Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-1998
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
96/5429 AW, 96/5430 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling, inschaling, beoordeling, geen vaste aanstelling.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 6
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 1
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 5
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 7
Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

O

96/5429 AW

96/5430 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Minister van Economische Zaken, appellant,

en

[gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde

gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 24 april 1996 onder

de nrs. AWB 95/829 AW en 95/7932 AW gegeven uitspraak, waarnaar

hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 februari 1998, waar

appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.M.A.

Schuurs en J.F. Burger, beiden werkzaam op het Ministerie van

Economische Zaken, en waar gedaagde in persoon is verschenen,

bijgestaan door mr A. Selter, verbonden aan de Juridische

Adviespraktijk Van Emmerik en Selter.

I. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat

de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en

omstandigheden.

Bij besluit van 3 december 1992 is gedaagde door appellant met

toepassing van artikel 6 van het Algemeen

Rijksambtenarenreglement aangesteld in tijdelijke dienst voor een

proeftijd van 24 maanden. Gedaagde is geplaatst in een functie

van beleidsmedewerker met formatieschaal 11 van het

Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984);

het aanvangssalaris werd vastgesteld overeenkomstig schaal 8 van

bijlage B van het BBRA 1984, salarisnummer 3. Per 1 maart 1993,

zo werd bij de aanstellingsbrief medegedeeld, zou inpassing

volgen in schaal 9, salarisnummer 1. Tevens werd in die brief

gesteld dat de datum waarop de eerstkomende salarisverhoging kon

ingaan, was bepaald op 1 maart 1994. Voorts bevatte die brief de

mededeling dat gedaagde na beëindiging van de proeftijd bij goed

functioneren in vaste dienst zou worden aangesteld, onder

gelijktijdige inpassing in schaal 10 van bijlage B van het BBRA

1984; twee jaar na inpassing in schaal 10 zou worden bezien of

gedaagde zou kunnen worden ingepast in schaal 11 van voornoemde

bijlage.

De inschaling bij indiensttreding in schaal 8,3 geschiedde in

afwijking van de eerder tijdens de sollicitatieprocedure met

gedaagde besproken inschaling in schaal 9,1 (op een overigens

gelijk bedrag); gedaagde was kort tevoren van die wijziging op

de hoogte gebracht.

Bij besluit van 1 maart 1994 (hierna: primair besluit 1) is aan

gedaagde per 1 maart 1994 een salarisverhoging toegekend

overeenkomstig schaal 9, salarisnummer 2. Gedaagde heeft tegen

dit besluit bezwaar gemaakt.

Voorts heeft gedaagde aan appellant verzocht hem alsnog per 1

december 1992 te bezoldigen overeenkomstig schaal 9,

salarisnummer 1, waarna per 1 december 1993 verhoging naar schaal

9,2 zou moeten plaatsvinden.

Appellant heeft op dit laatste verzoek bij besluit van

27 mei 1994 (hierna: primair besluit 2) beslist: gedaagde is

alsnog per 1 december 1992 ingeschaald in schaal 9,1 en tevens

is bepaald dat de eerstkomende salarisverhoging kon plaatsvinden

per 1 maart 1994. Gedaagde heeft ook tegen dit besluit bezwaar

gemaakt.

Bij besluit van 16 december 1994 (hierna, voor zover betrekking

hebbend op primair besluit 1: bestreden besluit 1; voor zover

betrekking hebbend op primair besluit 2: bestreden besluit 2)

heeft appellant op beide bezwaren beslist.

Inmiddels was ten aanzien van het functioneren van gedaagde op

30 september 1994 een beoordeling opgemaakt. Nadat gedaagde van

de beoordelingslijst in kennis was gesteld - en daartegen door

hem eerst na afloop van de hem daarvoor gegunde termijn

bedenkingen waren ingebracht - is bij besluit van 13 januari 1995

(hierna: primair besluit 3) de beoordeling vastgesteld. Gedaagde

heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Aan gedaagde was enige tijd daarvoor bij besluit van

15 november 1994 (hierna: primair besluit 4) te kennen gegeven

dat besloten was het tijdelijk dienstverband niet te laten volgen

door een aanstelling in vaste dienst. Ook tegen dit besluit heeft

gedaagde bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 juli 1995 (hierna, voor zover betrekking

hebbend op primair besluit 3: bestreden besluit 3; voor zover

betrekking hebbend op primair besluit 4: bestreden besluit 4)

heeft appellant beide bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de door gedaagde tegen de bestreden besluiten

ingestelde beroepen, behoudens voor zover betrekking hebbend op

de vaststelling van de bezoldiging per 1 maart 1993, gegrond

verklaard en die besluiten, in zoverre, vernietigd; zij heeft

appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen en zij heeft

bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierechten en

proceskosten.

Naar aanleiding van het door appellant tegen die uitspraak

ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

De rechtbank heeft de in het primaire besluit 2 vervatte

- en bij bestreden besluit 2 gehandhaafde - weigering van

appellant om gedaagde reeds per 1 december 1993 in aanmerking te

brengen voor een salarisverhoging van schaal 9,1 naar schaal 9,2

vernietigd. Zij heeft daarbij overwogen dat het

bezoldigingsbeleid van appellant in rechte geen stand kan houden

voor zover dit in strijd komt met de bepalingen van artikel 7 van

het BBRA 1984 die inhouden dat een ambtenaar van 22 jaar of ouder

die zijn functie naar behoren vervult, voor de eerste maal voor

een salarisverhoging in aanmerking komt met ingang van de eerste

dag van de maand waarin sinds zijn aanstelling een jaar is

verstreken.

Met het aanleggen van deze toetsingsmaatstaf heeft de rechtbank

miskend dat het onderhavige besluit van appellant een weigering

betreft om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden

beslissingen. Immers, reeds bij het aanstellingsbesluit is met

zoveel woorden bepaald dat de eerstvolgende salarisverhoging -

niet per 1 december 1992, maar - eerst per 1 maart 1994 zou

kunnen plaatsvinden, en eerst op 14 april 1994 heeft gedaagde

gevraagd de niet per 1 december 1993 toegekende salarisverhoging

alsnog toe te kennen. De Raad heeft niet tot de conclusie kunnen

komen dat de weigering van appellant om terug te komen van zijn

eerdere beslissingen de hier aan te leggen terughoudende toetsing

- waarvoor de Raad verwijst naar zijn vaste jurisprudentie,

bijvoorbeeld blijkend uit zijn uitspraak van 5 december 1996, TAR

1997, 26 - niet kan doorstaan. Daarvoor is de enkele strijd van

(een klein onderdeel van) het bezoldigingsbeleid van appellant

met het BBRA 1984 onvoldoende. Nu het bestreden besluit 2 dus in

rechte kan standhouden, komt de aangevallen uitspraak voor

vernietiging in aanmerking voor zover daarbij dat besluit is

vernietigd.

De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd omdat zij van

oordeel was dat appellant toekenning van salarisschaal 10 per 1

maart 1994 niet had kunnen onthouden aan gedaagde zonder primair

te zijn nagegaan op welk niveau de werkzaamheden van gedaagde

lagen en vervolgens stil te hebben gestaan bij de vraag of

gedaagde naar behoren functioneerde, waarbij voor de eis van

'goed functioneren' geen ruimte aanwezig werd geacht. De

rechtbank baseerde zich hier op de systematiek van de artikelen

5 en 7 van het BBRA 1984.

De Raad kan de rechtbank in haar redenering met betrekking tot

de systematiek van het BBRA 1984 volgen, maar komt bij het licht

van de beschikbare gegevens tot een andere conclusie. Hij stelt

namelijk in de eerste plaats vast dat appellant bij de

aanstellingsbrief van 3 december 1992 aan gedaagde kenbaar heeft

gemaakt dat hem niet voor 1 december 1994 een verhoging van

salarisschaal zou ten deel vallen. Daarmee heeft appellant

kennelijk tot uitdrukking gebracht, hetgeen bij een aanstelling

in tijdelijke dienst voor een proeftijd van 24 maanden past, dat

hem gedurende de proeftijd slechts werkzaamheden zouden worden

opgedragen waarvan de zwaarte de toekenning van salarisschaal 9,

en niet reeds schaal 10, rechtvaardigt. Vervolgens constateert

de Raad dat op of voor 1 maart 1994 aan gedaagde niet structureel

een ander, zwaarder te waarderen samenstel van werkzaamheden is

opgedragen. Zulks is ook niet af te leiden uit de op 29 maart

1994 opgemaakte verkorte beoordeling, waarbij is opgemerkt dat

gedaagde zich nog in een leerproces bevond. Voorts overweegt de

Raad dat gedaagde zelf niet voor 1 maart 1994 om toekenning van

een hogere salarisschaal heeft verzocht. Dat appellant zich in

(hoger) beroep hoofdzakelijk heeft beroepen op het door hem

gevoerde beleid waarin, in weerwil van artikel 5 van het BBRA

1984 en de daaraan in vaste jurisprudentie gegeven uitleg (zie

bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 1997, TAR 1997, 126), het

'goed functioneren' als beslissend criterium gehanteerd lijkt te

worden, doet niet af aan de conclusie dat het niet toekennen van

schaal 10 per 1 maart 1994 op grond van het feit dat gedaagde nog

niet een functie (in de zin van artikel 2, aanhef en onder h, en

artikel 5 van het BBRA 1984) op het niveau van schaal 10

vervulde, in rechte kan standhouden. Voor zover de rechtbank bij

haar uitspraak bestreden besluit 1 heeft vernietigd, komt die

uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Bij bestreden besluit 3 heeft appellant de door hem vastgestelde

beoordeling gehandhaafd. Hij deed dit in het voetspoor van de

door hem in de bezwarenprocedure ingeschakelde Commissie

advisering bezwaarschriften personeelsleden EZ. Deze commissie

heeft vastgesteld dat gedaagde niet tijdig gebruik heeft gemaakt

van de hem krachtens artikel 7, eerste lid, van het

Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 geboden

gelegenheid tot het indienen van bedenkingen tegen de

beoordeling. Zij heeft daaruit geconcludeerd dat "(gedaagdes)

bezwaar tegen het feit dat deze beoordeling is vastgesteld zonder

dat deze bedenkingen zijn overgenomen (..) derhalve ongegrond

(is)".

Door het bij deze conclusie te laten, heeft de adviescommissie,

naar het oordeel van de Raad, een advies uitgebracht waaraan een

ernstig gebrek kleeft. Het advies is immers geheel heengegaan

langs de bezwaren die gedaagde tegen de beoordeling naar voren

heeft gebracht. Gedaagde heeft zijn bezwaarschrift namelijk

beëindigd met het primaire verzoek de inhoudelijke bezwaren die

hij in met name genoemde stukken had verwoord, te beoordelen. Nu

appellant niet op grondslag van het bezwaar heeft beslist en het

bestreden besluit 3 enkel heeft gebaseerd op het gebrekkige

advies kan dat besluit in rechte geen stand houden. Het had op

de weg van appellant gelegen aan de commissie alsnog advies te

vragen omtrent de gemaakte bezwaren danwel geheel zelfstandig tot

heroverweging te komen van zijn primaire besluit op grondslag van

het bezwaar. De omstandigheid dat gedaagde niet tijdig gebruik

heeft gemaakt van de gelegenheid bedenkingen te uiten bij de

beoordelingsautoriteit staat immers niet in de weg aan de

mogelijkheid voor gedaagde om krachtens artikel 8 van genoemd

beoordelingsvoorschrift bezwaar te maken, terwijl zulks evenmin

afdoet aan de verplichting voor appellant om op (de inhoud van)

dat bezwaar te beslissen.

Het bestreden besluit 3 kan derhalve reeds op deze grond in

rechte geen stand houden, zodat de vernietiging van dat besluit

door de rechtbank moet worden bevestigd. De Raad kan en zal de

juistheid van de door de rechtbank voor die vernietiging gegeven

motivering dat onvoldoende duidelijk is tegen de achtergrond van

welke functie de beoordeling heeft plaatsgevonden, in het midden

laten.

Omdat de Raad, blijkens het hierna volgende, het bestreden

besluit 4 in stand zal laten als gevolg waarvan er per 1 december

1994 een einde is gekomen aan het dienstverband van gedaagde,

komt het hem geraden voor met toepassing van artikel 8:72, vierde

lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het primaire

besluit 3 te vernietigen. De Raad is niet gebleken dat gedaagde

hier schade lijdt die met toepassing van artikel 8:73 van de Awb

voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen appellants

weigering (bij bestreden besluit 4) hem een vaste aanstelling te

verlenen met ingang van 1 december 1994, gegrond verklaard. De

rechtbank is tot dat oordeel gekomen nadat zij de volgens vaste

jurisprudentie hier te stellen vraag of appellant in redelijkheid

tot het oordeel kon komen dat gedaagde niet aan de door appellant

redelijkerwijs te stellen verwachtingen heeft voldaan, ontkennend

heeft beantwoord.

De Raad beantwoordt die vraag echter bevestigend. Daarbij roept

hij in herinnering dat bij het aanleggen van de onderhavige

toetsingsmaatstaf niet vereist is dat wordt aangetoond dat de

betrokken ambtenaar schromelijk is tekort geschoten of anderszins

heeft blijk gegeven van een ongeschiktheid welke het ontslag van

een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen

rechtvaardigen. Voorts overweegt hij dat het ontbreken van een

rechtens onaantastbaar geworden beoordeling, in casu als gevolg

van de vernietiging daarvan, evenmin beslissend is. Daarbij is

van belang dat appellant weliswaar als beleid hanteert dat aan

het verlenen van een vaste aanstelling het opmaken van een

(positieve) beoordeling vooraf behoort te gaan en dit ook aan

gedaagde heeft medegedeeld, maar dat een voorschrift ontbreekt

waaraan aanspraak op een vaste aanstelling kan worden ontleend

bij het ontbreken van een beoordeling.

De Raad is van oordeel dat appellant redelijkerwijs te stellen

verwachtingen heeft gehad omtrent onder meer het zelfstandig

functioneren van gedaagde en het nemen van initiatieven door hem,

en dat appellant in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen

komen dat gedaagde aan die verwachtingen niet heeft voldaan. De

Raad heeft vastgesteld dat er concrete voorbeelden zijn van

tekortkomingen in genoemde functioneringsaspecten waarop

appellant zich, ook indien de weerspreking daarvan door gedaagde

op onderdelen als een gedeeltelijke weerlegging daarvan zou

moeten worden aangemerkt, voor zijn oordeelsvorming heeft kunnen

en mogen baseren.

De Raad komt tot de slotsom dat bestreden besluit 4 niet voor

vernietiging in aanmerking komt, zodat de aangevallen uitspraak

dient te worden vernietigd voor zover daarbij dat besluit is

vernietigd.

Tot slot merkt de Raad naar aanleiding van het aan hem tevens

overgelegde besluit van appellant van 10 februari 1997 het

volgende op.

In de eerste plaats heeft appellant ter uitvoering van de

aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de bestreden besluiten

1 en 2 zijn vernietigd, alsnog aan gedaagde per 1 december 1993

een salarisverhoging naar schaal 9,2 en per 1 maart 1994

salarisschaal 10 toegekend; daarbij heeft hij tevens vertragingsrente

toegekend. Daarmee is appellant geheel tegemoetgekomen

aan het bezwaar en inleidend beroep van gedaagde. Op grond van

de slotzin van het eerste lid van artikel 6:19 van de Awb, welke

bepaling krachtens artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van

overeenkomstige toepassing is, kan gedaagde dan niet worden

geacht mede beroep te hebben ingesteld tegen dat nieuwe besluit.

Evenmin is artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hier van

toepassing ten aanzien van het tweede onderdeel van het besluit

van 10 februari 1997. Bij dat besluit, waartegen inmiddels door

gedaagde bezwaar is gemaakt, is aan gedaagde in relatie tot de

bestreden besluiten 3 en 4 een schadevergoeding toegekend. Van

een besluit tot intrekking of wijziging van de bestreden

besluiten 3 en 4 is echter in het geheel geen sprake.

In de omstandigheid dat appellants hoger beroep ten aanzien van

bestreden besluit 3 geen doel treft ziet de Raad aanleiding om

de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht

in eerste aanleg betreffende dat besluit in stand te laten. Omdat

het hoger beroep overigens doel treft, is er aanleiding de

veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in

eerste aanleg in zoverre te vernietigen. Voorts acht de Raad

termen aanwezig om appellant met overeenkomstige toepassing van

artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de

helft van de kosten van verleende rechtsbijstand van gedaagde in

hoger beroep, groot (ƒ 1.420,- : 2 =) ƒ 710,-, alsmede van de

reiskosten van gedaagde, groot ƒ 34,75.

Omdat gelet op het vorenoverwogene het dictum van de aangevallen

uitspraak grotendeels niet in stand kan worden gelaten, geeft de

Raad er uit een oogpunt van duidelijkheid de voorkeur aan die

uitspraak in zijn geheel te vernietigen en te doen hetgeen de

rechtbank had behoren te doen.

Beslist wordt dan ook als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen van gedaagde tegen de bestreden

besluiten 1, 2 en 4 alsnog ongegrond;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen bestreden

besluit 3 (betreffende de vaststelling van de beoordeling) alsnog

gegrond;

Vernietigt alsnog bestreden besluit 3 alsmede het primaire

besluit 3;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in eerste

aanleg tot een bedrag groot ƒ 1.420,- terzake van kosten van

verleende rechtsbijstand, en in hoger beroep tot een bedrag groot

ƒ 710,- terzake van kosten van verleende rechtsbijstand en groot

ƒ 34,75 terzake van reiskosten, te betalen door de Staat der

Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan gedaagde het door hem

in de zaak 95/7932 AW betaalde griffierecht vergoedt.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr

Ch. de Vrey en mr H.M.J.I. Steenbergen als leden, in

tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1998.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.W.M. van Bommel.

HD

16.03