Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
97/10436 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 142
USZ 1999/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/10436 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., wonende te B., appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellante is mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 19 september 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 februari 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr H. Koelewijn, voornoemd, terwijl gedaagde, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.H. Landweer, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante is in november 1986 in dienst getreden als slaapwacht bij het X., zijnde de rechtsvoorganger van de Stichting Y. (hierna: het X.), gevestigd te B. Met ingang van 1 februari 1993 is dit dienstverband uitgebreid naar 32 uur per week, waarbij de functie van appellante is gewijzigd van slaapwacht in hulpverleenster crisisopvang. Appellante is per 1 januari 1988 - met toestemming van het X. - voor 20 uur per week als slaapwacht in dienst getreden bij het Z.huis te W. Per 1 januari 1993 is aan deze dienstbetrekking een einde gekomen. Per 1 september 1989 is appellante als maatschappelijk werkster in dienst getreden bij het V. te T. (hierna: het V.), gedurende 20 uur per week.

Nadat eind 1994 aan het X. en het V. gebleken was dat appellante twee dienstbetrekkingen van respectievelijk 32 uur per week en 20 uur per week combineerde, zonder dat de werkgevers daarvan, naar hun mening, op de hoogte waren, hebben zij ieder voor zich de kantonrechter om ontbinding van de dienstbetrekking verzocht.

Bij beschikking van 7 maart 1995 heeft de kantonrechter te Amsterdam de arbeidsovereenkomst van appellante met het V. ontbonden met ingang van 1 april 1995. Voorts heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage bij beschikking van 4 april 1995 de arbeidsovereenkomst van appellante en het X. met ingang van 4 april 1995 ontbonden. Beide kantonrechters hebben in hun beschikking overwogen dat appellante in strijd met artikel 17 van de CAO voor de Jeugdhulpverlening heeft verzuimd haar werkgever schriftelijk in kennis te stellen van het (gaan) verrichten of uitbreiden van een gehonoreerde nevenfunctie. Voorts kon appellante volgens de kantonrechters geen sluitende verklaring geven voor het feit dat zij in periodes van ziekte bij de ene werkgever, wel werkte bij de andere werkgever.

Appellante heeft gedaagde verzocht haar uitkeringen ingevolge de WW toe te kennen, en wel met ingang van 3 april 1995 terzake van de beëindiging van het dienstverband met het V., en per 4 april 1995 met betrekking tot het einde van het dienstverband met het X. Bij besluiten van 23 juni 1995 heeft gedaagde de gevraagde uitkeringen toegekend. Bij besluiten van dezelfde datum is op de uitkeringen een sanctie toegepast, bestaande uit een blijvend gehele weigering van de uitkering, omdat appellante verwijtbaar werkloos zou zijn geworden.

Naar aanleiding van een tegen laatstvermelde besluiten ingediend bezwaarschrift heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 20 december 1995 onder meer voormelde sancties gehandhaafd.

Tegen de handhaving van de sancties heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat vast staat dat appellante haar nevenwerkzaamheden niet schriftelijk aan haar werkgevers heeft gemeld en dat appellante daarmee heeft gehandeld in strijd met de haar in artikel 17 van de CAO opgelegde verplichting. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen.

Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellante in het gesprek dat elk van beide werkgevers heeft willen voeren over de door hen als ongewenst ervaren combinatie van de functies zich totaal afzijdig heeft opgesteld en geen tekst en uitleg heeft gegeven over de ontstane situatie.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellante redelijkerwijs heeft kunnen voorzien dat haar gedragingen zouden leiden tot de beëindiging van haar dienstverbanden. Gedaagde heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante op 3 april 1995 en op 4 april 1995 verwijtbaar werkloos is geworden, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van die bepaling. Gedaagde was dan ook ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de WW bevoegd op de uitkeringen van appellante een sanctie toe te passen.

Gedaagde heeft van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt door de beide uitkeringen blijvend geheel te weigeren. Ten aanzien van de zwaarte van de sancties overweegt de Raad als volgt.

Naar het oordeel van de Raad waren de beëindigingen van de dienstverbanden in zodanige mate voorzienbaar dat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gedragingen van appellante in beginsel in te delen in de zwaarste sanctieklasse. Hierbij is van belang dat appellante een combinatie had van twee banen, van in totaal 52 uur, met daarnaast de nodige reistijd, in functies die veel van de persoon vergden en die een flexibele inzet eisten. In beide functies ondervond appellante problemen in haar functioneren, terwijl daarnaast voor de werkgevers zwaar woog dat appellante zich met een zekere regelmaat voor de ene functie had ziekgemeld, en dan in de andere functie bleef doorwerken. De Raad wijst er voorts op dat in het bijzonder de - appellante aan te rekenen - inadequate reactie, toen de werkgevers haar de gelegenheid boden zich te verantwoorden, ertoe leidde dat de werkgevers zonder meer aanstuurden op de beëindiging van het dienstverband. Bovendien is ook in de procedures bij de kantonrechter niet een voldoende te achten verklaring gegeven voor de omstandigheid dat appellante zich zo nu en dan bij de ene werkgever ziekmeldde, en bij de andere werkgever bleef doorwerken. Eerst naderhand is gesteld dat appellante door allerlei problemen op het werk tijdens bepaalde periodes situatief arbeidsongeschikt is geweest.

Dan is vervolgens aan de orde de vraag of de opgelegde sancties ook overigens de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. De grieven van appellante in hoger beroep hebben zich in dit verband in het bijzonder gericht op het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde sancties niet in strijd zijn te achten met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft daarbij laten wegen dat appellante haar werkgevers voor allerlei problemen omtrent haar inzetbaarheid heeft gesteld, zonder daarbij opening van zaken te geven omtrent haar andere dienstbetrekkingen en dat zij dit gedrag over een lange periode heeft volgehouden.

Weliswaar gaat het hier om twee verschillende uitkeringsrechten, maar van belang is tevens de onderlinge samenhang van deze rechten, zowel wat betreft de reden van het ontstaan, als wat betreft het moment van ontstaan. Gelet daarop dienen de opgelegde sancties, naar het oordeel van de Raad, voor de beantwoording van de vraag of hier al dan niet gesproken moet worden van onevenredigheid, ook in hun onderling verband in beschouwing te worden genomen.

Het betreft hier twee uitkeringsrechten met een theoretische maximale uitkeringsduur van 5 jaar. De Raad ziet er niet aan voorbij dat de grote omvang van de opgebouwde uitkeringsrechten nu juist is ontstaan door gedrag van appellante dat uiteindelijk heeft bijgedragen aan de beëindigingen van de dienstverbanden. Zulks neemt niet weg dat de Raad van oordeel is dat de aard en de ernst van de gedragingen van appellante niet in verhouding staan tot het algehele verlies van de beide langdurige uitkeringsrechten, in onderling verband bezien. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante weliswaar volstrekt inadequaat heeft gereageerd op de door haar beide werkgevers geëntameerde gesprekken omtrent de combinatie van de functies, maar anderzijds gaat de Raad ervan uit dat appellante binnen haar mogelijkheden wel haar best heeft gedaan de beide functies naar behoren te combineren, dat haar ziekmeldingen, naar zij onbetwist heeft gesteld, steeds zijn geaccepteerd door het uitvoeringsorgaan, en dat appellante in ieder geval niet bewust heeft aangestuurd op ontslag uit elk van beide functies.

In aanmerking genomen een in dit soort functies betrekkelijk gebruikelijke functie-omvang van 32 uur per week, op welke basis appellante bij het X. werkzaam was, is de Raad van oordeel dat de blijvend gehele weigering van de uitkering die is ontstaan door de beëindiging van het dienstverband bij het X. in strijd is te achten met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terwijl de blijvend gehele weigering van het andere, per 3 april 1995 ontstane, uitkeringsrecht de toetsing aan dat artikel wèl kan doorstaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voorzover betrekking hebbende op de sanctie die is toegepast op het per 4 april 1995 ontstane uitkeringsrecht, dient te worden vernietigd. Gedaagde zal in zoverre een nader besluit dienen te nemen.

Appellante heeft verzocht gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit gedeeltelijk wordt vernietigd en dat gedaagde in zoverre een nader besluit op het bezwaar zal dienen te nemen. De Raad acht het aangewezen dat gedaagde bij die gelegenheid tevens aandacht besteedt aan de vraag in hoeverre er redenen zijn om schade te vergoeden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 4,50 aan reiskosten in beroep, in totaal f 1.424,50, alsmede op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand en f 33,50 aan reiskosten in hoger beroep, zijnde in totaal f 1.453,50.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbende op de sanctie per 4 april 1995;

Verstaat dat gedaagde in zoverre een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep voor het overige ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.424,50 en in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.453,50;

Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 210,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr Th.C. van Sloten en mr P.H. Hugenholtz als leden,

in tegenwoordigheid van A.M.T. Janmaat als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 1999.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.M.T. Janmaat.

Q. JdB 0103