Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-1998
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
96/11687 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorzending beroepschrift als bezwaarschrift, zelfstandig schadebesluit, bevoegdheid bestuursorgaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 1998-05-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 1998/132

Uitspraak

96/11687 AW Q

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

A., thans wonende te B., appellante,

en

de burgemeester van de gemeente Zoetermeer, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden

hoger beroep ingesteld tegen de door de

Arondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 27 november

1996 onder nr. AWB 95/10409 AW gegeven uitspraak,

waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 1998,

waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde

F.Th.M. Pannekeet, zelfstandig ondernemer te Weert, en

waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

J.A.H.A. van de Leijgraaf, werkzaam bij de gemeente

Zoetermeer, en J. Finklenberg, werkzaam bij de

politieregio Haaglanden.

II. MOTIVERING

Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding

van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de

aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het

volgende.

Appellante is op 1 juni 1988 wegens blijvende

ongeschiktheid uit hoofde van ziekten of gebreken

ontslagen als hoofdagente van de toenmalige

gemeentepolitie van Zoetermeer. Met ingang van genoemde

datum is zij part-time een andere betrekking gaan

vervullen. Vanaf 1 september 1988 is zij als zelfstandige

werkzaam geweest. Op 15 juli 1990 is zij naar Belgiƫ

verhuisd. Per 1 mei 1991 is zij weer in loondienst gaan

werken.

Gedurende enige tijd heeft appellante, die herplaatsbaar

was verklaard als bedoeld in artikel K2 van de Algemene

burgerlijke pensioenwet, een herplaatsingstoelage op

grond van artikel K6 van die wet ontvangen.

Op een verzoek van appellante van 6 januari 1992 om haar

met terugwerkende kracht over de periode van 1 september

1988 tot en met 30 april 1991 een herplaatsingswachtgeld

als bedoeld in artikel K7 van de Algemene burgerlijke

pensioenwet toe te kennen, heeft gedaagde afwijzend

beslist bij besluit van 18 februari 1992.

Naar aanleiding van een nader verzoek van appellante

medio 1994 om haar alsnog over de periode van 15 juli

1990 tot en met 30 april 1991 een herplaatsingswachtgeld

toe te kennen, heeft gedaagde bij primair besluit van 8

juli 1994 geweigerd van de eerdere afwijzingsbeslissing

terug te komen. Appellante heeft tegen dat besluit een

beroepschrift ingediend bij de rechtbank, welk geschrift

aan gedaagde is doorgezonden om te worden behandeld als

bezwaarschrift. Bij het thans in geding zijnde besluit

van 3 oktober 1995 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Tevens is daarbij een verzoek van appellante om

schadevergoeding ter grootte van f 1.000.000,00 wegens

beweerdelijk aan haar door de gemeente toegebracht

lichamelijk en geestelijk leed afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante

tegen gedaagdes besluit van 3 oktober 1995 ongegrond

verklaard.

Naar aanleiding van het door appellante tegen die

uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het

volgende.

De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat hier aan de

orde is een weigering van gedaagde terug te komen van een

eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit. Eveneens

terecht heeft zij overwogen dat een dergelijke weigering

volgens vaste rechtspraak door de rechter slechts

terughoudend kan worden getoetst. Volgens bedoelde

rechtspraak ligt het op de weg van de betrokkene feiten

of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere

besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin

destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden

gebracht dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit

aan te tonen. Appellante is daarin, ook naar het oordeel

van de Raad, niet geslaagd. Hij verenigt zich met - en

verwijst naar - hetgeen de rechtbank daartoe, ook met

betrekking tot de toepassing van de voorwaarden van het

Rijkswachtgeldbesluit 1959, in de aangevallen uitspraak

heeft overwogen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor

bevestiging in aanmerking. Dat geldt ook voor de

beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek

om vergoeding van schade die zou voortvloeien uit het

door appellante bestreden maar, blijkens het

bovenoverwogene, in zoverre rechtens houdbare besluit van

3 oktober 1995.

Het destijds door appellante gedane verzoek om

schadevergoeding was niet enkel - en zelfs niet

primair - gericht op schade als gevolg van de door

appellante bestreden weigering van

herplaatsingswachtgeld. Zoals ook door de commissie

Behandeling Bezwaar- en Beroepschriften van de gemeente

Zoetermeer duidelijk aan gedaagde is gerapporteerd,

bevatte het verzoek van appellante tevens een zelfstandig

verzoek om vergoeding van schade als boven is aangeduid.

Anders dan aan gedaagde was geadviseerd, heeft gedaagde

bij de beslissing van 3 oktober 1995 het bezwaar

betreffende de schadevergoeding wel ontvankelijk geacht,

maar dat afgewezen op de inhoudelijke grond "dat de

gemeente Zoetermeer (haar) op geen enkele wijze schade

heeft berokkend".

De Raad moet vaststellen dat deze afwijzende beslissing

het eerste besluit is naar aanleiding van het

(zelfstandige) verzoek om schadevergoeding. Tegen een

dergelijk primair besluit dient, alvorens daartegen

beroep kan worden ingesteld, bezwaar te worden gemaakt

bij het bestuursorgaan dat dat besluit genomen heeft. De

rechtbank had het beroep in zoverre niet in behandeling

behoren te nemen en had het beroepschrift, voor zover het

zich richt tegen de afwijzing van het verzoek om

schadevergoeding, ter behandeling als bezwaarschrift naar

gedaagde moeten doorzenden. De Raad merkt in dit verband

op dat hij - anders dan ten aanzien van vergelijkbare

besluiten genomen onder de vigeur van de Ambtenarenwet

1929 en de (oude) gemeentewet - in een geding als het

onderhavige waarin een bijzonder voorschrift betreffende

de (bevoegdheid tot) toekenning van schadevergoeding

ontbreekt, gedaagde, die in de van belang zijnde periode

in aangelegenheden betreffende aanstelling, ontslag en

andere belangrijke onderdelen van de rechtspositie van

appellante het bevoegde bestuursorgaan was, bevoegd acht

om op een verzoek om vergoeding van (beweerdelijk) aan

dat bestuursorgaan toe te rekenen (beweerdelijk geleden)

schade te beslissen.

De Raad gaat ervan uit dat gedaagde het beroepschrift van

appellante nu alsnog als - tijdig ingediend -

bezwaarschrift in behandeling zal nemen voor zover het

bezwaar van appellante is gericht op de weigering om haar

(beweerdelijk geleden) schade te vergoeden.

Ter voorlichting aan appellante merkt de Raad op dat met

deze uitspraak van de Raad nog geen beslissing is gegeven

over de (on)juistheid van die weigering.

Nu geen sprake is van voor vergoeding krachtens het

Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende

proceskosten, ziet de Raad, tot slot, geen aanleiding om

toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van

de Algemene wet bestuursrecht.

Mede gelet op artikel 28 van de Beroepswet wordt derhalve

als volgt beslist:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij

appellantes beroep tegen de weigering van

herplaatsingswachtgeld ongegrond is verklaard;

Bevestigt eveneens de aangevallen uitspraak voor zover

daarbij appellantes verzoek om veroordeling tot

vergoeding van met die weigering verband houdende schade

is afgewezen;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart appellante alnog niet-ontvankelijk in haar

beroep tegen de weigering van gedaagde om haar een

schadevergoeding toe te kennen;

Bepaalt dat de gemeente Zoetermeer het door appellante in

hoger beroep betaalde griffierecht van f 150,-- aan haar

vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter,

en mr H.R. Geerling-Brouwer en mr P.J. Stolk als leden,

in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1998.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.H. Schippers.

HD

11.05