Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1999:AA3727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-1999
Datum publicatie
23-07-1999
Zaaknummer
96/6723 + 6724 AAW/WAO, 96/11456 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 1999-07-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475c, geldigheid: 1999-07-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475d, geldigheid: 1999-07-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475d, geldigheid: 1999-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

96/6723 + 6724 AAW/WAO 96/11456 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoe ringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

De gedingen 96/6723 en 6724 AAW/WAO

Bij besluit van 21 augustus 1995 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en artikel 57 (oud) van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant teruggevorderd een bedrag van f 44.903,23 ter zake van hetgeen op grond van die wetten onverschuldigd aan appellant was betaald.

Bij besluit van 21 augustus 1995 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het ter verrekening van deze schuld door appellant met ingang van 1 september 1995 maandelijks te betalen bedrag vastgesteld op f 1.381,83.

Appellant heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Haarlem.

Hangende het beroep heeft gedaagde, onder gedeeltelijke wijziging van besluit 1, bij besluit van 22 april 1996 het bedrag ter zake van hetgeen op grond van de AAW en de WAO onverschuldigd aan appellant was betaald alsnog bepaald op f 27.136,32.

Namens appellant is meegedeeld dat gedaagde met het besluit van 22 april 1996 geheel is tegemoet gekomen aan het door hem ingestelde beroep.

Hangende het beroep heeft gedaagde voorts, onder intrekking van besluit 2, bij besluit van 4 januari 1996 (hierna: besluit 3) het met ingang van 1 februari 1996 ter verrekening van appellants schuld maandelijks op appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO in te houden bedrag vastgesteld op f 731,34.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 30 mei 1996 (hierna: aangevallen uitspraak 1):

- de beroepen, gericht tegen de besluiten 1 en 2, gegrond verklaard en die besluiten vernietigd,

- het beroep tegen besluit 3 ongegrond verklaard, en

- gedaagde veroordeeld in de kosten van het geding, door de rechtbank voor ieder geding bepaald op f 710,-, tezamen f 1.420,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Appellant heeft bij gemachtigde mr E.M. van Hemert, advocaat te Zaandam, op bij een drietal beroepschriften, alle gedateerd 15 juli 1996, aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover:

- gedaagde is veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten, door de rechtbank voor ieder geding bepaald op f 710,-, tezamen f 1.420,-, en

- het beroep tegen besluit 3 ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een drietal verweerschriften, alle gedateerd 16 september 1996, ingediend.

Bij schrijven (met bijlagen) van 4 oktober 1996 heeft mr Van Hemert, voornoemd, de gronden van het hoger beroep, voor zover betrekking hebbende op besluit 3, aangevuld, waarop van de zijde van gedaagde bij brief van 23 oktober 1996 is gereageerd.

Het geding 96/11456 AAW/WAO

Bij besluit van 22 juli 1996 (hierna: besluit 4) heeft gedaagde, onder wijziging van besluit 3, het met ingang van 1 maart, respectievelijk 1 april 1996 ter verrekening van appellants schuld maandelijks op appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO in te houden bedrag vastgesteld op f 735,68, respectievelijk f 1.015,68.

De President van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 1 november 1996 (hierna: aangevallen uitspraak 2) het tegen voormeld besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Namens appellant heeft mr Van Hemert, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) d.d. 28 maart 1997 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op een daartoe strekkend verzoek van de Raad heeft gedaagde bij schrijven van 19 oktober 1997 nadere stukken ingediend.

Bij schrijven van 16 december 1998 heeft gedaagde een hem vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.

De gedingen 96/6723 en 6724 AAW/WAO en 96/11456 AAW/WAO

De gedingen zijn gevoegd en behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni 1999, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr Van Hemert, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.M. Huisman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

Gelet op de ingediende beroepschriften liggen in hoger beroep de volgende vragen ter beantwoording voor:

- Heeft de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1 het door gedaagde aan appellant te vergoeden bedrag ter zake van gedaagdes proceskosten in eerste aanleg terecht en op goede gronden gesteld op twee maal f 710,-, tezamen f 1.420,-?

- Kunnen de besluiten 3 en 4, waarbij het, ter verrekening van appellants schuld ter zake van onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de AAW en de WAO, op appellants AAW/WAO-uitkering ingehouden bedrag met ingang van respectievelijk 1 februari, 1 maart en 1 april 1996 is vastge- steld op respectievelijk f 731,34, f 735,68 en f 1.015,68, in rechte stand houden?

- Heeft de rechtbank, respectievelijk de President van de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1, respectievelijk aangevallen uitspraak 2 terecht en op juiste gronden afgezien van inwilliging van appellants verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb?

De Raad stelt deze vragen achtereenvolgens aan de orde.

De proceskostenveroordeling

Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de door haar uitgesproken proceskostenveroor- deling een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) omdat de rechtbank, blijkens aangevallen uitspraak 1, slechts punten heeft toegekend aan de in de beide procedures ingediende beroepschriften. Naar zijn oordeel dienen ook punten te worden toegekend voor het verschijnen ter zitting in de beide procedures, alsmede voor een schrijven 14 april 1996, welk schrijven zijns inziens is aan te merken als op verzoek van de rechtbank verstrekte schriftelijke inlichtingen.

De totale hoogte van de in eerste aanleg uit te spreken proceskostenveroordeling had derhalve f 1.775,- behoren te bedragen.

Van de zijde van gedaagde is betoogd dat de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling een juiste toepassing behelst van het Bpb. Naar zijn oordeel heeft de rechtbank terecht slechts 1 punt per procedure in aanmerking genomen, omdat de beide beroepschriften, waarbij tevens was verzocht om een voorlopige voorziening, reeds bij gelegenheid van de uitspraak op die verzoeken hadden geleid tot een proceskostenveroordeling. Om die reden is er naar gedaagdes oordeel geen plaats meer voor het in aanmerking nemen van de beroepschriften bij het vaststellen van de hoogte van de door appellant in de beide (bodem-)procedures gemaakte proceskosten. Het bij aangevallen uitspraak 1 aan elk der procedures toegekende punt betreft naar zijn mening het verschijnen ter zitting. Wat het schrijven van 14 april 1996 betreft, is gedaagde van mening dat, nu in dat schrijven is gereageerd op het door gedaagde nader bij besluit 3 ingenomen standpunt en het beroep tegen besluit 3 ongegrond is verklaard, er geen grond is voor toekenning van een vergoeding voor gemaakte proceskosten.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het Bpb. In de procedure ter zake van besluit 1 komen voor vergoeding in aanmerking de volgende proceshandelin gen :

het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De omstandigheid dat bij het beroepschrift tevens is verzocht om een voorlopige voorziening en bij de uitspraak op dat verzoek reeds een proceskostenveroordeling is uitgesproken waarbij het verzoek als een voor vergoeding in aanmerking komende proceshandeling is aangemerkt, maakt niet dat het beroepschrift in de bodemprocedure niet meer als proceshandeling voor vergoeding van proceskosten in aanmerking kan komen. Voorts overweegt de Raad dat de procedure ter zake van besluit 1 ter zitting van de rechtbank op 25 april 1996 inhoudelijk aan de orde is geweest, zij het dat daarbij van de zijde van appellant, nu met het besluit van 22 april 1996 is tegemoet gekomen aan zijn beroep, is volstaan met het vorderen van vergoeding van de door hem in de procedure ter zake van dat besluit gemaakte proceskosten.

In de procedure ter zake van besluit 2 komen voor vergoeding in aanmerking de volgende proceshandelingen : het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De Raad overweegt hierbij dat de rechtbank terecht besluit 3 heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb en, nu daarmee niet aan het beroep van appellant is tegemoet gekomen, terecht het tegen besluit 2 ingediende beroepschrift heeft geacht mede te zijn gericht tegen besluit 3. Het nadere schrijven van 14 april 1996 komt naar het oordeel van de Raad niet voor vergoeding ingevolge het Bpb in aanmerking omdat het niet als een zelfstandige proceshandeling, als opgesomd in de bijlage bij dat besluit, is aan te merken, maar is te beschouwen als een nadere uitwerking van het (aanvullend) beroepschrift in de procedure ter zake van besluit 2.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep, voor zover gericht tegen de door de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1 uitgesproken proceskostenveroordeling, doel treft, zodat evengenoemde uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

De verrekeningsbesluiten

Met betrekking tot besluit 3 is in hoger beroep nog slechts in geschil of gedaagde bij het vaststellen van de hoogte van het met ingang van 1 februari 1996 met appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO te verrekenen bedrag op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv).

De Raad is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en hij overweegt daartoe het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder - verwezen zij naar zijn uitspraak van 5 juli 1995, gepubliceerd in RSV 1996/60 - heeft uitgesproken, dient bij het nemen van een besluit als thans aan de orde artikel 6:135 van het Burgerlijk Wetboek in acht te worden genomen. Dit betekent, dat bij de bepaling van het te verrekenen bedrag appellants vrij te laten inkomen met toepassing van de artikelen 475c en 475d Rv moet worden berekend. Reeds om deze reden kan appellants betoog, dat bij de vaststelling van het deel van zijn woonkosten dat dient te worden bijgeteld bij het vrij te laten inkomen aansluiting dient te worden gezocht bij de hoogte van het bedrag voor woonkosten in de bijstandsnorm, welk bedrag per 1 juli 1994 is gesteld op f 335,-, niet slagen.

De wijze waarop gedaagde het in artikel 475d, tweede lid, aanhef en onder b, bedoelde bedrag aan woonkosten heeft berekend, is, naar ook namens appellant bij het schrijven van 4 oktober 1996 is erkend, in overeenstemming met de tekst van die bepaling. De omstandigheid dat gedaagde bij die berekening is uitgegaan van de voor het tijdvak van 1 juli 1994 tot 1 juli 1995 geldende bedragen in plaats van de voor het tijdvak van 1 juli 1995 tot 1 juli 1996 geldende bedragen, brengt de Raad niet tot het oordeel dat besluit 3 in rechte geen stand kan houden, nu daardoor het vrij te laten deel van appellants inkomen in elk geval niet te laag is vastgesteld. Nu de overige bedragen die van belang zijn voor de berekening van de bij appellant bestaande ruimte voor verrekening niet ter discussie staan, moet worden geoordeeld dat het hoger beroep, voor zover betrekking hebbende op besluit 3, niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.

Met betrekking tot besluit 4 is in hoger beroep in geschil of de President van de rechtbank, onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van dat besluit, terecht heeft overwogen dat:

- gedaagde, voor wat betreft de berekening van de in aanmerking te nemen woonkosten, een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, Rv;

- het gedaagde vrij staat om bij de vaststelling van het te verrekenen bedrag acht te slaan op andere terugbetalingsver- plichtingen van appellant, in casu de schuld van appellant aan de ABN/AMRO;

- de omstandigheid dat in de maand oktober 1996 niet alleen een bedrag van f 1.015,68 is verrekend, maar ook een bedrag van f 2.031,36, zijnde de verrekeningsbedragen over de maanden augustus en september daaraanvoorafgaande, zodat in die maand - alsmede in de maand november 1996, toen het deel van het bedrag van f 2.031,36 is verrekend dat gelet op appellants inkomen over de maand oktober nog niet kon worden verrekend - feitelijk meer is verrekend dan op grond van besluit 4 mogelijk was.

De Raad overweegt als volgt.

Onder verwijzing naar hetgeen hij hierboven heeft overwogen met betrekking tot besluit 3, waar de wijze van berekenen van het vrij te laten deel van appellants inkomsten, in het bijzonder wat het aandeel daarin van de woonkosten van appellant betreft, reeds aan de orde was, is de Raad met de President van de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop bij besluit 4 het in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, Rv bedoelde bedrag aan woonkosten, dat bij de beslagvrije voet, als bedoeld in dat artikel, dient te worden opgeteld, is berekend, in overeenstemming is met de tekst van die bepaling, en is hij tevens van oordeel dat, bij toepassing van de juiste, voor het tijdvak van 1 juli 1995 tot 1 juli 1996 geldende, bedragen, het vrij te laten deel van appellants inkomen per 1 maart 1996 in elk geval niet te laag is vastgesteld.

Voorts is de Raad van oordeel dat bij aangevallen uitspraak 2 terecht is overwogen dat het gedaagde vrij staat om bij de vaststelling van het verrekeningsbedrag rekening te houden met andere terugbetalingsverplichtingen van appellant, in die zin dat het verrekeningsbedrag niet wordt gesteld op het volle bedrag van het voor verrekening in aanmerking komende deel van appellants inkomsten, nadat daarop de vordering van de Fiscus, aan welke vordering, zoals de President in de aangevallen uitspraak 2 terecht heeft geoordeeld, voorrang toekomt, in mindering is gebracht. De omstandigheid dat gedaagde, vóór het moment waarop met de vordering van de Fiscus rekening dient te worden gehouden, steeds de facto voorrang heeft toegekend aan de verplichting van appellant tot aflossing van een schuld aan de ABN/AMRO, brengt niet mee dat nà dat moment ook nog steeds aan de aflossing van die schuld voorrang dient te worden gegeven. Naar de Raad reeds vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld bij uitspraak van 13 maart 1998, gepubliceerd in RSV 1998/169) behoeft met schulden aan derden geen rekening te worden gehouden omdat, ware dit anders, de vordering van gedaagde zou worden achtergesteld bij de vorderingsrechten van deze derden, zonder dat van een gegronde reden daarvoor is gebleken.

Tenslotte is de Raad met de President van oordeel dat, nu besluit 4 niet in rechte stand kan houden, hij - reeds deswege - niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van appellants grief dat in de maand oktober 1996 meer is verrekend dan op grond van besluit 4 was toegestaan.

Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de in hoger beroep aangevoerde bezwaren geen doel treffen, zodat aangevallen uitspraak 2 dient te worden beves- tigd.

De toepassing van artikel 8:73 van de Awb

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, gelet op de overwegingen in die uitspraak, het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:73 van de Awb afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden. De Raad stelt zich achter deze beslissing van de rechtbank en hij merkt daarbij nog op dat ook namens appellant, blijkens de pleitnotitie in eerste aanleg, is opgemerkt dat over de maanden september en oktober 1995 geen sprake is van schade, omdat gedaagde op vrijwillige basis het verschil tussen f 1.381,83,-, zijnde het bij besluit 2 vastgestelde verrekeningsbedrag, en f 450,-, zijnde de bij voorlopige voorziening van de President van de rechtbank d.d. 30 oktober 1995 vastgestelde aflossingsver- plichting, aan appellant heeft gerestitueerd, terwijl appellant - blijkens diezelfde pleitnotitie - geen aanspraak maakt op vergoeding van tot aan de restitutiedatum gederfde rente.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de President van de rechtbank naar aanleiding van het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:73 van de Awb overwogen dat hij het aangewezen acht dat appellant, wanneer deze van oordeel is dat hij schade heeft geleden omdat gedaagde tot een hoger bedrag heeft verrekend dan bij die uitspraak is toegestaan, gedaagde moet verzoeken hierover een besluit te nemen. De Raad verstaat dit aldus dat de President het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb heeft afgewe- zen.

Ook de Raad is van oordeel dat het verzoek om veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de door appellant geleden schade in verband met het onrechtmatige besluit van 22 juli 1996 niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Met de President is hij van oordeel dat, nu het besluit van 22 juli 1996, waarbij is beslist op het verzoek namens appellant van 13 juni 1996 om het verrekeningsbedrag ingaande 1 maart 1996 aan te passen aan de met ingang van die datum aanwezige situatie, is vernietigd, gedaagde opnieuw een besluit op dat verzoek dient te nemen. Pas nadat gedaagde dat nieuwe besluit, met inachtneming van de na 1 maart 1996 zich voorgedaan hebbende, relevante nieuwe omstandigheden, heeft genomen, kan worden beoordeeld of en in welke mate door gedaagde met ingang van 1 maart 1996 tot 1 december 1996 teveel is verrekend. De Raad gaat er van uit dat gedaagde, bij het nemen van een nieuw besluit op genoemd verzoek van 13 juni 1996, zich eveneens zal beraden over de vergoeding van eventueel door appellant in verband met de feitelijk verrichte maandelijkse verrekeningen geleden schade en, zo nodig, tot vergoeding van die schade zal overgaan.

De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep, ter bepaling waarvan de Raad de twee beroepschriften die de juistheid van de door de recht- bank uitgesproken proceskostenveroordeling aan de orde stellen aanmerkt als één beroepschrift, omdat beide beroepschriften zijn gericht tegen één-en-dezelfde beslissing van de rechtbank. Voor vergoeding komen derhalve in aanmerking de proceshandelingen: het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De Raad kent voorts aan deze zaak de wegingsfactor 0,5 (gewichtfactor licht) toe. Als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep komt derhalve een bedrag van f 710,- voor vergoeding in aanmerking.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde griffierecht, betaald ter zake van het tegen aangevallen uitspraak 1 ingestelde hoger beroep, door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij gedaagde is veroordeeld in de kosten van het geding;

Bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, voor het overige;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van f 2.840,- te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van f 710,-;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van f 150,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr H.E. Scheepers-van Die als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 1999.

(get.) J. Janssen.

(get.) H.E. Scheepers-van Die.

AB