Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-1998
Datum publicatie
19-07-2010
Zaaknummer
97/2501 AW + 97/2522 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 4:8
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1998/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

97/2501 AW en 97/2522 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

A te B, appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen

aan den Rijn, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 30 januari 1997

onder de nummers AWB 95/10793 en 95/11102 AW gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 24 september 1998,

waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D.

Mulders, verbonden aan Van Kleef & Partners B.V. te Boskoop, en

waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door ing. C.H.

Heesen en J.W.M. van Dam, beiden werkzaam bij de gemeente Alphen

aan den Rijn.

II. MOTIVERING

Appellant is in het kader van een reorganisatie ingaande 1

januari 1992 geplaatst in de functie van medewerker

leerplichtzaken (later genoemd ambtenaar leerplichtzaken) bij de

afdeling onderwijs van gedaagdes gemeente. Voordien was hij bij

die gemeente werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker.

Bij besluit van 27 september 1995 heeft gedaagde appellants

bezwaren tegen het besluit van 13 maart 1995 om appellant

tijdelijk tot een nader te bepalen datum andere, niet bij zijn

functie van ambtenaar leerplichtzaken behorende, werkzaamheden

bij de afdeling sociale zaken op te dragen, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 september 1995 heeft gedaagde overeenkomstig

het advies van de commissie personeelszaken de ten aanzien van

appellant over het tijdvak van 1 januari 1994 tot 1 december 1994

vastgestelde beoordeling, na daartegen gemaakt bezwaar,

gehandhaafd.

De rechtbank heeft de namens appellant tegen de besluiten van 27

en 28 september 1995 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen door en namens appellant in hoger

beroep is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende:

Ten aanzien van het besluit van 27 september 1995

Gedaagde heeft bij zijn besluit van 27 september 1995 met

toepassing van artikel 15:1:10, tweede lid, aanhef en onder a,

van de inmiddels in werking getreden Arbeidsvoorwaardenregeling

Alphen aan den Rijn, het besluit van de directeur uitvoerende

diensten om appellant tijdelijk tot een nader te bepalen datum

andere dan de tot zijn functie van ambtenaar leerplichtzaken

behorende werkzaamheden op te dragen, in stand gelaten. Aan die

beslissing lag de overweging ten grondslag dat uit de procedure

over de beoordeling van appellant over 1994 naar voren was

gekomen dat appellant zijn functie niet naar behoren vervuld had.

Dit, gevoegd bij klachten van externe instanties over appellants

functioneren, dwong, aldus gedaagde, ertoe om met het oog op het

hoge afbreukrisico, de achterstanden en de voortgang van de

werkzaamheden appellant tijdelijk te ontheffen van zijn functie

van ambtenaar leerplichtzaken.

Namens appellant is primair aangevoerd dat bij het nemen van het

besluit van 13 maart 1995 artikel 4:8 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) is geschonden. Verder is appellant van

opvatting dat gedaagde ten onrechte dienstbelang voor de

verplaatsing aanwezig heeft geoordeeld. Volgens appellant is

voorts in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. Appellant

heeft verder kanttekeningen geplaatst bij de aan het

verplaatsingsbesluit ten grondslag gelegde motivering en de

passendheid van de tijdelijke werkzaamheden betwist.

De Raad overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de Raad de rechtbank niet kan volgen in

haar opvatting dat in het onderhavige geval artikel 4:8 van de

Awb toepassing zou missen. Hij heeft tevens moeten vaststellen

dat waar appellant door de directeur uitvoerende diensten niet is

gehoord alvorens deze het besluit van 13 maart 1995 heeft genomen

en hij niet ervan overtuigd is kunnen raken dat zich in casu een

omstandigheid voordeed als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb,

appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn

zienswijze naar voren te brengen. Tegen de achtergrond van het

gegeven dat artikel 4:8 van de Awb het oog heeft op bevordering

van een juiste vaststelling van relevante feiten en

omstandigheden en in deze fase van de besluitvorming de

rechtsbescherming niet voorop staat, ziet de Raad in evenbedoelde

schending echter onvoldoende grond gelegen voor vernietiging van

het besluit van 27 september 1995. Hij heeft daarbij tevens in

aanmerking genomen dat vóórdat het besluit van 13 maart 1995 is

genomen met appellant overleg is gepleegd over diens functioneren

en appellant voorts zijn zienswijze in administratief beroep naar

voren heeft kunnen brengen.

Met betrekking tot het door appellant betwiste oordeel van

gedaagde dat het dienstbelang vereiste dat aan appellant

tijdelijk andere werkzaamheden werden opgedragen, overweegt de

Raad dat uit de gedingstukken onmiskenbaar blijkt dat appellants

functioneren door zijn chef zowel kwalitatief als kwantitatief

als slecht is beoordeeld. Voorts acht de Raad genoegzaam

vaststaan dat appellants chef door leidinggevenden van diverse

scholen is benaderd met klachten over appellants functioneren en

dat aan deze zelfs te kennen is gegeven dat men appellant

eigenlijk geen zaken van ongeoorloofd schoolverzuim meer in

handen wilde stellen. Tegen die achtergrond en gegeven de

omstandigheid dat het hier ging om een verantwoordelijke,

zelfstandig uit te oefenen functie met een groot afbreukrisico

kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat voldoende

dienstbelang om appellant tijdelijk andere werkzaamheden op te

dragen ontbrak.

Voor de juistheid van appellants stelling dat bij de

voorbereiding van het betrokken besluit de nodige kennis over de

relevante feiten en de af te wegen belangen niet dan wel

onvoldoende zouden zijn vergaard, heeft de Raad onvoldoende

aanknopingspunten kunnen vinden.

De Raad is voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de

werkzaamheden waarmee appellant is belast, te weten werkzaamheden

die in het verlengde lagen van de door hem vóór 1 januari 1992

verrichte werkzaamheden, hem in redelijkheid niet konden worden

opgedragen. De Raad acht onvoldoende gebleken dat sprake zou zijn

van een zodanige animositeit tussen appellant en de chef sociale

zaken dat de werkzaamheden op de afdeling sociale zaken voor hem

deswege niet passend zouden kunnen worden geacht. Aan de

conclusie dat sprake was van passende werkzaamheden ziet de Raad

evenmin afdoen de door appellant naar voren gebrachte

omstandigheid dat hij zich de inmiddels totstandgekomen nieuwe

wetgeving eigen diende te maken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van

appellant tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het

besluit van 27 september 1998 niet kan slagen.

Ten aanzien van het besluit van 28 september 1995

Het besluit van 28 september 1995 betreft de ongegrondverklaring

van de bezwaren van appellant tegen de over hem over het tijdvak

van 1 januari 1994 tot 1 december 1994 vastgestelde beoordeling.

Die beoordeling laat een onvoldoende functioneren zien zowel

kwantitatief als kwalitatief.

Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - naar voren

gebracht dat bij het opmaken van de beoordeling onvoldoende

rekening is gehouden met externe factoren en voorts dat ter

ondersteuning van de negatieve waarderingen in de beoordeling

onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangedragen.

Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de beoordeling

overweegt de Raad dat die, volgens zijn vaste jurisprudentie, is

beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op

onvoldoende gronden berust. Naar de Raad reeds eerder heeft

uitgemaakt moet in gevallen van negatieve oordelen als

uitgangspunt gelden dat het op de weg van het betrokken

bestuursorgaan ligt in rechte genoegzaam aan te tonen dat die

waardering niet op onvoldoende gronden berust. In overeenstemming

met evenbedoelde jurisprudentie merkt de Raad voorts nog op, dat

niet beslissend is of elk feit dat ter adstructie van een

waardering boven elke twijfel verheven is en dat zelfs niet van

doorslaggevend belang is of bepaalde feiten onjuist blijken te

zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het

totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de

gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.

De Raad merkt in de eerste plaats op dat appellant hem niet ervan

heeft kunnen overtuigen dat bij de onderhavige beoordeling

onvoldoende rekening zou zijn gehouden met externe factoren. Met

name heeft hij onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om de

stellingname van gedaagde, dat bij de beoordeling zowel rekening

is gehouden met de omstandigheid dat appellant vanaf februari

1994 op minder uren werkzaam was vanwege ouderschapsverlof als

ook het gegeven dat hij vanaf 6 september 1994 zijn functie

wegens ziekte niet meer heeft uitgeoefend, voor onjuist te

houden.

Ten aanzien van de in de beoordeling neergelegde waarderingen

overweegt de Raad vooreerst dat hij onvoldoende aanleiding heeft

gevonden te twijfelen aan de juistheid van het door gedaagde

ingenomen standpunt dat een met het betrokken terrein niet bekend

zijnde ambtenaar, zoals appellant, na twee jaar kon en mocht

worden beoordeeld tegen de achtergrond van de voor een normale

functievervulling geldende eisen. Reeds om die reden ziet de Raad

aan appellants grief dat onvoldoende rekening is gehouden met

- het beeld over appellants functioneren dat opkomt uit - de ten

aanzien van appellant over 1993 opgemaakte beoordeling, waarbij

nog is uitgegaan van een nog niet voldoende ingewerkte

functionaris, niet die betekenis toekomen die appellant daaraan

toegekend wenst te zien.

Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat van de

zijde van gedaagde in de beschikbare gedingstukken genoegzaam

aannemelijk is gemaakt dat appellants functievervulling vanaf 1

januari 1994 zowel kwantitatief als kwalitatief een onvoldoende

beeld te zien gaf. Ten aanzien van de in dat verband naar voren

gebrachte externe klachten tekent hij daarbij aan dat hij, gelet

op hetgeen appellant dienaangaande naar voren heeft gebracht,

niet de overtuiging heeft verkregen dat die klachten in essentie

voldoende feitelijke grondslag zouden ontberen.

Op grond van evenbedoelde gegevens staat voor de Raad genoegzaam

vast dat appellants kennis van de meer algemene vormgeving van

het werkgebied leerplichtzaken te kort schoot. Dat de scheiding

tussen beleid en uitvoering in relevante mate aan

kennisvermeerdering in de weg stond, acht de Raad onvoldoende

gebleken. Voor de Raad is ook voldoende aannemelijk dat appellant

de aan zijn functie verbonden zelfstandigheid niet adequaat vorm

heeft gegeven door onvoldoende actief gebruik te maken van de aan

zijn functie verbonden bevoegdheden en onvoldoende in te springen

op nieuwe ontwikkelingen. Dat appellant in zijn contacten een

zekere onverschilligheid aan de dag legde, ziet de Raad in de

gedingstukken eveneens bevestigd.

De Raad deelt evenwel de opvatting van appellant dat hoewel

appellants kennis van de meer algemene vormgeving van het

werkgebied tekort schoot en op zich zelf de waardering

'onvoldoende' zou rechtvaardigen, het tussen partijen vaststaande

gegeven dat hij in 1994 er blijk van heeft gegeven over voldoende

kennis te beschikken van de normale gevalsbehandeling ertoe dient

te leiden dat de waardering voor het totale bestanddeel kennis

dient te worden gewijzigd in 'matig'. Hieruit volgt dat de

bestreden beoordeling in zoverre niet in stand kan worden

gelaten.

In aanmerking genomen dat de hiervoor bedoelde aanpassing van de

waardering van het bestanddeel kennis het totaalbeeld van het

functioneren van appellant naar het oordeel van de Raad niet

wijzigt, zal de Raad de beoordeling met toepassing van artikel

8:72, vierde lid, van de Awb aldus wijzigen.

In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde

te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan

kosten wegens aan appellant in eerste aanleg verleende

rechtsbijstand en een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten wegens

aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden

beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep

van appellant tegen het besluit van 28 september 1995 ongegrond

is verklaard;

Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 28

september 1995 alsnog gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 september 1995 voor zover de

handhaving van de beoordeling betrekking heeft op de waardering

van het bestanddeel 'kennis' met een 'A';

Stelt de waardering van het bestanddeel 'kennis' vast op 'B';

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste

aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger beroep tot een

bedrag groot f 1.420,--, te betalen door de gemeente Alphen aan

den Rijn;

Bepaalt dat de gemeente Alphen aan den Rijn aan appellant het

door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal f 500,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr

W.D.M. van Diepenbeek en mr H.J. Simon als leden, in

tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken

in het openbaar op 5 november 1998.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.H. Schippers.

HD

Q