Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-1999
Datum publicatie
02-08-2001
Zaaknummer
97/6269 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/6269 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 3 juni 1997 onder nummer 94/5865- G6 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door P.L. de Vette, accountant-administratieconsulent te Bergschenhoek.

II. MOTIVERING

De Raad verwijst voor een meer uitvoerige weergave van de relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende samenvatting. Appellant heeft bij na bezwaar gehandhaafd besluit van 25 oktober 1994 geweigerd om aan gedaagde, die tot 1 januari 1993 in dienst van appellant werkzaam was als kapitein binnenvaart bij de Dienst Reiniging, Ontsmetting, Transport en Bedrijfswerkplaatsen (Roteb), een suppletie van 18% op zijn invaliditeitspensioen toe te kennen. Die weigering berust op het standpunt dat er in het werk van gedaagde weliswaar sprake was van omstandigheden die objectief beschouwd een abnormaal of excessief karakter dragen, maar dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat er een causaal verband bestaat tussen de ingetreden arbeidsongeschiktheid en die omstandigheden. De rechtbank te Rotterdam heeft, onder overweging dat er dient te worden uitgegaan van de aanwezigheid van abnormale of excessieve werkomstandigheden, zijn beoordeling beperkt tot de vraag of de ziekte van gedaagde haar oorzaak vindt in die werkomstandigheden en heeft die vraag, na raadpleging van de psychiater G.M.M.L. Frijns (hierna: Frijns), bevestigend beantwoord.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit het vanwege de rechtbank ingestelde onderzoek naar de werkomstandigheden van gedaagde naar voren is gekomen dat er weliswaar sprake was van stresserende factoren, maar dat die door de ex-collega's van gedaagde niet als langdurig excessief werden ervaren. De rechtbank dient volgens appellant de feiten volledig te toetsen en heeft ten onrechte niet opnieuw beoordeeld of er sprake was van excessieve werkomstandigheden. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de conclusie van de deskundige Frijns dat de arbeidsongeschiktheid van gedaagde in overwegende mate het gevolg is van de werkomstandigheden, niet te rijmen valt met diens erkenning dat, los van de persoonlijkheidsstructuur van gedaagde, de werkbelasting niet zodanig was dat arbeidsongeschiktheid te verwachten viel. Uit die erkenning blijkt dat de persoonlijkheidsstructuur van gedaagde de doorslag heeft gegeven, zodat er geen sprake van was dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate het gevolg is van de werkomstandigheden.

De Raad stelt voorop, dat appellant aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd het hem gegeven preadvies waarin is geconcludeerd dat de werkomstandigheden moeten worden gekwalificeerd als factoren die een abnormaal en excessief karakter dragen als bedoeld in de hier toepasselijke gevestigde jurisprudentie van de Raad. In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft appellant met zoveel woorden gesteld dat niet in geschil is dat de vraag betreffende de aanwezigheid van factoren die een abnormaal en/of excessief karakter dragen, bevestigend moet worden beantwoord. Onder deze omstandigheden acht de Raad het juist dat de rechtbank zich niet meer in die vraag begeven heeft.

Met betrekking tot de vraag of appellant is kunnen blijven bij het eerder, bij besluit van 19 mei 1992, in het kader van het bepalen van gedaagdes bezoldigingsaanspraken ook reeds ingenomen, niet aangevochten, standpunt, dat het vereiste - in overwegende mate - causale verband tussen gedaagdes ziekte en diens werkomstandigheden ontbreekt, overweegt de Raad het volgende.

De door de rechtbank ingeschakelde psychiater Frijns heeft in zijn eerste rapport de vraag naar dit oorzakelijk verband bevestigend beantwoord. Naar aanleiding van nadere vragen van de rechtbank heeft hij zijn conclusie weliswaar gehandhaafd, maar hij heeft erkend dat uit de persoonlijkheidsstructuur van gedaagde goed verklaard kan worden dat gedaagde een goede en werkwillige medewerker wilde zijn die daarbij zijn eigen grenzen regelmatig en langdurig overschreed. Gezien de persoonlijkheid van gedaagde is goed te begrijpen, aldus Frijns, dat hij jarenlang overbelast is geweest. Bij het licht hiervan moet de Raad tot de slotsom komen dat de psychische ziekte uit hoofde waarvan gedaagde blijvend ongeschikt is verklaard zijn betrekking te vervullen, veeleer haar oorzaak vindt in de persoonlijkheidsstructuur van gedaagde dan in diens werkomstandigheden. Gelet hierop beantwoordt de Raad de in de voorgaande alinea gestelde vraag bevestigend.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist is als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr H. Bekker en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1999.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD 28.04 Q