Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-1998
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
97/5768 ABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorliggende voorziening; studietoelage. Naar het oordeel van de Raad stelt de gemeente zicht terecht op het standpunt dat de via de WSF geboden mogelijkheid om een rentedragende lening af te sluiten mede ten behoeve van de kosten van het levensonderhoud van de partner kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening in de zin van art 1a.1 ABW. De passendheid wordt niet aan die voorziening ontnomen door het feit dat betr., nu ook het onderhoud van haar partner tot haar last komt, een aanzienlijke studieschuld opbouwt. Nu betr. voor haar partner een partnertoeslag ingevolge de WSF ontvangt, mist art 1.1 Beschikking bijstandsverlening werkloze werknemers met studerende partner toepassing. Vergelijk 97/892 ABW, dd 2-6-1998 [RSV 98/230, JABW 98/130].

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 1999, 14
USZ 1998/296 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/5768 ABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A en B, wonende te C, appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de

gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellanten heeft mr M.H.J. van Geffen,

advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de

door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 2

april 1997 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt

verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 september

1998, waar namens appellanten is verschenen mr Van

Geffen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen

vertegenwoordigen door mr I. van Kesteren, werkzaam

bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene

Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene

bijstandswet (Abw) en de Invoeringswet herinrichting

Algemene Bijstandswet in werking getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt

beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop

berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als

hier van belang.

Appellante B (verder te noemen: appellante) studeerde

sinds september 1993 psychologie aan de Universiteit

van Amsterdam. Omdat haar partner A (verder te noemen:

appellant) niet over eigen inkomen beschikte en hij

hun (in oktober 1990 geboren) kind mede verzorgde,

ontving appellante op grond van de Wet op de

studiefinanciering (WSF) naast een basisbeurs een

partnertoeslag (in 1993 en 1994 respectievelijk f

1.414,55 en f 1.431,--).

Appellante is op 16 augustus 1995 27 jaar geworden en

had derhalve per 1 september 1995 geen recht meer op

de basisbeurs met toeslag. Per 1 september 1995

ontving zij echter op grond van de artikelen 8, tweede

lid, en 17a, eerste lid, van hoofdstuk II van de WSF

een studietoelage in de vorm van een rentedragende

lening, inclusief een partnertoeslag eveneens in de

vorm van een lening op grond van artikel 13, eerste

lid, van die wet, in totaal ten bedrage van f 2.040,94

per maand.

Appellant heeft op 20 juli 1995 ter voorziening in de

noodzakelijke kosten van het bestaan een aanvraag

ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers

(RWW) ingediend. Hij heeft daarbij verzocht om het

inkomen van appellanten aan te vullen met een halve

gezinsuitkering tot zijn zoon oud genoeg is en

appellant weer aan het werk kan gaan.

Bij besluit van 15 september 1995 heeft gedaagde

afwijzend beslist op appellants aanvraag.

Het door appellanten tegen dit besluit ingediende

bezwaar is bij het bestreden besluit van 19 juli 1996

ongegrond verklaard. Gedaagde heeft afwijzend beslist

op de gronden dat het maandelijkse gezinsinkomen,

bestaande uit de hiervoor genoemde rentedragende

lening met partnertoeslag ingevolge de WSF, de

bijstandsnorm voor een gezin overtreft. Voorts is

gedaagde van mening dat die lening moet worden

aangemerkt als een voorliggende voorziening, als

bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de ABW.

De rechtbank heeft het door appellanten tegen het

bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond

verklaard.

Appellanten stellen zich op het standpunt dat een

rentedragende lening niet als inkomen kan worden

aangemerkt en dat de partnertoeslag ex artikel 13 van

de WSF geen naar aard en doel passende voorziening

voor appellant is, nu deze lening tot gevolg heeft dat

appellante, teneinde mede in het levensonderhoud van

appellant te voorzien, een grotere studieschuld

opbouwt dan wanneer zij alleen de basisbeurs voor haar

studie zou lenen. Appellanten hebben daarbij gewezen

op de naar hun mening van overeenkomstige toepassing

zijnde Beschikking bijstandsverlening werkloze

werknemers met studerende partner (Beschikking van de

staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

van 4 september 1986, verder te noemen: de

Beschikking).

De Raad overweegt het volgende.

Appellante ontvangt ten tijde in dit geding van belang

per maand op grond van de WSF een studietoelage met

partnertoeslag in de vorm van een rentedragende

lening. Dit houdt in dat appellanten feitelijk voor

hun levensonderhoud maandelijks ter beschikking hebben

een bedrag van ruim f 2.000,--, welk bedrag uitgaat

boven de in het kader van de RWW voor een echtpaar

vastgestelde norm. Naar 's Raads oordeel heeft

gedaagde terecht hetgeen appellanten ingevolge de WSF

maandelijks in de vorm van een rentedragende lening

ontvangen aangemerkt als inkomen in de zin van artikel

1 van de ABW, nu gelet op inhoud en strekking van die

wet slechts bijstand wordt toegekend in die gevallen,

waarin betrokkenen niet, dan wel in niet voldoende

mate kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van

het bestaan.

Het vorenstaande houdt in dat niet kan worden gezegd

dat appellanten in zodanige omstandigheden verkeren of

dreigen te geraken, dat zij niet over de middelen

beschikken om in de noodzakelijke kosten van het

bestaan te voorzien, als bedoeld in artikel 1, eerste

lid, van de ABW.

Met betrekking tot de argumenten van appellanten

terzake van de Beschikking overweegt de Raad het

volgende.

In artikel 1, eerste lid, van de Beschikking is

bepaald dat bijstand wordt verleend aan de werkloze

werknemer die gehuwd of ongehuwd duurzaam een

gemeenschappelijke huishouding voert met een partner

die recht heeft op een studietoelage ingevolge

hoofdstuk II van de WSF én voor wie geen recht op een

partnertoeslag ingevolge artikel 13 van die wet

bestaat.

De Raad kan dan ook slechts concluderen dat, nu

appellante voor appellant een partnertoeslag op grond

van artikel 13 van de WSF ontvangt, de Beschikking

toepassing mist.

Appellanten hebben voorts gesteld dat een

partnertoeslag in de vorm van een rentedragende lening

voor appellant niet als een - naar aard en doel

toereikende en passende - voorliggende voorziening in

de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW is aan

te merken.

Zoals de Raad meermalen heeft overwogen komt blijkens

de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1a

van de ABW bij de beantwoording van de vraag of een

bepaalde voorliggende voorziening als toereikend en

passend kan worden aangemerkt niet alleen betekenis

toe aan hetgeen naar maatschappelijk inzicht

aanvaardbaar is maar ook aan de omstandigheden en

mogelijkheden van het individuele geval.

Naar het oordeel van de Raad stelt gedaagde zich

terecht op het standpunt dat de via de WSF geboden

mogelijkheid om een rentedragende lening af te sluiten

mede ten behoeve van de kosten van het levensonderhoud

van de partner van appellante kan worden aangemerkt

als een voor appellanten voorliggende voorziening in

de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW. De

passendheid wordt niet aan die voorziening ontnomen

door het feit dat appellante, nu ook het onderhoud van

appellant tot haar last komt, een aanzienlijke

studieschuld opbouwt. Zoals ook de rechtbank heeft

opgemerkt is het aan appellanten om

- desgewenst - onderling hiervoor een regeling te

treffen.

Nu niet is gebleken van zeer dringende redenen als

bedoeld in artikel 1a, vierde lid, van de ABW op grond

waarvan aan appellanten (aanvullende gezins)bijstand

zou moeten worden verleend, heeft gedaagde aan zijn

weigering terecht tevens artikel 1a, eerste lid, van

de ABW ten grondslag kunnen leggen.

Gelet op het vorenoverwogene is de Raad van oordeel

dat bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht

ongegrond is verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven

aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet

bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr J.M.A. van der Kolk-Severijns

als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr Th.C. van

Sloten als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Berends

als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13

oktober 1998.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) A.H. Berends.

HL

1410