Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-1999
Datum publicatie
13-08-2002
Zaaknummer
97/2623 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/2623 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek als rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lieshout,

verder : gedaagde 1,

en

de raad van de gemeente Laarbeek als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Lieshout,

verder: gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 14 februari 1997 onder nummer Awb 97/205 AW VV en Awb 97/207 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Tevens is hierbij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Van de zijde van gedaagde 1 is een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak 7 mei 1997 heeft de fungerend president van de Raad het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Naar aanleiding van vragen van de Raad is een nader besluit van gedaagde 2 van 14 januari 1999 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 maart 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr K. de Meij, advocaat te Eindhoven en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr H.C. van Olden, eveneens advocaat te Eindhoven en mr P.J.A.G. van Velthoven, werkzaam bij de gemeente Laarbeek.

Op verzoek van gedaagden is als getuige verschenen en gehoord C, voorheen gemeentesecretaris van de gemeente Lieshout.

II. MOTIVERING

Appellante is sinds 1985 werkzaam geweest bij de gemeente Lieshout, aanvankelijk als medewerkster Welzijn op de afdeling Sociale Zaken en Welzijn. Uit deze functie is zij met ingang van 1 mei 1995 ontslagen wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid en met ingang van diezelfde datum is zij benoemd in de functie van receptioniste/telefoniste/typiste. Na 1 mei 1995 is het functioneren van appellante in functioneringsgesprekken aan de orde geweest en is er een beoordeling opgemaakt over de periode van 1 mei 1995 tot en met 31 augustus 1995. De rechtsvoorganger van gedaagde 1 heeft vervolgens, na verkregen machtiging van de raad van de toenmalige gemeente Lieshout, bij besluit van 18 juli 1996 met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) aan appellante met ingang van 1 september 1996 eervol ontslag verleend wegens onverenigbaarheid van karakters, onder toekenning van wachtgeld.

Bij het in dit geding bestreden besluit van 18 december 1996 is na bezwaar dit besluit van 18 juli 1996 gehandhaafd en zijn van de zijde van appellante gedane verzoeken om haar opnieuw een functie in de gemeente Laarbeek aan te bieden, om verhoging van haar wachtgeld en toekenning van een schadevergoeding niet gehonoreerd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard waarbij, kort samengevat, is overwogen dat weliswaar de vaststelling dat sprake was van duurzaam verstoorde verhoudingen is gedaan op een moment dat appellante nog slechts korte tijd werkzaam was in haar nieuwe functie, maar dat deze vaststelling mede is en mocht worden gebaseerd op ervaringen met appellante in haar vorige functie. Voorts is overwogen dat genoegzaam is gebleken dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en dat het ontstaan en voortbestaan daarvan in overwegende mate aan appellante valt toe te rekenen. Gelet hierop achtte de rechtbank het ontslagbesluit en de daarbij toegekende reguliere wachtgelduitkering in rechte houdbaar.

Van de zijde van appellante is in hoofdzaak naar voren gebracht dat gedaagde 1 heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat van meet af aan het oogmerk zou hebben bestaan een beoordeling op te maken, de periode waarover de beoordeling zich uitstrekt veel te kort is en de bezwaren tegen die beoordeling nooit in behandeling zijn genomen. Verder is bestreden dat sprake zou zijn van een gebrouilleerde situatie en van onverenigbaarheid van karakters en is een "wachtgeld-plus" regeling en schadevergoeding bepleit.

Namens gedaagden is hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

De Raad overweegt allereerst ambtshalve het volgende. Het besluit van gedaagde 1 van 18 juli 1996 omvat zowel een ontslagbesluit als een besluit tot toekenning van wachtgeld. Uit artikel 8:8, bezien in samenhang met artikel 8:14:3 van de CAR, vloeit voort dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontslag berust bij gedaagde 1 en de bevoegdheid tot het treffen van een uitkeringsregeling bij dat ontslag bij gedaagde 2. Nu gedaagde 1 beide besluiten heeft genomen, welke bij het in dit geding bestreden besluit zijn gehandhaafd, komt het bestreden besluit, voor zover dit de uitkering betreft, voor vernietiging in aanmerking. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het uitkeringsbesluit in stand is gelaten.

De Raad komt thans toe aan de geschilpunten die partijen verdeeld houden.

Ten aanzien van het gehandhaafde ontslagbesluit wordt overwogen dat de Raad evenals de rechtbank op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot de overtuiging is gekomen dat ten tijde in geding sprake was van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen appellante en met name haar superieuren.

De Raad kan (de gemachtigde van) appellante hierbij niet volgen in het argument dat zij geen eerlijke kans heeft gehad, nu zij met een volledig "schone lei" is begonnen in haar nieuwe functie en die functie veel te kort heeft vervuld. De in dit geding bestreden besluiten kunnen niet los worden gezien van de voorgeschiedenis, die uiteindelijk leidde tot een ontslag wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid per 1 mei 1995, in welk ontslag appellante heeft berust. De aanstelling per diezelfde datum in de functie van receptioniste/telefoniste/typiste vond dan ook plaats onder strikte voorwaarden met betrekking tot begeleiding en beoordeling. Vervolgens zijn in deze nieuwe functie door de opstelling van appellante, waarbij zij moeilijk aanspreekbaar bleek op haar wijze van functioneren en zij bij kritiek veelal de oorzaak bij anderen zocht, al weer snel botsingen ontstaan met haar superieuren. Onder deze omstandigheden heeft gedaagde 1 naar het oordeel van de Raad tot de conclusie mogen komen dat verder functioneren van appellante binnen de gemeente niet langer mogelijk was, omdat de arbeidsverhouding duurzaam was verstoord.

Dat de bezwarenprocedure met betrekking tot de beoordeling ten tijde van het ontslag nog niet was afgerond kan gezien de hiervoor omschreven omstandigheden niet tot een andere conclusie leiden.

De Raad acht het bestreden ontslagbesluit derhalve in rechte houdbaar.

Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of de bij het ontslag toegekende wachtgelduitkering, zonder aanvulling en/of schadevergoeding, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Ook de Raad is van oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding niet in overwegende mate is toe te rekenen aan gedaagden, maar met name aan appellante, en dat gedaagde 1 gedurende een lange periode voldoende serieuze pogingen heeft ondernomen om tot een voor beide partijen acceptabele wijze van (samen)werken te komen. Gedaagde 1 heeft naar het oordeel van de Raad ten tijde van het ontslagbesluit mogen oordelen dat de grens hierin was bereikt. Onder deze omstandigheden heeft gedaagde 2 naar het oordeel van de Raad in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat een uitkering ter hoogte van een wachtgelduitkering "sec" en zonder schadevergoeding voldoende was te achten.

De Raad overweegt hierbij nog dat gedaagde 2 bij de berekening van de wachtgeldduur terecht is uitgegaan van een diensttijd van 11 jaar en ruim 5 maanden, nu vóór het dienstverband bij gedaagde 1 geen ambtelijke diensttijd is verworven met een onderbreking van minder dan een jaar en die diensttijd derhalve op grond van artikel 10:3, derde lid, van de CAR buiten beschouwing dient te blijven. Overigens dienen deze eerdere jaren bij de beoordeling van een verlenging van de wachtgeldduur op grond van artikel 10:8, vierde lid, van de CAR eveneens buiten beschouwing te worden gelaten omdat deze diensttijd voor de opbouw van het pensioen is afgekocht en deze derhalve geen voor pensioen geldige diensttijd betreft.

Nu de Raad gezien het vorenstaande het besluit met betrekking tot de uitkering materieel houdbaar acht, gedaagde 2 met betrekking tot het primaire besluit een machtiging heeft verstrekt aan gedaagde 1 en voorts gedaagde 2 het uitkeringsbesluit bij besluit van 14 januari 1999 alsnog voor zijn rekening heeft genomen, acht de Raad het geraden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het uitkeringsbesluit in stand te laten.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde 1 met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, ten bedrage van f 1.420,- in eerste aanleg en f 1.420,- in hoger beroep voor kosten van rechtsbijstand. De gevorderde kostenvergoeding inzake juridische bijstand tijdens de bezwarenprocedure wijst de Raad af, waarbij wordt overwogen dat volgens vaste jurisprudentie deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft genomen, hetgeen hier niet het geval is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bij het bestreden besluit gehandhaafde uitkeringsbesluit in stand is gelaten;

Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde uitkeringsbesluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van appellante ten bedrage van f 2.840,-, te betalen door de gemeente Laarbeek;

Bepaalt dat de gemeente Laarbeek aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van f 515,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.L.M.J. Stevens en mr A. Beuker-Tilstra als leden,

in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 22 april 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers. HD 16.04 Q

97/2623 AW