Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
97/8728 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/101

Uitspraak

97/8728 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Korpsbeheerder van de Politieregio Zeeland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg op 13 augustus 1997 onder nummer Awb 96/897 gegeven uitspraak waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 1999, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr R.A.D. Blaauw, advocaat te Rotterdam als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich zoals tevoren aangekondigd niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad met vermelding van het volgende.

Appellant die sedert 1976 werkzaam is in politiedienst, sedert 1994 in dienst van gedaagde, is op 25 maart 1996 met onmiddellijke ingang geschorst tot 1 mei 1996 en bij besluit van dezelfde datum per 1 mei 1996 ontslagen wegens een drietal in het besluit omschreven gedragingen die tezamen zeer ernstig plichtsverzuim opleveren. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 7 augustus 1996 gehandhaafd.

Het aan appellant verweten plichtsverzuim bestaat in de eerste plaats hierin dat hij een door mevrouw C. gedane aangifte van mishandeling en verkrachting zelfstandig en zonder overleg met zijn meerdere en/of het Openbaar Ministerie als afgedaan heeft beschouwd, daarvan geen proces-verbaal heeft opgemaakt en ook niet anderszins over de wijze van afhandeling van de aangifte heeft gerapporteerd; in de tweede plaats dat hij genoemde mevrouw C. na de aangifte alleen en op haar privé-adres in de zeer late avonduren meermalen heeft be- zocht en aldus de schijn heeft gewekt dat hij daarmee andere dan strikt functionele bedoelingen had en dat hij onder vergelijkbare omstandigheden bezoeken heeft gebracht aan mevrouw D. Tenslotte wordt appellant verweten dat hij tijdens en na een periode van ziekte zich niet aan de voorschriften heeft gehouden: hij heeft tot tweemaal toe een oproep van de bedrijfsarts om op het spreekuur te verschijnen genegeerd, hij bleek bij een thuiscontrole niet aanwezig te zijn en hij is twee dagen onwettig afwezig geweest omdat hij zich na hersteldverklaring op 21 december 1995 niet direct op het werk heeft gemeld en zich ook niet met de dienst in verbinding heeft gesteld.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het hem verleende ontslag ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het navolgende.

Evenals de rechtbank kwalificeert de Raad het optreden van appellant met betrekking tot mevrouw C. en mevrouw D., zoals dat uit de gedingstukken naar voren komt, als ernstig plichtsverzuim. De functionele noodzaak of wenselijkheid van de afgelegde bezoeken heeft appellant niet duidelijk kunnen maken. Bij de behandeling van de aangifte van een misdrijf in de relationele sfeer, zoals door mevrouw C. gedaan, kan weliswaar onder omstandigheden een afwachtende houding verdedigbaar of zelfs gerechtvaardigd zijn, maar van goede motieven voor een dergelijke opstelling is in het onderhavige geval niet gebleken. Dat appellant in overleg met de maatschappelijk werker van mevrouw C. van het opmaken van proces-verbaal zou hebben afgezien is door de desbe- treffende maatschappelijk werker ontkend. Integendeel: mevrouw C. beklaagde zich bij hem over het uit- blijven van actie van de zijde van de politie naar aanleiding van haar aangifte, waarna hij contact heeft gezocht met appellant. Voorts heeft appellant door het nalaten van overleg met zijn meerdere(n) of met collega's en door het nalaten van iedere vorm van rapportage juist over een dergelijke precaire aangifte, zijn handelen oncontroleerbaar gemaakt, met name ook de hiervoor bedoelde (in strijd met de voorschriften) alleen afgelegde bezoeken in de zeer late avonduren aan het privé-adres van de alleenwonende mevrouw C.

Hetzelfde geldt voor de bezoeken die appellant alleen en in de zeer late avonduren heeft afgelegd aan de als labiel bekend staande alleenwonende mevrouw D.

De Raad is van oordeel dat appellant door de hier omschreven gedragingen het aanzien van de dienst heeft geschaad en dat de genoemde gedragingen niet zozeer wijzen op gebrekkig functioneren, maar dienen te worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Hetgeen door en namens appellant dienaangaande in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

Als zeer ernstig plichtsverzuim dienen eveneens te worden aangemerkt de hierboven genoemde gedragingen van appellant rondom zijn ziekteverzuim. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - onder meer in zijn uitspraak van 13 april 1995, TAR 95, 154 - dient het bewust negeren van een opdracht tot werkhervatting na ziekte in het algemeen aangemerkt te worden als plichtsverzuim. Het feit dat appellant zich had ziek gemeld op psychische gronden, samenhangend met het lopende disciplinaire onderzoek en dat hij grote moeite had met de opstelling van de districtsleiding kan geen rechtvaardiging vormen voor het niet opvolgen van expliciete opdrachten en de overige voorschriften bij ziekte. Dat deze gedragingen appellant vanwege zijn psychische gesteldheid niet zouden kunnen worden aangerekend en dat gedaagde ten onrechte heeft nagelaten een psychiatrisch onderzoek uit te doen voeren heeft appellant voor het eerst in hoger beroep aangevoerd en wordt niet ondersteund door enig ander gegeven.

Ook overigens is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconstateerd dat de als plichtsverzuim verweten gedragingen appellant niet ten volle zijn toe te rekenen.

Gedaagde was derhalve bevoegd om appellant te straffen.

Wat betreft de gekozen bestraffing heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat tussen het gepleegde plichtsverzuim en het onvoorwaardelijke ontslag onevenredigheid bestaat. De Raad is van oordeel dat gelet op het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in de integriteit van politieambtenaren, een dergelijke straf als reactie op de hiervoor omschreven misdragingen passend is te achten. De Raad ziet dienaangaande geen aanleiding om tot een andere inhoudelijke beoordeling te komen dan de rechtbank.

Gelet op het voorgaande kan het hoger beroep van appellant niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van B. Goos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Goos.

HD

02.06

Q