Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-1999
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
97/7956 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

de brochure geen besluit is, het (overgangsrecht bij het) BWOO slechts algemeen verbindende voorschriften omvat,

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:2
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1999/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/7956 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht op 17 juli 1997 onder nr. 96/1155 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarna appellant desgevraagd nadere stukken heeft overgelegd.

Daartoe uitgenodigd heeft het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht verzocht wel als belanghebbende te worden aangemerkt, maar te kennen gegeven niet als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 februari 1999.

Appellant is daar in persoon verschenen.

Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren in 1932, is in het kader van de uitvoering van de Tijdelijke Wet taakverdeling w.o. per 1 november 1987 ontslag verleend uit zijn voltijdse betrekking bij de toenmalige Rijksuniversiteit te Utrecht en op grond van de Tijdelijke rechtspositieregeling taakverdeling w.o. tot zijn pensioengerechtigde leeftijd een zogeheten TKV- garantiewachtgeld toegekend van 80% aflopend naar 70% van de voor het ontslag genoten bezoldiging. Nadien is appellant opnieuw, maar in deeltijd, in vaste dienst bij voornoemde universiteit aangesteld, laatstelijk voor 12 uur per week. Op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 werd op appellants wachtgeld niet gekort zolang zijn wachtgeld tezamen met zijn neveninkomsten de tot het ontslag genoten bezoldiging niet overschreed.

Met ingang van 1 maart 1994 zijn het Besluit Werkloosheid onderwijsen onderzoekpersoneel (BWOO) en het daarbij behorend overgangsrecht in werking getreden. Bij brief van 4 december 1995 heeft gedaagde appellant met verwijzing naar de brochure "Overgangsrecht BWOO, veranderingen in de neveninkomsten per 1 januari 1996" er op gewezen dat zijn wachtgelduitkering met ingang van 1 maart 1994 onder het BWOO was komen te vallen en dat met ingang van 1 januari 1996 verrekening van zijn neveninkomsten zou gaan plaatsvinden. Daarbij heeft gedaagde appellant verzocht over zijn neveninkomsten informatie te verschaffen.

Naar aanleiding hiervan heeft appellant op 21 december 1995 bezwaar gemaakt tegen het bij het BWOO behorende overgangsrecht en tegen de uitvoering daarvan. Bij de mondelinge toelichting van zijn bezwaar op 1 februari 1996 heeft appellant een schriftelijke aanvulling van zijn bezwaarschrift overhandigd, waarin hij zijn bezwaar tegen de verandering en de verrekening van de neveninkomsten per 1 januari 1996 heeft herhaald.

Blijkens de aan appellant verstrekte wachtgeldspecificatie van 19 januari 1996 heeft gedaagde appellants wachtgeld dat tot 1 januari 1996 bruto f 3439,80 bedroeg, over de maand januari 1996 tot bruto f 2353,55 verlaagd. In aansluiting daarop heeft gedaagde bij brief van 5 maart 1996 appellant meegedeeld, dat diens recht op uitkering wegens de nevenwerkzaamheden op grond van artikel 6, derde lid, onder a, van het BWOO, met ingang van 1 januari 1996 voor 12 uur per week was geindigd. Gedaagde heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid van bezwaar tegen deze beslissing, onder de toevoeging: "Op Uw bezwaar zal ik zo spoedig mogelijk een met redenen omklede beslissing nemen waartegen beroep openstaat."

Bij zijn bestreden besluit van 14 maart 1996 heeft gedaagde het bezwaar van 21 december 1995 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft naar aanleiding van de brief van 5 maart 1996 geen bezwaar gemaakt.

Het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit heeft ingesteld, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de brochure geen besluit is, het (overgangsrecht bij het) BWOO slechts algemeen verbindende voorschriften omvat, op 21 december 1995 nog geen besluit tot toepassing van het BWOO jegens appellant was genomen en appellant op dat moment ook niet redelijkerwijs kon menen dat dat laatste wel het geval was.

De Raad is evenals de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel dat het bezwaar van 21 december 1995 op zichzelf terecht niet ontvankelijk is verklaard.

Gedaagde had daarmee evenwel niet mogen volstaan. Aan de wachtgeldspecificatie van 19 januari 1996 ligt een besluit van gedaagde inzake gedeeltelijke beëindiging van appellants wachtgeld ten grondslag. Gedaagde had het op 1 februari 1996 overhandigde aanvullende bezwaarschrift als een mede tegen dit besluit gericht ontvankelijk bezwaar dienen aan te merken, nu appellant in dit stuk (wederom) tegen de verrekening van de neveninkomsten per januari 1996 bezwaar heeft gemaakt. Dat dit bezwaar is gemaakt voordat het besluit op 5 maart 1996 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt leidt ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet tot niet-ontvankelijkheid nu het besluit op 1 februari 1996 wel reeds tot stand was gekomen.

Nu bij het bestreden besluit niet (inhoudelijk) op dit bezwaar is beslist, moeten het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in zoverre worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Gelet op artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, dient het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht te worden vergoed zoals in rubriek III is bepaald.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze het bezwaar van 21 december 1995 betreft;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het primaire beroep gegrond voor zover dit het bezwaar van 1 februari 1996 betreft en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog op het bezwaar van 1 februari 1996 beslist;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal f 360,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr J.H. van Kreveld en mr P. Ingelse als leden,

in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 22 april 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.W.M. van Bommel.

(wegens defungeren van

bovengenoemde griffier)

HD 19.04 Q