Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA4153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
98/2724 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

98/2724 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Breda op 20 februari 1998 onder nr. 97/978 AW V gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr D.C. Coppens, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr C.M.J. de Bont, advocaat te Tilburg en mr L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant.

II. MOTIVERING

Met verwijzing voor een meer uitvoerige weergave van de feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak stelt de Raad vast dat appellant vóór de reorganisatie van de Nederlandse politie werkzaam was als groepschef BPF (brigadier) bij de gemeentepolitie te Z, welke functie in schaal 8 was ingedeeld.

Omdat na die reorganisatie appellants functie niet terugkeerde, is hij in in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur voor drie andere functies kenbaar te maken. De functie van operationeel chef van een team in het district Z (schaal 9), waarvoor appellant terzake van drie teams geopteerd heeft, achtte de Plaatsingscommissie niet passend. Zij achtte appellant potentieel wel geschikt, maar meende dat hij nog moest groeien gedurende een langere periode dan 1 á 1,5 jaar. Deze commissie achtte de functie van medewerker BPF C (schaal 8) wel passend en heeft geadviseerd appellant in die functie in team D van het district Z te plaatsen.

Op 25 augustus 1993 is appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem overeenkomstig dit advies te plaatsen. Na appellants bezwaar daartegen heeft de Korpsbeheerder van de regio Midden en West Brabant i.o. bij zijn besluit van 15 november 1993 meegedeeld de voorgenomen plaatsing in stand te houden en gewezen op de mogelijkheid van beroep bij de rechtbank.

De rechtbank heeft appellants beroep bij uitspraak van 15 februari 1995 nietontvankelijk verklaard. Zij overwoog dat de plaatsing nog niet definitief was, nu het personeelsplan als bedoeld in artikel 2 van het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel (hierna: SBK), waarvan de plaatsing deel uitmaakte, nog niet de vereiste goedkeuring van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie had verkregen. Nadat appellants verzet tegen die uitspraak ongegrond was verklaard heeft hij daartegen geen verdere rechtsmiddelen aangewend.

Op 21 juni 1995 is de ministeriële goedkeuring aan het personeelsplan (in deze politieregio als Plaatsingsplan aangeduid) gegeven. Bij brief van 28 maart 1996 heeft gedaagde appellant daarvan op de hoogte gesteld en meegedeeld dat gelet op die goedkeuring het plaatsingsvoornemen in een definitief plaatsingsbesluit was omgezet. Hij heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid om op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wederom bezwaar te maken.

Het bezwaar dat appellant tegen dit plaatsingsbesluit heeft gemaakt, heeft gedaagde bij besluit van 11 februari 1997 ongegrond verklaard.

Appellants beroep tegen het besluit van 11 februari 1997 is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Ontvankelijkheid van het bezwaar

De Raad zal eerst ambtshalve de vraag beantwoorden of appellants bezwaar terecht ontvankelijk is geacht.

De aangevallen uitspraak gaat er vanuit dat het besluit van 15 november 1993 slechts een (herhaald) voornemen tot plaatsing inhoudt en dat gedaagde, nu hij eerst na de ministeriële goedkeuring een definitief plaatsingsbesluit heeft genomen, op grond van artikel 7:1 van de Awb in samenhang met artikel 1:3 van de Awb terecht bezwaar tegen de plaatsing mogelijk heeft geacht.

De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Ingevolge artikel 2 van het SBK en de artikelen 19, 20 en 21 van de ter uitvoering van het SBK gegeven ministeriële regeling (Stcrt. 1992, 216) (hierna: URSBK) bevat het personeelsplan de - al dan niet overeenkomstig de voorgenomen plaatsingsbeslissingen - genomen plaatsingsbesluiten die evenwel pas na de vereiste ministeriële goedkeuring van het personeelsplan in werking treden. Dit stelsel biedt niet de mogelijkheid in het personeelsplan slechts voornemens tot plaatsing op te nemen waarvan het bevoegd gezag vrij is na verkregen ministeriële goedkeuring af te wijken. De als besluit aangeduide brief van 15 november 1993 vermeldt dan ook terecht de mogelijkheid van beroep bij de rechtbank, zij het dat dit beroep vanwege het in artikel 24 van de Ambtenarenwet 1929 vermelde rechtstreekse belang eerst na de ministeriële goedkeuring kon worden ingesteld.

Gelet hierop was tegen de plaatsing niet alsnog op grond van de Awb bezwaar mogelijk maar slechts beroep bij de rechtbank. Bij het besluit van 11 februari 1997 is appellants bezwaar tegen de plaatsing dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht. Gedaagde had dit bezwaarschrift niet zelf dienen te behandelen, maar met toepassing van artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank dienen door te sturen ter behandeling als inleidend - tegen het besluit van 15 november 1993 gericht - beroepschrift. Het besluit van 11 februari 1997 moet daarom evenals de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

Nu appellants grieven door de rechtbank inhoudelijk uitgebreid behandeld zijn, acht de Raad het niet zinvol het als beroepschrift aan te merken bezwaarschrift alsnog ter behandeling naar de rechtbank door te zenden, maar zal hij zelf met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet op dit beroepschrift beslissen.

De plaatsing

Appellant voert aan dat de functie van medewerker BPF C niet passend is omdat deze niet met zijn oude functie te vergelijken valt. Hij stelt dat hij als oudste brigadier op een ploeg met een personele bezetting van ongeveer 23 personeelsleden werd gezet en 's avonds, 's nachts en in het weekend de verantwoordelijkheid voor de gehele operationele uitvoering van de politie binnen Z had, zodat zijn oude functie veel meer met die van operationeel chef vergelijkbaar is.

Gedaagde heeft daartegen ingebracht dat de functie van operationeel chef een volledig leidinggevend karakter heeft. Hij betoogt dat de functie van medewerker BPF C die van meewerkend voorman is zonder dat daarbij hiërarchisch leiding gegeven wordt en dat appellants oorspronkelijke functie dezelfde strekking had. Appellants groep telde niet meer dan 6 á 7 medewerkers. Dat appellant van een groter aantal uitgaat, valt te verklaren uit de omstandigheid dat appellant als oudste groepschef aanspreekpunt voor de overige groepschefs was.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan de Raad appellants standpunt niet volgen. De medewerker BPF C is blijkens de functiebeschrijving niet alleen verantwoordelijk voor een zelfstandige aanpak van het werk, maar ook voor het gevraagd en ongevraagd ondersteunen van collega's. De groepschef had de dagelijkse leiding over een groep van 6 tot 8 medewerkers en was daarover rechtstreeks aan de sectiechef verantwoording verschuldigd. Gelet hierop bestaan er mogelijk wel enige verschillen tussen beide functies, maar deze zijn zo beperkt dat zij niet tot het oordeel kunnen leiden dat de functie van medewerker BPF C voor appellant niet passend is te achten. Appellants grief dat de rechtbank zich bij de vergelijking van de functies teveel door het schaalniveau en te weinig door de inhoud van de functies heeft laten leiden, treft evenmin doel, mede in aanmerking genomen dat ook een iets lichtere functie met hetzelfde schaalniveau zeker passend kan zijn.

Appellant betoogt voorts dat bij de plaatsing in strijd met artikel 9 van de URSBK geen of onvoldoende rekening is gehouden met de reeds beschikbare persoonlijke gegevens - waaronder een beoordeling - van appellant. Hij acht dit des te klemmender omdat het lijnadvies dat zijn chef ten behoeve van de plaatsingsbeslissing had opgemaakt doorslaggevend is geweest en deze chef nog geen goed beeld van hem kon hebben, nu hij nog maar vijf maanden als zodanig werkzaam was geweest en appellants contact met hem slechts uit een vijftal malen werkoverleg had bestaan.

De Raad is van oordeel dat vijf maanden ervaring op zichzelf niet onvoldoende is om op basis daarvan het hier bedoelde lijnadvies op te maken. Voorts acht de Raad evenals de rechtbank, maar anders dan appellant, de medeondertekening van dat advies door de naasthogere chef niet van zuiver formele aard, maar van wezenlijke betekenis te meer nu deze appellant al vele jaren had meegemaakt. De beoordeling waarop appellant doelt, is in september 1993 opgemaakt en kon derhalve niet bij de totstandkoming van het plaatsingsvoornemen van 25 augustus 1993 en de daaraan ten grondslag liggende adviezen betrokken worden. Dit is wel geschied bij het opstellen van het advies van de Bezwaren Advies Commissie dat aan het plaatsingsbesluit van 15 november 1993 ten grondslag ligt.

Gelet op het vorenstaande heeft appellant de Raad er dan ook niet van kunnen overtuigen dat dit besluit geen stand kan houden. Ook appellants grief dat 70% van de voormalige groepschefs bij de gemeentepolitie te Z als operationeel chef is geplaatst, kan de Raad niet tot dat oordeel brengen, nu dit percentage - wat er ook zij van de juistheid daarvan, die namens gedaagde betwist wordt - niet kan wegnemen dat, zoals de Raad hierboven heeft vastgesteld, op goede gronden is geoordeeld dat de functie van operationeel chef voor appellant niet passend was omdat hij daarvoor (nog) niet geschikt was.

Gelet op het vorenstaande is het plaatsingsbesluit van 15 november 1993 rechtens aanvaardbaar, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond moet worden verklaard.

Nu het bestreden besluit van 11 februari 1997 voor vernietiging in aanmerking komt, is er aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van kosten wegens aan appellant verleende rechtsbijstand, zijnde in eerste aanleg een bedrag van f 1.420,--, en in hoger beroep een bedrag van f 1.420,-- en dient mede gelet op artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht te worden vergoed zoals in rubriek III is bepaald.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 1997 alsnog gegrond

Vernietigt dat besluit;

Verklaart appellants alsnog als inleidend beroep aangemerkte bezwaar tegen het besluit van 15 november 1993 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 2.840,--, te betalen door de politieregio Midden en West Brabant;

Bepaalt dat de politieregio Midden en West Brabant aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal f 525,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr C.G. Kasdorp en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr M.M. van Maurik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) M.M. van Maurik.

HD

07.05

Q