Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-1999
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
98/1186 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 6
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 19
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/1186 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 11 december 1997 onder nr. AW 97/1747 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter zitting van 14 januari 1999 gevoegd behandeld met de zaken 98/1195 AW en 98/1196 AW.

Voor appellante is daar verschenen mr Y.C. Scheepers, werkzaam bij de Vereniging van Academici bij het Wetenschappelijk Onderwijs.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr J.G.F. Hoffmans, advocaat te 's-Gravenhage, alsmede door mr S. de Vries en mr P. Scholts, beiden werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 maart 1994 zijn het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) en het daarbij behorend overgangsrechtelijk artikel II (hierna: artikel II), zoals vastgesteld bij besluit van 4 februari 1994 (Stb. 100), in werking getreden. Bij besluit van 19 juni 1996 (Stb. 338) zijn daarin vernummeringen aangebracht. In deze uitspraak wordt, tenzij anders is aangegeven, de in Stb. 1994, 100 neergelegde nummering aangehouden.

Gedaagde heeft appellante (geboren in 1940) in het kader van een reorganisatie bij besluit van 23 november 1993 per 1 december 1993 ontslag verleend, onder toekenning van een aanspraak op wachtgeld overeenkomstig de bepalingen van de Wachtgeldverordening van de gemeente Amsterdam (hierna: Wgv) en haar gelijktijdig weer voor 8/38e gedeelte in een andere betrekking in vaste dienst aangesteld. Ingevolge de Wgv genoot appellante tot haar pensioengerechtigde leeftijd het normale wachtgeld van 93% aflopend tot 73% van de tot het ontslag genoten bezoldiging en was appellante, zodra zij de leeftijd van 55 jaar had bereikt, niet meer verplicht om zich als werkzoekende bij het arbeidsbureau in te schrijven. Voorts mochten ingevolge artikel 31 van de Wgv naast het wachtgeld ook nieuwe inkomsten uit arbeid of bedrijf worden verworven, die pas tot korting op het wachtgeld zouden leiden voorzover zij tezamen met het wachtgeld de laatstelijk voor het ontslag genoten bezoldiging zouden overschrijden (hierna te noemen: de bijverdienmogelijkheid), zoals dat op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (hierna: Rwb) ook gold voor personeelsleden bij andere universiteiten aan wie door de Minister van Binnenlandse Zaken wachtgeld was toegekend. Al het vorenstaande had tot gevolg dat appellante er vanaf haar ontslagdatum in inkomen nauwelijks op achteruitging.

Bij het BWOO zijn de wachtgeldstelsels voor het gehele onderwijspersoneel met ingang van 1 maart 1994 vervangen door een op de Werkloosheidswet afgestemd stelsel van werkloosheidsuitkeringen, waarbij de bijverdienmogelijkheid is beëindigd: het is niet meer mogelijk om zonder korting op de uitkering bij te verdienen. De korting vindt ingevolge het BWOO plaats door vermindering van het aantal uren terzake waarvan recht op uitkering bestaat (artikel 6, derde lid, aanhef en onder a) of door rechtstreekse vermindering van het bedrag van de uitkering (artikelen 19 en 20). Uit artikel II, eerste en vierde lid, vloeit voort dat deze korting eerst met ingang van 1 januari 1996 wordt toegepast op ontslaguitkeringen toegekend op grond van (onder meer) regelingen vastgesteld krachtens artikel 4.5, eerste lid, onder a, of artikel 16.23 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Bij het primaire besluit van 22 januari 1996 is bepaald dat appellantes recht op wachtgeld met ingang van 1 januari 1996 voor 8 uur per week was geëindigd. Dit berustte blijkens het bestreden besluit van 18 december 1996 - waarbij appellantes bezwaar ongegrond is verklaard - op artikel 6, eerste tot en met vierde lid, van het BWOO.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep dat appellante tegen het bestreden besluit heeft ingesteld eveneens ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van appellantes grieven overweegt de Raad in hoger beroep als volgt.

De Raad kan appellantes stelling dat de Wgv door het (overgangsrecht van het) BWOO niet geraakt wordt en derhalve onverminderd is blijven gelden, niet onderschrijven. De Raad is evenals de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel, dat het BWOO sedert zijn inwerkingtreding per 1 maart 1994 op appellantes aan de Wgv ontleende uitkering van toepassing is en op dat tijdstip derhalve in een werkloosheidsuitkering ingevolge het BWOO is overgegaan.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het overgangsregime van het BWOO zozeer in strijd met de eisen van rechtszekerheid is, dat artikel 6 gelet op 's Raads uitspraak van 14 november 1991, TAR 1991/239 niet op appellantes wachtgelduitkering had mogen worden toegepast.

De Raad overweegt dat niet in geschil is, dat artikel II, zesde lid, dat bij uitzondering de bijverdienmogelijkheid ook na 1 januari 1996 in stand laat, niet van toepassing is, nu de aan appellante verleende uitkering indertijd niet ongeacht toekomstige wijzigingen van regelgeving is gegarandeerd, maar hiermee is nog niet gegeven dat gedaagde zonder meer aan artikel II, vierde lid, toepassing mocht geven. Immers bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften is het weliswaar in beginsel aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter het resultaat daarvan respecteren, maar dit uitgangspunt lijdt - zoals appellante terecht aange- voerd heeft - uitzondering indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Het vorenstaande brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld, ook gehouden is om te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. Bij die, niet-rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, en derhalve moeten bij die, terughoudende, toetsing ook de omstandigheden van de betrokkenen ten tijde van hun ontslag en ten tijde van de invoering van het BWOO in aanmerking worden genomen.

Het is aannemelijk dat de afschaffing van de bijverdienmogelijkheid vooral voor ouderen aan wie voorafgaand aan de invoering van het BWOO een wachtgelduitkering met een lange looptijd was toegekend, ondanks de overgangstermijn van 22 maanden, een substantiële verandering betekende van hun mogelijkheden tot behoud van hun inkomensniveau. Dat gold in bijzonder indien zij zoals appellante er op vertrouwd hadden, dat zij door de nieuwe deeltijdbetrekking die zij verkregen hadden, nog langdurig - veelal tot hun pensioengerechtigde leeftijd - hun reeds lang bestaande inkomensniveau en levenspatroon zouden kunnen voortzetten. Namens gedaagde is, zij het zonder adstructie, weliswaar gesteld dat betrokkenen met de verlenging van de bijverdienmogelijkheid voor een termijn van 22 maanden een ruime termijn is geboden om zich aan de veranderende omstandigheden aan te passen, maar de Raad acht het, zeker indien zij zoals velen op 1 maart 1994 een leeftijd van (vaak ver) boven de 50 jaar bereikt hadden en reeds jaren voordien ontslagen waren, niet aannemelijk dat zij reële mogelijkheden hadden om weer een betrekking van gelijke omvang en met een gelijk salarisniveau te verwerven als voor hun ontslag om aldus de gevolgen van hun substantiële inkomensachteruitgang tot hun pensioengerechtigde leeftijd op te vangen. Derhalve kan in gevallen als van appellante de bedoelde aanpassing aan veranderde omstandigheden niet iets anders betekenen dan gewenning per 1 januari 1996 aan een substantiële vermindering van het inkomensniveau.

Hoe ingrijpend de beëindiging van de bijverdienmogelijkheid voor velen ook kon zijn, hierin alleen kan de Raad niet voldoende grond vinden voor het oordeel, dat aan de totstandkoming of inhoud van artikel II, vierde lid, zulke ernstige feilen kleven dat gedaagde die bepaling ten aanzien van appellante buiten toepassing had moeten laten.

In het voorliggende geval kan er niet aan worden voorbijgezien, dat aan appellante eerst ontslag is verleend nadat gedaagde eind september 1993 zijn brochure "Wijziging Arbeidsvoorwaarden" per interne post onder alle personeelsleden had verspreid en het voor de Raad niet aannemelijk is geworden dat - zoals appellante stelt - die brochure haar niet voor het ontslagbesluit van 23 november 1993 heeft bereikt. In deze brochure is op duidelijke wijze vermeld, dat het BWOO ook van toepassing zou worden op allen die bij inwerkingtreding van het BWOO reeds in het genot van een wachtgelduitkering zouden zijn en dat voor hen weliswaar hoogte en duur van de oude regeling door het BWOO gegarandeerd zouden worden, maar dat ook voor hen - zij het ingevolge overgangsrecht eerst vanaf 1 januari 1996 - de eerder in de brochure uiteengezette anti-cumulatieregeling van het BWOO zou gaan gelden. Gelet op deze informatie kon appellante tijdig vóór haar ontslag begrijpen dat zij de bijverdienmogelijkheid slechts tot 1 januari 1996 zou kunnen benutten. Voor de Raad is niet aannemelijk geworden, dat appellante op grond van de haar verstrekte computeruitdraaien van de financiële consequenties van haar ontslag, uit de haar bij brief van 22 december 1993 verstrekte specificatie van de duur en hoogte van het haar toegekende wachtgeld of uit andere informatie van de zijde van gedaagde heeft mogen begrijpen, dat voor haar de bijverdienmogelijkheid, in afwijking van de duidelijke tekst van voornoemde brochure, ook na 31 december 1995 zou blijven gelden. Dat bij appellante een andere indruk is ontstaan en dat zij stelt mede op grond daarvan tot haar keuze te zijn gekomen om met het ontslag in te stemmen - ook om gedwongen ontslagen van jongere collega's te voorkomen - kan derhalve niet voortkomen uit gerechtvaardigde verwachtingen. Derhalve kan haar grief dat zij, als zij geweten had dat haar inkomensperspectief binnen 25 maanden zou wijzigen niet aan het ontslag zou hebben meegewerkt, er niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. Dat geldt ook met betrekking tot de grief dat het ontslag op initiatief en onder druk van gedaagde tot stand is gekomen en (mede) in het belang van gedaagde was.

Tenslotte kan appellantes grief, dat de rechtbank heeft miskend dat in het tegen het primaire besluit gerichte bezwaarschrift materieel tevens was verzocht om op het rechtens vaststaande ontslag- en wachtgeldbesluit terug te komen, evenmin slagen nu - nog daar- gelaten of die grief in het onderhavige geding wel van enige betekenis kan zijn - een dergelijk verzoek niet uit het bezwaarschrift valt af te leiden.

Al het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom, dat gedaagde bij het primaire - bij het bestreden besluit gehandhaafde - besluit terecht aan artikel 6 van het BWOO toepassing heeft gegeven en niet gehouden is tot de door appellante gevorderde compensatie. De aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond. Beslist wordt daarom als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr J.H. van Kreveld als leden,

in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 8 april 1999.

(get.) W. van den Brink.

(get.) A.W.M. van Bommel.

(wegens defungeren van

bovengenoemde griffier)

HD 08.04 Q