Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
96/10906 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 1999-07-09
Wet sociale werkvoorziening 7, geldigheid: 1999-07-09
Wet sociale werkvoorziening 28, geldigheid: 1999-07-09
Wet sociale werkvoorziening, geldigheid: 1999-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

96/10906 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 18 juli 1994 heeft appellant de eerder aan gedaagde toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 16 augustus 1994 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 10 oktober 1996 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen terzake van de proceskosten en het griffierecht.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden, vermeld in een aanvullend beroepschrift, heeft appellant de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Namens gedaagde heeft mr A.C.H. Walkate, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 24 september 1998, 13 oktober 1998 en 17 februari 1999 heeft appellant enige vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april 1999.

Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr C.E.B. Haazen, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr Walkate, voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde, die sedert 1980 werkzaam is geweest op een wijze als voorzien in de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), laatstelijk als logoplakker bij de BV X te Y, heeft zijn werk op 22 maart 1993 gestaakt in verband met klachten van het bewegingsapparaat. Vervolgens heeft appellant hem gedurende de maximale termijn uitkering krachtens de Ziektewet toegekend en aansluitend uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.

Bij het bestreden besluit heeft appellant gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 16 augustus 1994 ingetrokken. Aan dat besluit ligt appellants standpunt ten grondslag dat gedaagde met ingang van 16 augustus 1994 weer in staat was zijn eigen, licht en overwegend zittend, werk bij de BV X in WSW-verband te verrichten.

De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank, na advies te hebben ingewonnen van de revalidatie-arts H. van der Rijst, in de eerste plaats overwogen dat appellant terecht heeft aangenomen dat gedaagde, met in achtneming van zijn medische beperkingen, per 16 augustus 1994 in staat was zijn eigen werk te verrichten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het onderhavige geval niet uitgegaan kan worden van de vooronderstelling dat geschiktheid voor het eigen werk meebrengt dat er van arbeidsongeschiktheid geen sprake is. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat gedaagde niet in zijn oude functie kon hervatten omdat zijn dienstverband was verbroken; voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat er sprake is van specifieke arbeid, omdat werk en werkomstandigheden in WSW-verband in het algemeen zijn toegesneden op de krachten en bekwaamheden van de betrokken werknemers en afwijkend zijn van hetgeen in het normale bedrijf gangbaar is. Gelet op een en ander heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft kunnen volstaan met de vaststelling dat gedaagde geschikt was voor het eigen werk, maar na had moeten gaan of zodanig werk, niet zijnde gedaagdes eigen werk, dan wel passende arbeid beschikbaar is.

De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat appellant de uitkering ingevolge de AAW van gedaagde in strijd met artikel 5, zevende lid, van de AAW, heeft ingetrokken.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bestreden besluit ten aanzien van de intrekking van gedaagdes uitkering ingevolge de WAO is vernietigd. Namens appellant is aangevoerd dat gedaagdes eigen werk bij de Haeghe Groep nog beschikbaar was en dat, gelet daarop, de enkele omstandigheid dat gedaagdes dienstverband was verbroken er niet aan in de weg staat om diens uitkering ingevolge de WAO op grond van geschiktheid voor het eigen werk in te trekken.

In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, voor zover dat ziet op gedaagdes aanspraken ingevolge de WAO, in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit de belastbaarheid van gedaagde juist heeft ingeschat en dat gedaagde per 16 augustus 1994 in staat was zijn eigen werk bij BV X te verrichten.

Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat gedaagdes dienstverband op 16 augustus 1994 ingevolge artikel 28, eerste lid, en onder a, van de WSW was beƫindigd omdat gedaagde zijn werk gedurende 12 maanden achtereen wegens arbeidsongeschiktheid had verzuimd. De rechtbank heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat gedaagde niet in zijn oude functie kon hervatten. Hervatten zou slechts mogelijk zijn geweest indien gedaagde opnieuw tot de personenkring van de WSW zou zijn toegelaten en er wederom een dienstbetrekking tot stand zou zijn gekomen. De omstandigheid dat gedaagde, gelet op zijn beperkingen, in beginsel geacht kan worden tot de personenkring te behoren en de omstandigheid dat hij vanaf 1980 in WSW-verband heeft gewerkt, kan niet afdoen aan de conclusie dat hervatting in zijn werk op 16 augustus 1994 feitelijk niet mogelijk was.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er zich in het onderhavige geval, ondanks de omstandigheid dat hervatting in het eigen werk op 16 augustus 1994 niet mogelijk was, geen bijzonderheden voordoen die de vooronderstelling aantasten dat er bij geschiktheid voor het eigen werk geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Uit de stukken blijkt immers dat gedaagdes werk als logo-plakker op en na 16 augustus 1994 een reguliere functie binnen de BV X was, welke instelling gedaagde ingevolge artikel 7 van de WSW werk in dit verband kon bieden. De Raad merkt daarbij op dat zich in het onderhavige geval, anders dan in het geval dat heeft geleid tot de in RSV 1994/102 gepubliceerde uitspraak van de Raad, niet de situatie voordoet dat de laatstelijk door de verzekerde uitgeoefende functie in WSW-verband niet meer beschikbaar was omdat deze was komen te vervallen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Bij het vaststellen van gedaagdes resterende verdiencapaciteit heeft appellant alleen werkzaamheden in WSW-verband in aanmerking genomen. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken brengt de zorgvuldigheid in dat geval mee dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het moment waarop over heropneming in de zogeheten WSW-personenkring is beslist, waarbij echter van de betrokkene verlangd kan worden dat hij daartoe doelgerichte activiteiten ontwikkelt. Van gedaagde had in dit geval verwacht mogen worden dat hij zich na de aankondiging van de arbeidsdeskundige, op 9 juni 1994, van de naderende intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering opnieuw bij de Haeghe Groep zou hebben aangemeld, welke aanmelding hij echter heeft nagelaten. Onder deze omstandigheden acht de Raad het aangewezen dat de intrekking geschiedt met ingang van het moment waarop, indien gedaagde zich wel tijdig zou hebben aangemeld, over zijn heropneming in de WSW-personenkring had kunnen zijn beslist. De Raad acht het aannemelijk dat dit op 16 augustus 1994 nog niet het geval zou zijn geweest, maar pas op een latere datum, waarbij de Raad denkt aan 16 oktober 1994. Appellant zal zich bij het nemen van een eventueel nieuw besluit tot intrekking van de uitkering op dit punt nader dienen te beraden.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op gedaagdes aanspraken ingevolge de WAO, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht in rechte geen stand kan houden. Op grond daarvan dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-.

Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) S.I. ter Riet.

AB +Q