar de verblijfsstatus van M. en gedaagde heeft in verband met de relatie gegevens nagetrokken in de politieregisters, welke laatste activiteit niet tot gedaagdes werkterrein behoorde en niet kan worden afgedaan met de mededeling dat dit natrekken van gegevens "politie-eigen" is. Gedaagde heeft ervan blijk gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de grenzen die uit de aard van zijn functie voortvloeien.

Met appellant is de Raad van oordeel dat gedaagde ook en in het bijzonder door zijn niet open en leugenachtige opstelling naar zijn chefs over het voor de politieorganisatie niet onbelangrijke gegeven van de relatie met M. heeft getoond niet te beschikken over de voor een politieambtenaar vereiste eigenschappen. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad, blijk gegeven te beschikken over niet voldoende inzicht in de veiligheidsrisico's die verbonden zijn aan een relatie als door hem met M. is aangegaan en gecontinueerd en in de noodzaak om daarover naar de leidinggevenden volstrekt open en betrouwbaar te zijn.

Op grond van deze overwegingen komt de Raad tot de conclusie dat het ontslagbesluit op goede gronden berust en in rechte kan standhouden, zodat de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit vernietigd is, moet worden vernietigd. Het inleidend beroep van gedaagde wordt alsnog ongegrond verklaard.

Omdat de Raad voorts geen aanleiding ziet toepasssing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr H.R. Geerling-Brouwer en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S.P. Madunic.

HD

28.07

Q