Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
96/5589 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

96/5589 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A te B, appellant,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam (AZUA), gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 30 april 1996 onder de nrs. AW 92/183/28, AW 92/3375/28 en AW 92/3589/28 gegeven uitspraak, voorzover deze is gewezen onder nr. AW 92/3589/28.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 juni 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.Ph. Nachtegaal, advocaat te 's-Gravenhage en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr E.C. Beukenkamp, juridisch medewerker bij het AZUA.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 -sindsdien geheten: Ambtenarenwet- en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voorzover de Beroepswet niet anders aangeeft, hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsgrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant, geboren in 1939 en sinds 1986 werkzaam geweest als bedrijfschef B op de afdeling Technische Uitvoering van het AZUA, heeft in april 1991 in een gesprek in het kader van een plaatsingsplan bij reorganisatie te horen gekregen dat hij zou worden geplaatst als werktuigkundige B, waarbij zijn (onvoldoende) wijze van functioneren aan de orde is gesteld.

Op 3 november 1991 heeft appellant een hartinfarct gehad en heeft hij zijn werkzaamheden om die reden moeten staken, waarna hij ziekengeld heeft ontvangen. Naar aanleiding van een verzoek van appellant om betaling van ziekengeld ten bedrage van zijn bezoldiging en om aanvulling van zijn pensioenuitkering heeft gedaagde, na advisering dienaangaande van de bedrijfsarts van het AZUA, bij besluit van 18 november 1992 geweigerd aan appellant een toelage ingevolge artikel 512, respectievelijk artikel 525 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) op grond van "arbeidsongeschiktheid in en door de dienst" te verstrekken.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, met name op grond van de bevindingen en conclusies van de als deskundige ingeschakelde cardioloog dr D.R. Dürer in zijn rapport van 5 oktober 1995.

Namens appellant is in hoger beroep in grote lijnen betoogd dat de van de zijde van zijn werkgever bij de reorganisatie voorgestelde degradatie en de wijze van bejegening daarbij hem zodanig hebben aangegrepen dat zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 3 november 1991 daar een gevolg van is en dat hij op die grond voor toelagen ex artikel 512 en artikel 525 van het ARA in aanmerking komt.

Van de zijde van gedaagde is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant is op 3 november 1991 arbeidsongeschikt geworden wanwege hartklachten. Op grond van artikel 512 van het ARA bestaat ook na 18 maanden ziekte aanspraak op ziekengeld ten bedrage van de bezoldiging, indien de arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van zijn betrekking en/of in de bijzondere omstandigheden waaronder hij de hem opgedragen of de tot zijn betrekking behorende werkzaamheden moest verrichten en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten. Op diezelfde grond kan de gewezen ambtenaar ingevolge artikel 525 van het ARA aanspraak krijgen op een periodieke uitkering ter aanvulling op zijn pensioenuitkering.

Bij het bestreden besluit is geweigerd aan appellant een toelage op grond van "arbeidsongeschiktheid in en door de dienst" toe te kennen, gezien het oordeel van de bedrijfsarts drs W.A.M. Koch van 29 oktober 1992, inhoudende dat hoewel spanningen bijdragen aan vernauwing van de bloedvaten, medewerkers in vergelijkbare situaties niet in overwegende mate een zelfde ziektebeeld krijgen, er voorts naast de spanningen van de reorganisatie zonder twijfel meer factoren tot het krijgen van appellants ziekte hebben bijgedragen en er bij onderzoek ten slotte geen buitengewoon belastende werkomstandigheden voor de medewerkers zijn gebleken die een oorzakelijk verband met de arbeidsongeschiktheid aannemelijk zouden maken.

De Raad is evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat op grond van de in dit geding voorhanden zijnde gegevens van medische aard in onderlinge samenhang bezien, waarbij door de Raad doorslaggevende betekenis wordt gehecht aan genoemd rapport van de cardioloog Dürer, niet aannemelijk is geworden dat de arbeidsongeschiktheid van appellant in overwegende mate is veroorzaakt door spanningen als gevolg van reorganisatie. Dr Dürer heeft geconcludeerd dat weliswaar de psychische gevolgen van met name de wijze waarop in april 1991 aan appellant mededeling is gedaan van zijn degradatie een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het hartinfarct in november 1991, maar dat niet kan worden gezegd dat de arbeidsongeschiktheid van appellant in overwegende mate aan de omstandigheden rond de reorganisatie te wijten is, nu ook andere factoren (rookgedrag, te hoog cholestorolgehalte) hierbij een rol spelen. De Raad overweegt hierbij nog, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Raad inzake stress als exogene factor voor het ontstaan van hart- en vaatziekten (zie CRvB 10 augustus 1995, gepubliceerd in TAR 1995, 241), dat niet is gebleken dat appellant kort voor zijn uitval wegens ziekte aan acute stress is blootgesteld geweest. Het belastende gesprek vond reeds plaats in april 1991, terwijl appellants hartklachten pas optraden in november van dat jaar. De Raad laat hierbij overigens nog daar of dit gesprek, gezien wat daarover hangende de procedure bekend is geworden, wel als bijzonder belastend moet worden aangemerkt.

Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S.P. Madunic.

HD

28.07

Q