Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
97/8592 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16
Werkloosheidswet 18
Werkloosheidswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 140
USZ 1999/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/8592 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellante is mr P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op in een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 31 juli 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde voorts nadere inlichtingen verstrekt bij brief van 8 oktober 1998.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 januari 1999, waar mr van 't Hoff, voornoemd, -daartoe ambtshalve opgeroepen- is verschenen als gemachtigde van appellante, terwijl gedaagde -eveneens ambtshalve opgeroepen- zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H. de Jong, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V..

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante was vanaf 23 augustus 1993 op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij de maatschap X als produktiemedewerkster in de tuinbouw.

Op 14 december 1995 en 29 januari 1996 heeft appellante gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de WW ter zake van werkloosheid als gevolg van onderbreking van haar werkzaamheden wegens onwerkbaar weer.

Deze aanvragen zijn afgewezen bij besluiten van respectievelijk 27 december 1995 en 26 februari 1996. Gedaagde heeft in deze besluiten onder meer het volgende overwogen: "Bij onderbreking van de werkzaamheden kan slechts WW-uitkering worden verleend indien de werkgever op grond van de CAO ontheven is van zijn verplichting om het loon gedurende de onderbrekingsperiode door te betalen. De oude CAO Tuinbouw bevatte zo'n regeling. Per 01-03-1995 liep genoemde CAO af. Voor dit winterseizoen is bepaald dat er slechts onderbrekingsuitkering kan worden verleend indien de CAO-partijen in de nieuwe CAO goede afspraken hebben gemaakt met betrekking tot een risico-verletregeling voor de komende jaren. Omdat de CAO-onderhandelingen inmiddels zijn vastgelopen, is aan die voorwaarde niet voldaan en kan er dus geen onderbrekingsuitkering worden betaald. Dit betekent dat vanaf de eerste onderbrekingsdag uw werkgever gehouden is om het loon onverminderd door te betalen (...).".

Nadat appellante tegen deze besluiten bezwaarschriften had ingediend, zijn deze gehandhaafd bij het bestreden besluit van 16 april 1996.

Het namens appellante ingediende beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij de aangevallen uitspraak van 31 juli 1997.

Van de zijde van appellante is in het aanvullend beroepschrift van 20 februari 1998 onder meer het volgende aangevoerd: "Artikel 18 lid 1 WW bepaalt dat de werknemer die werkloos is uitsluitend als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden, recht heeft op uitkering voor de duur van die omstandigheden. Het vereiste van artikel 16 dat de werknemer het recht op onverminderde loondoorbetaling is verloren, blijft van kracht. Daarom is in de CAO voor de Tuinbouw bepaald dat de werkgever onder die omstandigheden niet gehouden is het loon door te betalen. Het Lisv stelt dat op de litigieuze data geen CAO van toepassing was omdat de geldigheid daarvan op 1-3-1995 was verstreken en nog geen nieuwe CAO tot stand was gekomen. Appellante is van mening dat op grond van nawerking de bepalingen van de CAO ook na het einde van de CAO deel blijven uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomst waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de CAO daarop van toepassing is. Appellante meent voor haar opvatting steun te vinden in artikel 19 Wet CAO, waarin is bepaald dat een CAO wordt geacht telkens voor gelijke tijd te zijn verlengd, alsmede in de jurisprudentie van Uw Raad (RSV 1978, 338) en van de Hoge Raad (NJ 1980, 348).".

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of gedaagde op juiste gronden heeft aangenomen dat appellante ten tijde van belang niet als werkloos kon worden aangemerkt aangezien zij recht had op onverminderde doorbetaling van loon.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 7A:1638d, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat luidde ten tijde van belang, verliest een werknemer zijn aanspraak op doorbetaling van loon niet indien hij bereid was om de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt hetzij door eigen schuld hetzij tengevolge van een hem persoonlijk betreffende toevallige verhindering.

Blijkens het bepaalde in artikel 7A:1638d, tweede lid, juncto artikel 7A:1638c, zevende lid, van het BW, kan van het bepaalde in artikel 7A:1638d, eerste lid, slechts worden afgeweken bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement.

Onweersproken is, en ook de Raad gaat ervan uit, dat appellante en haar werkgever een schriftelijke individuele arbeidsovereenkomst waren aangegaan, waarin is afgesproken dat de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Tuinbouw (hierna: de CAO) zou worden toegepast.

In artikel 10, tweede lid, van de CAO was -voor zover van belang- het volgende bepaald: "Indien ten gevolge van een zodanige gesteldheid van klimaat of bodem wegens vorst, sneeuw of overstroming (...) met inbegrip van onbewerkbaar land ten gevolge van genoemde gesteldheid of ten gevolge van regenval, het werk geen voortgang kan vinden, kunnen de werkzaamheden van losse werknemers zonder behoud van loon worden onderbroken met ingang van de volgende werkdag (...).".

De desbetreffende CAO, waarvan de bepalingen tot en met 28 februari 1995 algemeen verbindend waren verklaard, is door de werkgevers in de tuinbouwsector opgezegd tegen laatstvermelde datum. Dit had tot gevolg dat deze CAO ten tijde in dit geding van belang was geƫxpireerd.

Dit neemt niet weg, dat appellante en haar werkgever, naar uit de gedingstukken kan worden afgeleid, deze CAO ook na 28 februari 1995 in hun onderlinge arbeidsrelatie zijn blijven toepassen.

Gelet op het vorenstaande is de Raad dan ook van oordeel, dat het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de CAO, ook na 28 februari 1995 nog steeds deel is blijven uitmaken van de schriftelijke arbeidsovereenkomst die appellante en haar werkgever waren aangegaan.

Derhalve was ten tijde van belang sprake van een schriftelijk aangegane overeenkomst als bedoeld in artikel 7A:1638d, tweede lid, juncto artikel 7A:1637c, zevende lid, die strekt tot afwijking van het bepaalde in artikel 7A:1638d, eerste lid, van het BW.

Uit het vorenstaande vloeit voort, dat gedaagde zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante recht had op doorbetaling van loon en dientengevolge geen recht kon doen gelden op een uitkering krachtens de WW, uitsluitend op de grond dat de CAO was opgezegd tegen 28 februari 1995.

Derhalve komen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal gedaagde opdracht geven een nader besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Ter voorlichting van gedaagde merkt de Raad hier nog bij op, dat de omstandigheid dat het College van Toezicht Sociale Verzekeringen gedaagde, naar deze heeft gesteld, geen toestemming zou hebben gegeven om de kennelijk in het verleden toegepaste uitvoeringspraktijk nog langer voort te zetten, niet afdoet aan gedaagdes eigen verantwoordelijkheid om een juiste toepassing te geven aan wettelijke bepalingen van de WW.

Appellante heeft verzocht gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat gedaagde een nader besluit dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden, dan wel hierover in een afzonderlijk besluit een beslissing dienen te nemen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- als kosten wegens verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,-- als kosten voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Verstaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;

Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr P.H. Hugenholtz als leden, in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 1999.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) G. Leppink-Kooistra.

Q JdB 2202